Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6814

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2003
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/61591
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nova.

Eiser heeft op 16 juli 2002 een tweede asielaanvraag ingediend. De rechtbank is van oordeel dat twee van de door eiser overgelegde documenten zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb. De rechtbank is voorts van oordeel dat in dat geval niet slechts ruimte bestaat voor de toets of deze documenten ‘op zichzelf’ tot een heroverweging kunnen leiden. De genoemde documenten vormen een onderdeel van het asielrelaas van eiser en onderbouwen dit relaas. Daaruit volgt dat deze documenten ook tezamen met het relaas dienen te worden bezien bij de beslissing op de herhaalde aanvraag. Te meer nu artikel 31, eerste lid, Vw 2000 spreekt over omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. De rechtbank ziet hierin een bevestiging van het oordeel dat de vraag of nova aanleiding geven tot een inhoudelijke heroverweging niet slechts is beperkt tot de vraag of deze nova op zichzelf tot een inhoudelijke heroverweging aanleiding kunnen geven, doch dat ook dient te worden bezien of deze nova tezamen met het relaas tot heroverweging aanleiding kunnen geven. Gesteld noch gebleken is dat verweerder in het bestreden besluit voornoemde nova tezamen met het relaas van eiser heeft bezien. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/61591 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1969, van Congolese nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. N.J.A. Hennipman-Karelse, advocaat te Utrecht,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Kruijdenberg, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 16 juli 2002 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 17 juli 2002 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 5 augustus 2002 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 6 augustus 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 9 augustus 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 20 augustus 2002. Op 20 augustus 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 4 oktober 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brieven van 22 oktober 2002 en 23 oktober 2002 heeft eiser zijn standpunt nog nader onderbouwd.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. de Bok als tolk in de Franse taal.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Bij uitspraak van 23 mei 2002 heeft deze rechtbank en zittingplaats het beroep van eiser, tegen de afwijzing van de eerste aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 van 2 mei 2002, ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft ter ondersteuning van zijn tweede asielaanvraag de volgende documenten overgelegd:

een identiteitskaart van eiser;

het origineel van het „Bulletin de Service“, nummer 230/02, van 17 april 2002, waarvan in de vorige procedure van eiser reeds een kopie is overgelegd (hierna: Bulletin). Dit Bulletin is een document waarin wordt gesproken van opsporing en aanhouding van een persoon genaamd A;

een document afkomstig van ‘Forces novatrices de l’union pour la solidarité F.O.N.U.S.’ van 24 mei 2002 (hierna: document van FONUS), waarin wordt bevestigd dat een persoon genaamd A activiteiten heeft verricht voor deze partij, alsmede dat deze persoon wordt gezocht in verband met een studentendemonstratie;

een rapport van het Comité pour la Democratie et les Droits de l’Homme van 28 juni 2002 (hierna: Rapport), waarin onder meer wordt gesteld dat het Bulletin een authentiek document is, dat de persoon genoemd in dit document eiser betreft en waarin wordt verklaard hoe het Bulletin in Nederland terecht is gekomen. Tevens bevat het informatie met betrekking tot de activiteiten van eiser voor FONUS.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. De door eiser overgelegde documenten kunnen niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

De identiteitskaart had eiser reeds in de eerste procedure over moeten leggen. Aan de identiteitskaart komt ook niet het door eiser gewenste gewicht toe, omdat de vervolging van eiser niet aannemelijk is gemaakt. Daarbij komt dat niet zonder meer van de echtheid van dit document kan worden uitgegaan.

Het origineel van het Bulletin is geen nieuw feit of een veranderde omstandigheid, nu er in de vorige procedure van eiser reeds een kopie van het document is overgelegd en de inhoud van het document toen reeds in de overwegingen is betrokken. Uit het document blijkt ook niet waarop de opsporing en de aanhouding van eiser is gebaseerd, waardoor de relatie tussen het document en het asielrelaas van eiser niet is gebleken. Eiser heeft ook erkend dat er geen opsporingsbevel voor hem is uitgegaan.

Het document van FONUS is geen nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid, omdat het betrekking heeft op een grond die reeds in de eerste procedure is besproken. Daarbij maakt het document niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en het kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.

Het Rapport heeft eveneens betrekking op een grond die in de eerste procedure reeds is besproken. De inhoud van het Rapport zou overigens ook niet tot een ander oordeel hebben kunnen leiden, nu het document opmerkelijkheden bevat, waardoor aan de authenticiteit van het document kan worden getwijfeld. Zo wordt in het Rapport een broer genoemd van eiser, die in werkelijkheid een neef van eiser zou zijn. Voorts is het bevreemdend dat de broer dan wel neef van eiser op de hoogte is van het feit dat eiser de data van de demonstraties heeft verward.

2. Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb en dat de overgelegde documenten voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om nader onderzoek te verrichten.

Allereerst is de identiteitskaart die eiser heeft overgelegd te beschouwen als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid, nu het ontbreken van dit document in het besluit van verweerder van 5 mei 2002 aan eiser is tegengeworpen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom aan de authenticiteit van de identiteitskaart wordt getwijfeld.

Ten tweede is het origineel van het Bulletin te beschouwen als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid, nu de rechtbank in zijn uitspraak van 23 mei 2002 heeft geoordeeld dat aan de kopie van het Bulletin geen doorslaggevend belang kan worden gehecht omdat het een kopie is en geen origineel. Dat de relatie tussen het asielrelaas en het document niet direct blijkt, doet niet af aan het gewicht van het document. Uit het document blijkt duidelijk dat het gaat om een arrestatie en voorgeleiding teneinde eiser te doen horen over hem ten laste gelegde feiten. Eiser heeft in de vorige procedure niet verklaard dat er geen opsporingsbevel voor hem is uitgegaan, maar alleen dat hij deze niet heeft gezien.

Het document van FONUS is eveneens te beschouwen als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid, nu verweerder in het besluit van 5 mei 2002 stelde dat de politieke activiteiten van eiser niet aannemelijk zijn en dat documenten ter staving van die politieke activiteiten ontbreken. Uit het document van FONUS blijkt dat eiser actief is geweest voor deze partij.

Voorts is het Rapport te beschouwen als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid. Eiser heeft een afdoende verklaring gegeven voor de verwarring die is ontstaan naar aanleiding van het wisselende gebruik van de termen broer en neef. Een aantal punten in de verklaringen zijn geverifieerd door een erkende mensenrechtenorganisatie. Dat uit het Rapport blijkt dat men op de hoogte is van de dataverwarring van eiser spreekt alleen maar voor de waarheidsgetrouwheid van dit rapport. Daarbij leiden de onjuistheden in het Rapport niet tot de conclusie dat het niet authentiek is.

Gelet op de korte duur van de aanmeldcentrum-procedure, kan het eiser niet worden aangerekend dat hij deze documenten niet in de eerdere procedure heeft overgelegd. Eiser verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juni 2001 (JV 2002, 243).

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Vooropgesteld wordt dat deze zittingsplaats van de rechtbank bij uitspraak van 23 mei 2002 heeft geoordeeld dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling, dat hij bij uitzetting naar de Democratische Republiek Congo geen reëel risico loopt op een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat evenmin sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard die tot verblijfsaanvaarding nopen. De aanvraag van 16 juli 2002, welke ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, is derhalve een nieuwe aanvraag in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

3. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

4. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat het document van FONUS en het Rapport wel nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn als bedoeld in voornoemd artikel en dat verweerder de aanvraag derhalve niet ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel heeft kunnen afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Gelet op de datum van beide documenten - 24 mei 2002 respectievelijk 28 juni 2002 - en het gegeven dat de documenten het resultaat zijn van nader onderzoek in de Democratische Republiek Congo, kan niet gesteld worden dat deze documenten in het kader van de behandeling van de oorspronkelijke aanvraag hadden kunnen en hadden behoren te worden overgelegd.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit van 6 augustus 2002 ten overvloede heeft gesteld dat de beide documenten niet kunnen leiden tot een andere beslissing dan het besluit op de aanvraag van 2 mei 2002. De rechtbank is echter van oordeel dat indien er sprake is van nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden niet slechts ruimte bestaat voor de toets of de documenten ‘op zichzelf’ tot een heroverweging kunnen leiden. De genoemde documenten vormen een onderdeel van het asielrelaas van eiser en onderbouwen dit relaas. Daaruit volgt dat deze documenten ook tezamen met het relaas dienen te worden bezien bij de beslissing op de herhaalde aanvraag. Te meer nu artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 spreekt over omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. De rechtbank ziet hierin een bevestiging van het oordeel dat de vraag of nova aanleiding geven tot een inhoudelijke heroverweging niet slechts is beperkt tot de vraag of deze nova op zichzelf tot een inhoudelijke heroverweging aanleiding kunnen geven, doch dat ook dient te worden bezien of deze nova tezamen met het relaas tot heroverweging aanleiding kunnen geven. Gesteld noch gebleken is dat verweerder in het bestreden besluit voornoemde nova tezamen met het relaas van eiser heeft bezien.

6. Op grond van het voorgaande wordt het beroep gegrond verklaard en wordt het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het gestelde in de artikelen 3:2, 3:46 en 4:6 van de Awb alsmede artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.

7. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 322,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift; waarde per punt 322,--).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 322 ,-- (zegge: driehonderd

en tweeëntwintig euro ), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2003, door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.F. Koenis, griffier.

Afschrift verzonden op: 16 januari 2003

Conc: HK

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.