Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6556

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
AWB 01/68304
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-tunctoetsing / overleggen stukken.

Vooropgesteld wordt het principe dat het uitgangspunt van de ex-tunctoetsing niet altijd zonder meer prevaleert boven het belang van rechtsbescherming en doelmatige/doeltreffende geschillenbeslechting. De rechtbank is van oordeel dat gegevens of bewijsmiddelen in beginsel niet buiten beschouwing behoeven te worden gelaten op de enkele grond dat zij in de beroepsfase zijn ingebracht. In de uitspraak AWB 01/40292 van 20 juni 2002 was voor de rechtbank van doorslaggevend belang het feit dat verweerders bezwaar tegen het meenemen van de in beroep overgelegde arbeidsovereenkomst enkel was gegrond op het feit dat het desbetreffende stuk te laat in de procedure was ingebracht. De rechtbank achtte voorts van belang dat eiseres niet in de bezwaarfase, doch eerst in de beroepsfase werd bijgestaan door een advocaat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de omstandigheden in het geval van eiser wezenlijk anders. Eiser heeft een kopie van het paspoort eerst een dag voor de zitting overgelegd, terwijl vaststaat dat in voornoemde procedure het stuk reeds ruim zeven maanden voor de zitting was overgelegd. Anders dan in de zaak waarin op 20 juni 2002 uitspraak is gedaan, is eiser voorts gedurende de onderhavige procedure steeds bijgestaan door zijn advocaat en heeft hij voor het late tijdstip van het overleggen van (de kopie van) zijn paspoort geen verschoonbare reden aangevoerd. De rechtbank acht voorts van belang dat het voor verweerder onmogelijk is het overgelegde paspoort ter zitting op authenticiteit te beoordelen, zodat dit in redelijkheid ook niet van verweerder kan worden verlangd. Gelet op voornoemde omstandigheden zal het bestreden besluit ex tunc worden getoetst. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:70, geldigheid: 2003-02-28
Vreemdelingenwet 2000 71, geldigheid: 2003-02-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/68304 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1976, van Togolese nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Broesterhuizen, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij schrijven van 4 augustus 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf (vtv) met als doel „verblijf bij Nederlandse partner C“. Deze aanvraag is op 14 december 1998 ontvangen door de vreemdelingendienst Rotterdam. Op 10 december 1998 heeft de korpschef van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond eenzelfde aanvraag, ingediend door de gemachtigde van eiser, ontvangen. Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder de als één aanvraag aangemerkte aanvragen niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 10 augustus 1999 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 30 augustus 1999. Het bezwaar is bij besluit van 22 november 2001 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 17 december 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 15 januari 2002. Op 15 mei 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 30 juli 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Eiser had tijdens het slaan van het bestreden besluit geen geldig paspoort overgelegd.

2. Ter zitting van 7 september 2000 is eisers verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar behandeld. Bij uitspraak van 21 september 2000 heeft deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat het verweerder wordt verboden (toen) verzoeker uit Nederland te verwijderen zolang nog niet is beslist op het door hem ingediende bezwaarschrift. De rechtbank achtte van belang dat een soortgelijke zaak als die van eiser toen diende voor deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, waarin - op basis van de toentertijd geldende regelgeving - uitspraak zou worden gedaan over de grondslag van het tegenwerpen van het paspoortvereiste. De rechtbank oordeelde dat niet reeds op voorhand kon worden vastgesteld dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had.

3. Bij brief van 6 november 2002 is namens eiser „een kopie van het op 13 november 2001 aan verzoeker door de Togolese autoriteiten afgegeven paspoort“ overgelegd. Ter zitting is door eiser het origineel getoond van voornoemde kopie.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1 Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf. Eiser heeft niet onderbouwd waarom verweerder in zijn geval op grond van artikel 3.72 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 zou moeten afwijken van het wettelijk paspoortvereiste, zoals neergelegd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Verweerder mocht, gelet op de onmiddellijke werking van de Vw 2000 en aanverwante regelingen, derhalve het ontbreken van een geldig paspoort aan eiser tegenwerpen.

1.2 Volgens verweerder maakt het eerst ter zitting overleggen van het originele paspoort van eiser het voorgaande niet anders gelet op het uitgangspunt dat ex tunc moet worden getoetst. Eisers paspoort is blijkens de daarop vermelde gegevens immers reeds op 13 november 2001 afgegeven. Bovendien kan het overgelegde paspoort ter zitting niet op authenticiteit worden beoordeeld. Gelet op het voorgaande komt het in de beroepsfase overleggen (van een kopie) van eisers paspoort en het eerst ter zitting tonen van het origineel daarvan, voor zijn eigen rekening en risico.

In antwoord op een vraag van de rechtbank ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een gelijke situatie als in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 juni 2002 (AWB 01/40292 VRWET), waarin is geoordeeld dat eerst in beroep overgelegde gegevens niet slechts buiten beschouwing kunnen worden gelaten op de enkele grond dat zij in de beroepsfase zijn ingebracht. Voor het buiten toepassing laten van het beginsel van ex tunc-toetsing is volgens de gemachtigde van verweerder een wijziging van de Awb noodzakelijk.

1.3 Overigens voldoet eiser evenmin aan het middelenvereiste en heeft hij niet middels officiële en gelegaliseerde (originele) documenten aangetoond dat hij ongehuwd is, waardoor hij (ook hierom) niet in aanmerking komt voor de gevraagde vtv. Eiser kan voorts geen geslaagd beroep doen op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De door eiser aangevoerde objectieve belemmering om het gezinsleven elders uit te oefenen, gelegen in de medische situatie van de partner van eiser, is niet onderbouwd. Verweerder hoefde voorts in het toewijzen van het verzoek om een voorlopige voorziening door deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, bij uitspraak van 21 september 2000, noch in de gronden van het bezwaar, aanleiding te zien om eiser te horen.

2.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een vtv heeft geweigerd. Eiser heeft slechts een kopie van zijn gelegaliseerde ongehuwdverklaring overgelegd, omdat verweerder vaak stukken kwijtraakt. De toen voor verweerder optredend gemachtigde heeft overigens ter zitting van 7 september 2000 de originele ongehuwdverklaring gezien en toen bevestigd dat kopie en origineel overeenkomen. Ten aanzien van het paspoortvereiste stelt eiser zich primair op het standpunt dat dit aan hem niet mocht worden tegengeworpen, nu op grond van artikel 3.103 van het Vb 2000 het meest gunstige recht, dat wil zeggen de oude Vreemdelingenwet en aanverwante regelingen moeten worden toegepast en het vereiste onder dat recht wettelijke grondslag ontbeerde. Subsidiair stelt eiser dat hij reeds vóór het bestreden besluit aan het paspoortvereiste voldeed. Het paspoort is weliswaar op 13 november 2001 te Lomé (Togo) afgegeven, doch eerst op een later doch onbekend gebleven tijdstip in het bezit van eiser gekomen. Het voorgaande moet op grond van artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 bij de beoordeling van het bestreden besluit door de rechtbank worden meegenomen. Gelet op het feit dat het verzoek om een voorlopige voorziening bij uitspraak van 21 september 2000 is toegewezen, moest verweerder eiser bovendien horen omtrent de redenen van het niet (eerder) kunnen verkrijgen van een paspoort.

2.2 Verweerder moet eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in staat stellen het gezinsleven met zijn Nederlandse partner hier te lande uit te oefenen. In het bloedstollingsprobleem van eisers partner is immers een objectieve belemmering gelegen om het gezinsleven in (het klimaat van) West-Afrika uit te oefenen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ten aanzien van de stelling van eiser dat ingevolge het bepaalde in artikel 3.103 van het Vb 2000 het meest gunstige recht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. Het bestreden besluit dateert van 22 november 2001. Gelet op het bepaalde in artikel 118 van de Vw 2000 heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit terecht het formele recht van de Vreemdelingenwet 1965 toegepast. Artikel 118 Vw 2000 bepaalt echter niet welk materieel recht van toepassing is. Door het ontbreken van een inhoudelijke overgangsbepaling in de Vw 2000 voor gevallen die zich ten tijde van de inwerkingtreding van de Vw 2000 (op 1 april 2000) in de bezwaarfase bevonden, zoals de zaak van eiser, geldt het onmiddellijkheidsbeginsel en is het nieuwe materiële recht direct van toepassing. Hierbij is niet van belang of het toepasselijke nieuwe recht gunstiger is dan het oude recht.

3. Gelet op het voorgaande kon verweerder zich in het bestreden besluit baseren op artikel 16 van de Vw 2000, waarin het paspoortvereiste thans een wettelijke basis heeft. Ingevolge het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Op grond van het bepaalde in artikel 3.72 van het Vb 2000 wordt de aanvraag niet op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, afgewezen indien de vreemdeling naar het oordeel van verweerder heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

4. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij het paspoort niet onmiddellijk op de uitgiftedatum in zijn bezit had en dat het aan zijn aandacht is ontsnapt het paspoort eerder over te leggen dan is geschied. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat uit hetgeen eiser had aangevoerd niet is gebleken dat eiser vanwege de regering van Togo niet (meer) in het bezit van een geldig paspoort kan worden gesteld. Verweerder mocht artikel 3.72 van het Vb 2000 derhalve buiten toepassing laten.

5. Anders dan verweerder stelt eiser zich voorts op het standpunt dat de rechtbank zich ex nunc toetsend over het bestreden besluit kan en moet uitlaten en derhalve het op 13 november 2001 afgegeven paspoort van eiser bij haar beoordeling moet betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat thans geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van het uitgangspunt van ex tunc-toetsing. Hiertoe is het volgende redengevend.

6. Vooropgesteld wordt het principe, zoals reeds neergelegd in eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 juni 2002, dat het uitgangspunt van de ex tunc-toetsing niet altijd zonder meer prevaleert boven het belang van rechtsbescherming en doelmatige/ doeltreffende geschillenbeslechting. De rechtbank is dan ook, anders dan verweerder, van oordeel dat gegevens of bewijsmiddelen in beginsel niet buiten beschouwing behoeven te worden gelaten op de enkele grond dat zij in de beroepsfase zijn ingebracht. In voornoemde uitspraak van 20 juni 2002 was voor de rechtbank van doorslaggevend belang het feit dat verweerders bezwaar tegen het meenemen van de in beroep overgelegde arbeidsovereenkomst enkel was gegrond op het feit dat het desbetreffende stuk te laat in de procedure was ingebracht. De rechtbank achtte voorts van belang dat eiseres niet in de bezwaarfase, doch eerst in de beroepsfase werd bijgestaan door een advocaat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de omstandigheden in het geval van eiser wezenlijk anders. Eiser heeft een kopie van het paspoort eerst een dag voor de zitting overgelegd, terwijl vaststaat dat in voornoemde procedure (AWB 01/40292 VRWET) het stuk reeds ruim zeven maanden voor de zitting was overgelegd. Anders dan in de zaak waarin op 20 juni 2002 uitspraak is gedaan, is eiser voorts gedurende de onderhavige procedure steeds bijgestaan door zijn advocaat en heeft hij voor het late tijdstip van het overleggen van (de kopie van) zijn paspoort geen verschoonbare reden aangevoerd. De rechtbank acht voorts van belang dat het voor verweerder onmogelijk is het overgelegde paspoort ter zitting op authenticiteit te beoordelen, zodat dit in redelijkheid ook niet van verweerder kan worden verlangd. Gelet op voornoemde omstandigheden zal het bestreden besluit ex tunc worden getoetst.

7. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid het paspoortvereiste ex artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, aan eiser kon tegenwerpen en kon oordelen dat eiser reeds hierom niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt.

8. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de weigering om eiser verblijf hier te lande toe te staan geen inbreuk op eisers recht op gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, oplevert. Voor zover sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn Nederlandse partner is geen sprake van inmenging, nu de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan er niet toe strekt hem een verblijfstitel te ontnemen die hem in staat stelde zijn gezinsleven hier te lande uit te oefenen. Niet gebleken is van een positieve verplichting voor verweerder om eiser in staat te stellen het gezinsleven hier te lande uit te oefenen. De stelling dat er objectieve belemmeringen bestaan, gelegen in de gezondheidssituatie van de partner van eiser en het klimaat in West-Afrika om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Derhalve is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan van de partner van eiser niet gevergd kan worden eiser naar een plaats buiten Nederland te volgen.

9. Uit hetgeen overigens is aangevoerd, is niet gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

10. Op grond van het voorgaande dient het beroep dan ook ongegrond te worden verklaard. De overige stellingen van partijen behoeven derhalve geen bespreking.

11. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Quist, griffier, en openbaar gemaakt op: 28 februari 2003

De griffier, De voorzitter

Afschrift verzonden op: 28 februari 2003

Conc.: JQ

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.