Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6825

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
AWB 03/7004, 03/7006
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / nationaliteit / nader onderzoek.

Verzoeker stelt afkomstig te zijn uit Liberia. Zijn asielaanvraag is afgewezen, omdat verweerder het ongeloofwaardig acht dat verzoeker de Liberiaanse nationaliteit heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank is het verrichten van nader onderzoek aangewezen. Indien de verklaringen van verzoeker dat hij over de Liberiaanse nationaliteit beschikt, dat hij Liberia op achtjarige leeftijd heeft verlaten en dat zijn ouders zijn overleden, juist zijn, is het vrijwel onmogelijk dat door middel van documenten aannemelijk te maken. Verweerder heeft niet in het bestreden besluit gesteld dat zodanig onderzoek niet langs andere weg dan door het bestuderen van landkaarten mogelijk is, zodat van verweerder mag worden verwacht dat althans een poging wordt gedaan, bijvoorbeeld door het raadplegen van personen die als Liberia-deskundigen zijn aan te merken, de waarheid in deze kwestie te achterhalen. Indien zulks niet blijkt te lukken, zal verzoeker het voordeel van de twijfel gegund moeten worden.

Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2003-02-14
Vreemdelingenwet 2000 71, geldigheid: 2003-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 03/7004 VRONTN (voorlopige voorziening), AWB 03/7006 VRONTN (beroep)

IND-nr: 0301.31.4064

inzake:

A, geboren op [...] 1980, alias A, geboren op [...] 1961, van Liberiaanse nationaliteit, verblijvende in het grenshospitium ‘De Weg’ te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J.W. Spierings, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 3 februari 2003, aangevuld bij brief van 11 februari 2003, heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 februari 2003 waarbij de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 14 februari 2003. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig L. Lunsden als tolk in de Engelse taal.

3. Aan het eind van de zitting is het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen dan wel het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de rechtbank na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoeker is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

4. Verweerder heeft de asielaanvraag van verzoeker afgewezen omdat het (volstrekt) ongeloofwaardig wordt bevonden dat verzoeker de Liberiaanse nationaliteit heeft. Hiertoe wordt, in het licht van de beroepsgronden, het volgende overwogen.

5. Verzoeker stelt dat hij de Liberiaanse nationaliteit heeft en dat hij in B, een kleine plaats in het oosten van Liberia, heeft gewoond.

Verweerder overweegt hieromtrent het volgende in het bestreden besluit van 3 februari 2003.

- pagina 3, zesde alinea:

„Betrokkene heeft verklaard de eerste acht jaar van zijn leven in de plaats B in Liberia te hebben gewoond. Bevreemdend hierbij is echter dat deze plaats niet te traceren is aan de hand van gedetailleerde landkaarten van zijn gestelde land van herkomst. Daarnaast heeft betrokkene niet kunnen vertellen in welke county de plaats B ligt of een aantal dorpen en evenmin grotere plaatsen in de omgeving van zijn woonplaats B kunnen noemen. Ook heeft betrokkene, naast de door hem gestelde B rivier, geen rivieren of gebergten in de buurt van B kunnen noemen.“

6. Verzoeker heeft hieromtrent het volgende verklaard in het nader gehoor.

pagina 10, bovenaan:

Vraag: Is de plaats B een grotere plaats of een dorp?

„Wat ik van die naam herinner is dat het gebied wordt genoemd naar een rivier, mensen gingen daarheen om een oud ding te aanbidden, naar die rivier is het gebied genoemd.“

Vraag: Is B een grote plaats of is het een dorp?

„Een kleine nederzetting.“

pagina 10, onderaan:

Vraag : Wat deed u voor werk op de boerderij?

„Ik kon niet veel doen, omdat ik klein was, het was een cassaveboerderij en als het geoogst wordt moet je het in een mand doen.“

pagina 11, bovenaan:

Vraag: Wat werd er nog meer verbouwd op de boerderij?

„Ochra, er wordt soep van gemaakt. Ochra werd bij de oever van de stroming verbouwd en yam, groentes werden langs de oever van de stroming verbouwd.“

Vraag: Welke groentes werden er verbouwd?

„Spinazie.“

7. De rechtbank is van oordeel dat de beantwoording van deze vragen verweerder er toe had moeten nopen nader onderzoek te verrichten naar de vraag of de plaats B inderdaad bestaat en dat niet had mogen worden volstaan met bestudering van gedetailleerde landkaarten. Volgens verzoeker is B een kleine nederzetting. Het valt niet uit te sluiten dat op de door verweerder bestudeerde kaarten kleine nederzettingen niet worden vermeld zoals namens verweerder ter zitting is erkend. Het besluit geeft er geen blijk van dat verweerder heeft nagegaan of een rivier met de naam B bestaat. Aan de bewering van verweerder ter zitting dat er op de landkaart geen rivier met de naam B is aangetroffen, moet in verband hiermee worden voorbijgegaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder gehouden langs andere weg na te gaan of een plaats en een rivier met de naam B bestaan. In dat kader zal tevens moeten worden uitgezocht of de bewering van verzoeker dat er op de boerderij waarop hij woonachtig was cassave, ochra en yam werden verbouwd op waarheid kan berusten, evenals zijn opmerking dat er spinazie werd verbouwd.

8. De rechtbank acht het verrichten van zodanig onderzoek aangewezen omdat het voor verzoeker, indien zijn verklaring dat hij over de Liberiaanse nationaliteit beschikt, dat hij Liberia op achtjarige leeftijd heeft verlaten en dat zijn ouders zijn overleden, juist is, vrijwel onmogelijk is zulks door middel van documenten aannemelijk te maken. Verweerder heeft niet in het besluit gesteld dat zodanig onderzoek niet langs andere weg dan door het bestuderen van landkaarten mogelijk is, zodat van verweerder mag worden verwacht dat althans een poging wordt gedaan, bijvoorbeeld door het raadplegen van personen die als Liberia-deskundigen zijn aan te merken, de waarheid in deze kwestie te achterhalen. Indien zulks niet blijkt te lukken, zal verzoeker het voordeel van de twijfel gegund moeten worden.

9. De rechtbank is, gelet op het vorenoverwogene, van oordeel dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en derhalve op die grond dient te worden vernietigd.

10. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

11. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Op grond van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van artikel 3:2 juncto artikel 3:4 van de Awb. Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

12. Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van beide zaken bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand.

IV. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 03/7006 VRONTN:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 1 februari

2003;

in de zaak geregistreerd onder nummer : AWB 03/7004 VRONTN:

4. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

in beide zaken:

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge:

negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de

griffier.

Gewezen door mr. F. Salomon, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P. Deinum, griffier en openbaar gemaakt op: 14 februari 2003

De griffier, De voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: 20 februari 2003

Conc.: PD

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.