Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6687

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
01-04-2003
Zaaknummer
AWB 03/873 BESLU, AWB 03/1260 en 03/1261 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg.nr. AWB 03/873 BESLU, AWB 03/1260 en 03/1261 BESLU

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening van

1. de Vereniging Behoud Stadsschoon te Gouda, vertegenwoordigd door [gemachtigde sub 1], wonende te Gouda, en

2. [gemachtigde sub 2], wonende te Gouda,

verzoekers, tevens eisers in de bodemzaken (hierna: eisers),

ten aanzien van de besluiten van 21 maart 2003 van het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder, waarbij de bezwaren van eisers tegen de bij het besluit van 27 juni 2002 verleende vergunning ongegrond zijn verklaard.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 27 juni 2002 heeft verweerder in verband met herinrichting van het kernwinkelgebied te Gouda op grond van de Bodemverordening Gouda vergunning verleend tot het (doen) verplanten van een plataan, staande op de Markt, naar een nader te bepalen locatie in Gouda. Dit besluit is op 26 juni 2002 in de Goudse Post gepubliceerd.

Bij brieven van respectievelijk 16 juli 2002 en 30 juli 2002 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning.

Bij brief van 27 juli 2002 is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 5 augustus 2002 heeft verweerder meegedeeld dat het verplaatsen van de betreffende boom wordt gecombineerd met het herbestraten van de Markt en dat de uitvoering van de werkzaamheden rond de jaarwisseling is gepland. Aangezien verweerder verwachtte dat op dat moment op de bezwaren een beslissing zou zijn genomen, is het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 9 september 2002 afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft op 21 januari 2003 een hoorzitting plaatsgevonden.

Nadat hun mondeling was meegedeeld dat de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften verweerder zou adviseren de bezwaren ongegrond te verklaren, hebben eisers bij brief van 1 maart 2003 de voorzieningenrechter opnieuw verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 5 maart 2003 heeft verweerder aan de sector Stadswerken van de gemeente Gouda een aanlegvergunning verstrekt voor het verwijderen van een boom met bak op de Markt te Gouda tegenover de huisnummers 37-39.

Bij de thans bestreden besluiten van 21 maart 2003 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 10 maart 2003, de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat in de vergunning wordt opgenomen dat de onderhavige boom dient te worden herplant in het openbare plantsoen aan de Bogen nabij de Mallegatsluis.

Tegen laatstgenoemde besluiten hebben eisers bij brieven van 25 maart 2003 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Nu op de bezwaren is beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden en tegen deze besluiten beroep is ingesteld wordt het verzoek om een voorlopige voorziening ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van

27 maart 2003.

Eisers zijn in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door F.A. Bottenberg.

Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

Tussen partijen is in geschil of verweerder op goede gronden zijn besluit om een vergunning te verlenen tot het (doen) verplanten van een plataan op de Markt naar een andere locatie in Gouda heeft gehandhaafd.

Ingevolge artikel 2 van de Bomenverordening is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen. Onder vellen wordt in deze verordening mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Bomenverordening kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

- natuur- en milieuwaarden

- landschappelijke waarden

- cultuurhistorische waarden

- waarden van stads- en dorpsschoon

- waarden voor recreatie en leefbaarheid.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van de vergunning zoveel mogelijk wordt verwezen naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen.

De locatie van de onderhavige boom is opgenomen in het bestemmingsplan Nieuwe Markt e.o. en heeft daarin de bestemming 'stadserf' met de aanduiding 'waardevolle boom'. Voor het vellen of rooien van een dergelijke boom is ingevolge artikel 19, eerste lid, sub d, van de planvoorschriften een aanlegvergunning vereist.

De in geding zijnde vergunning is verleend in verband met de herinrichtingsplannen van de Markt in Gouda. Naar is aangegeven heeft verweerder in november 2000 in principe ingestemd met het verwijderen van de vier op het marktplein aanwezige bomen met bakken op grond van de volgende overwegingen: 1) handhaving van de bomen doet geweld aan de consequent in het totale kernwinkelgebied doorgevoerde zonering; en 2) grote objecten op de Markt (in dit geval bomen) verzwakken de unieke ruimtewerking en culturele betekenis hiervan en vervlakken de bebouwing. Na overleg met diverse belangen- en maatschappelijke organisaties (waaronder de Vereniging Behoud Stadsschoon) is verweerders principebesluit in maart 2001 besproken tijdens een gezamenlijke vergadering van de betrokken raadscommissies en is besloten het al dan niet verwijderen van de bomen voor te leggen aan de gemeenteraad. Mede naar aanleiding van de in de vergadering aangevoerde argumenten, die pleiten voor handhaving van de bomen op de Markt, heeft verweerder zijn principebesluit heroverwogen. Op 24 september 2001 heeft verweerder de volgende keuzemogelijkheden aan de gemeenteraad voorgelegd:

a) handhaving van de bestaande situatie met vier bomen op de Markt;

b) herinrichting zonder bomen op de Markt;

c) herinrichting met behoud van drie bomen op de Markt.

De gemeenteraad heeft in meerderheid besloten in te stemmen met het voorstel tot herinrichting van de Markt met behoud van drie bomen.

Verweerder is nagegaan of met enige aanpassing van de symmetrie van het pleingedeelte de voor het totale kernwinkelgebied voorgestane uniforme zonering geen geweld wordt aangedaan. Door een relatief geringe aanpassing van het ontwerp vormen de bomen aan de oostzijde van de Markt geen belemmering meer voor de herinrichting. De boom aan de westzijde is nooit een belemmering voor de herinrichting geweest. Handhaving van de boom aan de noordzijde zou echter niet mogelijk zijn zonder een substantiële aanpassing van het ontwerp. De diepte van de terrassenzone zou dan moeten worden gehalveerd. Verweerder acht zo'n aanpassing van het ontwerp niet alleen esthetisch onverantwoord, maar het zou ook tot praktische problemen leiden. Het verschuiven van de boom naar het pleingedeelte zou volgens verweerder evenmin mogelijk zijn, omdat dit grote problemen zou opleveren voor het goed functioneren van de warenmarkt en de kaas- en ambachtenmarkt. Bovendien zou de boom dan op zodanig korte afstand van de boom aan de westzijde van de Markt komen te staan dat er een disharmonie zou ontstaan, aldus verweerder.

Eisers kunnen zich met het besluit om de onderhavige boom te verplaatsen naar een andere locatie in Gouda niet verenigen. Ter ondersteuning van hun verzoek om een voorlopige voorziening hebben eisers aangevoerd dat de boom ruim 33 jaar oud is, een stamdikte van 40 cm heeft en 13 jaar geleden met de drie andere bomen na veel overleg en grote kosten op de huidige locatie is geplaatst. Voorts is gesteld dat er zeer weinig groen is in de binnenstad en dat verwijdering van de boom indruist tegen de wil van de overgrote meerderheid van de Goudse bevolking. Zo blijkt uit een gehouden enquête dat 96% van de Goudse bevolking voor handhaving van de boom op de Markt is. Volgens eisers zou de symmetrische vormgeving van de Markt juist met het behoud van vier bomen zijn gediend. Verder hebben zij erop gewezen dat de schreeuwerige gevel van Radio Modern na verwijdering van de boom vanaf de gehele Markt zichtbaar is. Ten slotte zijn eisers van mening dat het heel goed mogelijk is om de boom drie meter zuidwaarts naar het pleingedeelte van de Markt te verplaatsen. Dit zou voor hen wel aanvaardbaar zijn.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om te treden in de beoordeling van de doelmatigheid of de wenselijkheid van het genomen besluit als zodanig. Uit artikel 4 van de Bodemverordening vloeit voort dat een vergunning als de onderhavige in beginsel kan worden verleend, tenzij een van de daarin genoemde weigeringsgronden zich voordoet. Indien zich een weigeringsgrond voordoet, hetgeen in casu het geval is, moet het daarmee verbonden belang worden afgewogen tegen de belangen die met het verlenen van de vergunning zijn gediend.

De voorzieningenrechter dient zich daarom te beperken tot de vraag of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het verlenen van de in geding zijnde vergunning heeft kunnen besluiten.

Gelet op hetgeen uit de stukken en het verhandelde ter zitting haar voren is gekomen is de voorzieningenrechter er niet van overtuigd dat in het onderhavige geval alle in aanmerking te nemen belangen en mogelijkheden voldoende zijn afgewogen. Uit het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, dat verweerder aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd, kan ook niet worden afgeleid dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging heeft plaatsgevonden, zoals in artikel 7:11 van de Awb is vereist. Zo is niet gebleken dat het voorstel van eiser [gemachtigde sub 2] om de betreffende boom drie meter zuidwaarts naar het pleingedeelte te verplaatsen (door hem de 'Ei van Columbus' variant genoemd) in de overwegingen van de commissie is betrokken. In het advies van de commissie is slechts aangegeven dat het voorstel van de heer [gemachtigde sub 2] in de raadsvergadering is besproken, hetgeen overigens door de laatste ter zitting is weersproken. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in zijn nader advies aan de gemeenteraad van 12 september 2001 wel op genoemd voorstel is ingegaan, maar dat dit niet als een van de keuzemogelijkheden aan de gemeenteraad is voorgelegd. Het opschuiven van de boom naar het pleingedeelte van de Markt zou volgens verweerder betekenen dat er dan minder ruimte beschikbaar is voor de warenmarkt. Onduidelijk is echter in hoeverre de ambulante handel hiermee zou zijn geschaad. Gesteld noch gebleken is dat er een tekort aan ruimte is voor de marktkramen of dat er marktkramen zouden moeten verdwijnen indien de betreffende boom drie meter zuidwaarts naar het pleingedeelte zou worden verplaatst. Verweerder kon hierover ter zitting ook geen duidelijkheid verschaffen. Overigens is door eisers gesteld dat het aantal kramen op de markt de laatste tijd aanzienlijk is afgenomen. Op grond van de beschikbare gegevens kan dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog niet worden gezegd dat aan het belang dat is gemoeid met het verwijderen van de boom meer gewicht dient te worden toegekend dan aan de belangen die de Bomenverordening beoogt te beschermen.

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:11 van de Awb niet in stand kunnen blijven. De beroepen zijn dan ook gegrond en verweerder zal opnieuw op de bezwaren van eisers dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Gelet op de belangen van eisers ziet de voorzieningenrechter tevens aanleiding het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb in te willigen in dier voege dat de in geding zijnde vergunning wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de nieuwe besluiten op bezwaar.

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de bestreden besluiten;

Bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaren van eisers zal beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in dier voege dat de bij het besluit van 27 juni 2002 verleende vergunning wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de nieuwe besluiten op bezwaar;

Gelast dat de gemeente Gouda als rechtspersoon aan eisers het door hen betaalde griffierecht, zijnde € 232,-, vergoedt.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. C.C. de Rijke-Maas, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2003, in tegenwoordigheid van de griffier M. van Vlodrop.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op:

Reg.nr. AWB 03/873, AWB 03/1260 en 03/1261 BESLU