Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6576

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
AWB 03/6897, 03/6898
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AC-procedure / medisch advies.

De gemachtigde van verzoeker brengt tijdens de AC-procedure naar voren dat verzoeker een zeer gespannen indruk maakt. Op aanvraag van verweerder is een medisch advies uitgebracht. De voorzieningenrechter heeft niet kunnen vaststellen of het medisch advies is opgemaakt door een medicus dan wel een daartoe bevoegde autoriteit en een ter zake deskundig persoon. Uit het rapport valt voorts niet op te maken of verzoeker in persoon is gezien of gesproken, of en wat voor een onderzoek is verricht, en of verzoeker de gelegenheid is geboden klachten met gebruikmaking van een tolk naar voren te brengen. Reeds vanwege het voorgaande kan de voorzieningenrechter niet beoordelen of er medische beletselen bestonden om het nader gehoor af te nemen. Voor de rechter dient immers inzichtelijk te zijn of het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen en of het inhoudelijk concludent is. De opsteller van het medisch advies maakt - ondanks het ontbreken van een daartoe strekkende opsomming van klachten dan wel daartoe strekkende aanleiding - melding van een bloedsuikergehalte bij verzoeker dat niet op het vereiste niveau verkeert. Als gevolg daarvan kan een aantal vragen in het medisch advies niet gelijk beantwoord worden. Het antwoord op die vragen wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van de bloedsuikers op een later moment. In de avond van de dag waarop het eerste medisch advies is uitgebracht en het nader gehoor heeft plaatsgevonden, worden de in eerste instantie niet beantwoorde vragen alsnog beantwoord. Verweerder had aanleiding moeten zien de zaak niet in het AC af te doen, nu de medische situatie van verzoeker (een combinatie van) verschillende aandachtspunten (de signalering door rechtshulp ten tweeden male van gespannenheid, zo niet overspannenheid bij verzoeker, het kennelijk niet in orde zijn van het bloedsuikergehalte van verzoeker tijdens het afnemen van het nader gehoor en het door verzoeker gestelde seksuele misbruik) inhield, die ten minste het risico van een niet zorgvuldige afdoening binnen het AC met zich brachten. Verweerder heeft dan ook hetgeen verzoeker tijdens het nader gehoor heeft verklaard, niet aan zijn beslissing ten grondslag kunnen leggen.

Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2003-02-21
Algemene wet bestuursrecht 3:2, geldigheid: 2003-02-21
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2003-02-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/234

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 03/6897 (voorlopige voorziening)

Awb 03/6898 (beroep)

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1977,

van Sudanese nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0301.30.8075,

verzoeker,

gemachtigde: mr. S.R. Nohar, advocaat te Lemmer;

en DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. P. van IJzendoorn, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1 Op 30 januari 2003 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 3 februari 2003 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2 Bij beroepschrift van 3 februari 2003 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beschikking van verweerder van 3 februari 2003. Dit beroep is geregistreerd onder Awb 03/6898. Verzoeker is medegedeeld dat hij de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten.

1.3 Bij verzoekschrift van 3 februari 2003 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 14 februari 2003. Verzoeker is aldaar niet verschenen. Voor verzoeker is verschenen mr. R. Kakes, kantoorgenoot van mr. S.R. Nohar. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2 Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn asielrelaas, samengevat, het volgende naar voren gebracht. In september 2001 is verzoeker gearresteerd door de politieke veiligheidsdienst vanwege een demonstratie van de communistische partij in zijn woonplaats. Verzoeker is, na een nacht te zijn vastgehouden, de volgende morgen vrijgelaten. Op 20 november 2002 is verzoeker wederom gearresteerd, toen hij op het paspoortenbureau een aanvraag voor een paspoort indiende. Verzoeker wilde aldus nagaan of er een verbod om het land te verlaten voor hem van kracht was. De aanvraag werd geweigerd. Verzoeker werd naar de veiligheids- en inlichtingendienst in hetzelfde gebouw gebracht. Daar werd verzoeker meegedeeld dat hij een uitreisverbod had en niet weg mocht. Verzoeker werd vervolgens tot de volgende dag vastgehouden. Tegen betaling van een borgsom door zijn vriend B, een politieman, werd hij vrijgelaten. Verzoeker werd meegedeeld dat hij op 23 november 2002 terug moest komen bij dezelfde dienst. Op zaterdag 23 november 2002 is verzoeker gevangengenomen, nadat hij zich gemeld had. Op 25 november 2002 is verzoeker seksueel misbruikt. Verzoeker heeft op 27 november 2002 weten te ontsnappen, waarna hij op 10 januari 2003 Sudan heeft verlaten.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen. Onder toepassing van artikel 31, tweede lid, sub f, Vw 2000, heeft verweerder overwogen dat het verzoeker toegerekend wordt dat hij de verklaring van verlies van zijn nationaliteitsdocument niet heeft overgelegd. Op grond hiervan is de oprechtheid van verzoekers asielrelaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas. Voorts wordt overwogen dat verzoeker verschillende onaannemelijke verklaringen ten aanzien van zijn asielrelaas heeft afgelegd, zoals de gestelde omstandigheid dat verzoeker op 20 november 2002 is opgepakt toen hij een paspoort aanvroeg. Het wordt niet aannemelijk geacht dat verzoeker op borgtocht is vrijgelaten. Verder wordt de ontsnapping van verzoeker als niet geloofwaardig aangemerkt. Aan de door verzoeker overgelegde oproep kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, nu dit document volgens de Koninklijke Marechaussee (KMAR) eenvoudig van opmaak is en daardoor eenvoudig te vervaardigen/vervalsen. Voorts geeft de inhoud van de oproep geen uitsluitsel over de reden van de oproep. Gezien de onaannemelijke en ongeloofwaardige verklaringen van verzoeker bestaat er geen aanleiding de door verzoeker overgelegde oproep nader te onderzoeken.

Waar verzoeker, in weerwil van het vorengaande, wel dient te worden gevolgd in zijn verklaringen, overweegt verweerder het volgende. Weliswaar is verzoeker ervan beschuldigd deel uit te maken van de communistische partij, doch de handelwijze van de veiligheidsdienst duidt er allerminst op dat verzoeker werd beschouwd als een belangrijk politiek opposant. Tot november 2002 is verzoeker ongemoeid gelaten.

Aan het door verzoeker gestelde seksueel misbruik kan geen overwegende betekenis worden toegekend, omdat de verklaringen van verzoeker, met name ten aanzien van zijn ontsnapping, ongeloofwaardig zijn. Ook over de aanleiding van zijn detentie heeft verzoeker verschillende onaannemelijke verklaringen afgelegd.

Met betrekking tot het medisch advies van 2 februari 2003 merkt verweerder op dat navraag bij de Medische Dienst heeft geleerd dat de bloedsuikerspiegel van verzoeker aanvankelijk te hoog was, doch dat later sprake was van een normale bloedsuikerspiegel, waardoor geen medische voorzorgsmaatregelen noodzakelijk werden geacht. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat de arts in het medisch advies heeft geoordeeld dat er geen acute psychiatrische problemen zijn. Er bestaat dan ook geen aanleiding verzoeker op grond van artikel 64 Vw opvang te verlenen.

2.4 Verzoeker heeft verwezen naar de inhoud van de zienswijze, waarvan de inhoud als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Ten aanzien van het toepassen van artikel 31, tweede lid, sub f, Vw 2000 door verweerder voert verzoeker aan dat hij twee documenten heeft overgelegd. Met de door hem overgelegde leeftijdsverklaring heeft verzoeker zijn nationaliteit aangetoond.

In Sudan is het gebruikelijk dat iemand onder het betalen van een borgsom tijdelijk, onder oplegging van een meldplicht, vrijgelaten wordt. Dat verzoeker van september 2001 tot 20 november 2002 ongemoeid is gelaten, is niet vreemd. Immers, juist door een paspoort aan te vragen heeft verzoeker de negatieve aandacht van de autoriteiten wederom op zich gevestigd. Het is niet onaannemelijk dat de politieman de borgtocht voor verzoeker heeft betaald; hij was immers een vriend van verzoeker.

Nu uit het onderzoek door de KMAR niet blijkt dat de door verzoeker overgelegde oproep vals is, dient ervan te worden uitgegaan dat het document authentiek is en dat verzoeker is opgeroepen. Volgens het Handbook verdient verzoeker alsdan het voordeel van de twijfel. Voorzover het gezien verzoekers trauma van hem verwacht kan worden, is zijn asielrelaas juist gedetailleerd en consistent. Verzoeker bestrijdt dan ook dat hij onaannemelijke en ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd en dat als gevolg daarvan geen aanleiding zou bestaan het document nader te onderzoeken. Nu verzoeker een uitreisverbod heeft gekregen, moet geconcludeerd worden dat het de veiligheidsdienst wel degelijk specifiek om verzoeker te doen was. Vanwege zijn aanvraag van een paspoort heeft verzoeker juist de negatieve aandacht van de autoriteiten op zich gevestigd. Bij gedwongen terugkeer loopt verzoeker dan ook het risico op een behandeling als verboden in artikel 3 EVRM. Zijn ontsnapping vormt een strafverzwarende omstandigheid.

In zijn land van herkomst is verzoeker mishandeld en seksueel misbruikt. Als gevolg daarvan is verzoeker getraumatiseerd. Verzoeker heeft een overspannen en getraumatiseerde indruk gemaakt. Weliswaar staat in het medisch advies van 2 februari 2003 dat er geen acute psychiatrische problemen bestaan, doch het advies sluit niet uit dat er wel degelijk psychiatrische problemen kunnen zijn. Er bestaat dan ook aanleiding om verzoeker door een specialist te laten onderzoeken.

De aanvraag van verzoeker is ten onrechte in het Aanmeldcentrum (AC) afgedaan. Een zorgvuldige besluitvorming vereist dat onderzocht wordt of de door verzoeker overgelegde oproep authentiek is.

Beoordeling van het verzoek

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.5 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, en c Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

2.6 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.7 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Sudan zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29 Vw 2000, voor zover hier van belang, moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot verzoeker persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

2.8 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet artikel 31, tweede lid, sub f, Vw 2000 heeft kunnen toepassen. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt te dien aanzien allereerst overwogen dat verzoeker geen documenten heeft overgelegd. Verzoeker heeft echter een verklaring van een arts dat verzoeker op 1 januari 1977 is geboren, ingebracht. Verweerder heeft dit document niet in zijn beoordeling betrokken. Verweerder acht het voorts toerekenbaar dat verzoeker de verklaring van verlies van zijn nationaliteitsdocument niet heeft meegenomen. De voorzieningenrechter vermag echter niet in te zien op welke grond verweerder dit document noodzakelijk acht voor de beoordeling van de asielaanvraag van verzoeker, nu verzoeker ten aanzien van dat document heeft verklaard dat die verklaring vals is en dat hij een politieagent geld betaald heeft om het te verkrijgen. Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter aangaande dit onderdeel dat in het voornemen onder de toepassing van artikel 31, tweede lid, sub f, Vw 2000, niets is opgenomen over het ontbreken van reisdocumenten, terwijl verzoeker in de beschikking het ontbreken van reisdocumenten wel wordt tegengeworpen. Gezien het vorenoverwogene heeft verweerder niet in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat de oprechtheid van het asielrelaas van verzoeker op voorhand is aangetast en dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van dat relaas.

2.9 In de brief van 2 februari 2003 heeft mr. K. Wijnmalen verweerder gemeld dat verzoeker "een zeer gespannen, zo niet overspannen indruk" maakt. Verweerder heeft daarop op 2 februari 2003 een aanvraag medisch advies gedaan. Op dezelfde datum is om 13.30 uur medisch advies uitgebracht door K.J.J. Waldeck. Allereerst geldt dat de voorzieningenrechter niet heeft kunnen vaststellen of het medisch advies is opgemaakt door een medicus dan wel een daartoe bevoegde autoriteit en een ter zake deskundig persoon. Voorts valt uit het rapport niet op te maken of verzoeker in persoon is gezien en/of gesproken, of er een onderzoek is verricht en zo ja, wat voor onderzoek, en voorts of verzoeker de gelegenheid is geboden klachten met gebruikmaking van een tolk naar voren te brengen. Reeds vanwege het voorgaande kan de voorzieningenrechter niet beoordelen of er medische beletselen bestonden om het nader gehoor af te nemen. Voor de voorzieningenrechter dient immers inzichtelijk te zijn of het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen en of het inhoudelijk concludent is. Het voorgaande klemt eens te meer, nu niet alleen zijdens rechtshulp is gewezen op mogelijke psychische problematiek bij verzoeker, doch nu het advies zelf -ondanks het ontbreken van een daartoe strekkende opsomming van klachten dan wel een "aanleiding adviesaanvraag en achtergrondinformatie"- ook nog gewag maakt van de hoogte van het bloedsuikergehalte van verzoeker, welk bloedsuikergehalte op 2 februari 2003 niet op het vereiste niveau verkeerde. Dit blijkt uit de door K.J.J. Waldeck geplaatste opmerkingen naar aanleiding van de vragen 4, 6 en 7 in het medisch advies. Het nader gehoor is op 2 februari 2003 overdag -zo blijkt uit het "Overzicht: Voortgang procedure AC Ter Apel"- afgenomen, terwijl op diezelfde dag in het medisch advies om 13.30 uur onder meer de vraag of er een acute medische noodzaak is voor medische behandeling van verzoeker, is beantwoord met: "afhankelijk hoogte bloedsuikers". Voorts luidt op diezelfde datum eerst om 21.00 uur -blijkens de in vergelijking met het eerder uitgebrachte medisch advies toegevoegde aantekeningen op het medisch advies- het antwoord op voormelde vraag ontkennend. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bloedsuikergehalte van verzoeker tijdens het afnemen van het nader gehoor, welk gehoor van cruciaal belang is bij de beoordeling van de asielaanvraag, niet in orde was. Aldus valt niet uit te sluiten dat zich tijdens het afnemen van het nader gehoor omstandigheden hebben voorgedaan, die van invloed zijn geweest op de door verzoeker afgelegde verklaringen en antwoorden.

Hier komt nog bij dat mr. H.K. Westerhof in de zienswijze van 3 februari 2003 wederom heeft aangevoerd dat verzoeker een gespannen en getraumatiseerde indruk maakt. Voorts heeft hij aangevoerd dat verzoeker tijdens het nader gehoor heeft aangegeven dat hij grote moeite heeft over het seksueel misbruik te praten. Bovendien heeft verzoeker, zo schrijft mr. Westerhof in de zienswijze, verzocht om onderzoek van een arts in dezen. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder, voorzover verweerder daartoe niet al eerder aanleiding had moeten zien, zich zeker op dat moment had dienen te beraden op de vraag of afdoening in het AC nog wel aan de orde kon zijn, nu er medisch gezien een aantal elementen tegelijk speelden: de signalering door de rechtshulp ten tweeden male van gespannenheid, zo niet overspannenheid bij verzoeker, het kennelijk niet in orde zijn van het bloedsuikergehalte van verzoeker tijdens het afnemen van het nader gehoor en het door verzoeker gestelde seksuele misbruik. In het nader gehoor zijn aanwijzingen te vinden, in welke verweerder aanleiding had moeten zien om de zaak niet in het aanmeldcentrum af te doen.

Zo heeft verzoeker tijdens het nader gehoor op de vraag door hoeveel personen en hoe vaak hij seksueel is misbruikt, geantwoord dat hij daar liever geen antwoord op geeft. Op de vraag of er dingen zijn gebeurd die hij niet kan vertellen in het bijzijn van een mannelijke tolk en een mannelijke ambtenaar, heeft verzoeker geantwoord dat hij daar verder niet over wil praten. Bovendien heeft verzoeker tijdens het nader gehoor te kennen gegeven graag door een arts te willen worden onderzocht. Dit alles geldt eens te meer, waar mr. Westerhof in de zienswijze heeft opgenomen: "Betrokkene is onderzocht door de medische dienst. Deze heeft uitsluitend de fysieke gesteldheid van betrokkene onderzocht en geconstateerd dat hij lijdt aan diabetes. Men heeft hem geadviseerd zich hiervoor grondig te laten onderzoeken zodat er adequate behandeling kan plaatsvinden. De medische dienst op dit centrum is hiertoe niet voldoende uitgerust. De medische dienst heeft, ondanks het verzoek van de vorige rechtsbijstandverlener, nagelaten de psychische conditie van betrokkene te onderzoeken.". Verweerder had aanleiding moeten zien de zaak niet in het AC af te doen, nu de medische situatie van verzoeker (een combinatie van) verschillende aandachtspunten inhield, die ten minste het risico op een niet zorgvuldige afdoening binnen het AC met zich brachten. In dit kader wordt nog overwogen dat het medisch advies voor verweerder zelf onvoldoende duidelijk was, blijkens de memo van 3 februari 2003 van verweerder.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder hetgeen verzoeker tijdens het nader gehoor heeft verklaard, niet aan zijn beslissing ten grondslag kunnen leggen. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten onrechte binnen de aanmeldcentrum-procedure is afgewezen. Verweerder heeft de beslissing op de aanvraag - te meer gelet op de summiere opsomming van medische klachten als aanleiding voor het medisch advies - in strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid.

In het licht van het voorgaande behoeven de overige grieven van verzoeker geen bespreking meer.

2.10 Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beschikking niet in stand kan worden gelaten. Het beroep is derhalve gegrond. Nu het beroep gegrond is verklaard, is het belang aan de gevraagde voorziening komen te ontvallen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal derhalve worden afgewezen.

2.11 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de voorlopige voorziening en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, zijnde een bedrag ad € 966,- (1 punt voor het verzoekschrift; 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; wegingsfactor 1; in totaal: 3 x € 322,- = € 966-.).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 03/6898, gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker dient te vergoeden;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr.dr. M.M. Beije, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.M. Eleveld als griffier op 21 februari 2003.

griffier voorzieningenrechter

Tegen de uitspraak in de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 21 februari 2003