Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6539

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2003
Datum publicatie
31-03-2003
Zaaknummer
AWB 01/13689
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Driejarenbeleid / vvtv.

In geschil is met name of na de uitspraak van de rechtbank van 8 december 1998, waarin onherroepelijk is beslist op eisers aanvraag om toelating als vluchteling respectievelijk vtv, relevant tijdsverloop is opgebouwd in het kader van het driejarenbeleid. Het thans bestreden besluit dateert van 2 maart 2001. De rechtbank sluit aan bij de REK-uitspraken van 19 mei 2000 en 1 november 2001. In casu is in ieder geval sprake van relevant tijdsverloop vanaf de datum waarop eiser zich heeft aangemeld tot aan de uitreiking op 11 maart 1997 van het besluit waarbij aan eiser een vvtv is verleend, derhalve drie maanden. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het relevante tijdsverloop is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank van 8 december 1998. Gelet op de REK-uitspraak van 19 mei 2000 telt ook de periode mee waarin nog (uitsluitend) wordt geprocedeerd over de aanspraak op verlening van een vvtv. Voorts dient de procedure over de intrekking van de vvtv, welke is gestart terwijl de oorspronkelijke procedure nog liep, voor de berekening van het tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid niet als een afzonderlijke procedure te worden gezien waarin een nieuwe termijn gaat lopen. Deze situatie is niet dusdanig verschillend van de situatie waarin nog (uitsluitend) wordt doorgeprocedeerd over de toekenning van vvtv dat daarin een rechtvaardiging kan worden gezien voor het door verweerder voorgestane onderscheid. Gerekend vanaf de datum waarop eiser kennis heeft kunnen nemen van de intrekking van de vvtv tot aan de beschikking op bezwaar tegen de intrekking van de vvtv komt de rechtbank tot een tijdsverloop van meer dan drie jaren. Bovendien moet ook de periode 12 december 1996 tot 11 maart 1997 worden meegenomen. De omstandigheid dat verweerder zijn beleid op 3 augustus 2000 heeft aangevuld en sedertdien de algemene regel dat geen sterkere titel kan worden verkregen dan waarover eiser procedeert ook voor asielzaken in zijn beleid heeft opgenomen, maakt het voorgaande niet anders. Immers ook op 3 augustus 2000 was reeds sprake van drie jaar relevant tijdsverloop. Anders dan rechtbank Utrecht in de uitspraak AWB 00/7556 van 18 juli 2002 heeft geoordeeld, dient verweerders standpunt - dat voor de toepassing van het driejarenbeleid een onderscheid moet worden gemaakt tussen de oorspronkelijke aanvraagprocedure en de vvtv-procedure - om de hiervoor weergegeven redenen niet te worden gevolgd.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/13689 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1968, van Somalische nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. J.W. van Leeuwen, advocaat te Den Haag,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.E. Keulemans, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Bij besluit van 28 februari 1997 heeft verweerder aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, met ingang van 12 december 1996. Bij besluit van 25 juni 1997 heeft verweerder de aan eiser verleende vvtv ingetrokken. Het hiertegen gerichte bezwaar van 21 juli 1997 is bij besluit van 5 september 1997 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 december 1998 (AWB 97/10836) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, het door eiser hiertegen ingesteld beroep gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. Bij besluit van 28 januari 1999 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 december 2000 (AWB 99/1356) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het door eiser hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd. Bij besluit van 2 maart 2001 heeft verweerder het bezwaar ten derden male ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 28 maart 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 22 mei 2001. Op 14 februari 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 22 april 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Bij brief van 3 juli 2002 heeft eiser zijn standpunt nog nader onderbouwd.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde van verweerder nadere inlichtingen te verkrijgen. Bij faxbericht van 2 augustus 2002 heeft verweerder de rechtbank nadere inlichtingen toegestuurd. Bij faxbericht van 12 september 2002 heeft de rechtbank partijen meegedeeld zich voldoende voorgelicht te achten om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Hierop heeft de gemachtigde van eiser bij faxbericht van 17 september 2002 gereageerd. Verweerder heeft bij faxbericht van 20 september 2002 zijn reactie aan de rechtbank verzonden. Beide partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op

21 september 2002 gesloten.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf. De aan eiser verleende vvtv is op goede gronden ingetrokken aangezien eiser een vestigingsalternatief heeft in de provincie Mudug in Somalië.

Eiser kan voorts geen geslaagd beroep doen op het driejarenbeleid zoals neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994) nu daaruit blijkt dat indien de rechter binnen drie jaar na de datum van de aanvraag een uitspraak heeft gedaan op een ingesteld beroep en het beroep verwerpt voor wat betreft de toelating als vluchteling respectievelijk vergunning tot verblijf, maar de bestreden beschikking vernietigt op grond van het vvtv-aspect, de procedure er uitsluitend nog toe strekt een voorwaardelijke vergunning te verkrijgen. Dit kan nimmer leiden tot een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid. Hiervan is in dit geval sprake. De rechtbank heeft bij uitspraak van 8 december 1998, derhalve binnen de termijn van drie jaar, het beroep voor wat betreft de toelating als vluchteling respectievelijk vergunning tot verblijf verworpen en de bestreden beschikking vernietigd voor wat betreft de intrekking van de vvtv. Na deze uitspraak is geen relevant tijdsverloop meer opgebouwd.

1.2. In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende opgemerkt.

Bij de toetsing aan het driejarenbeleid kan een (voor het onderhavige geval essentieel) onderscheid worden gemaakt tussen:

situaties waarin verweerder geen vvtv heeft verleend en de vreemdeling vervolgens over deze weigering procedeert, en,

situaties waarin verweerder wel een vvtv heeft verleend, maar deze vergunning vervolgens heeft ingetrokken of heeft geweigerd de geldigheidsduur ervan te verlengen, waarover de vreemdeling vervolgens procedeert.

In de zaken die hebben geleid tot de door eiser genoemde uitspraken van de Rechtseenheidkamer (REK) van 19 mei 2000 (gepubliceerd in JV 2000, 143) had de rechtbank te maken met de eerste situatie. In de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de REK van 1 november 2000 had de rechtbank te maken met de tweede situatie. Ook de onderhavige zaak valt onder de tweede situatie. In de eerste situatie bestaat een direct verband tussen de oorspronkelijke aanvraag om toelating en de procedure over een vvtv: het ontstaan van deze procedure valt immers rechtstreeks terug te voeren op de oorspronkelijke aanvraag. In de tweede situatie ontbreekt dat verband. In deze situatie zal de vreemdeling immers, door geen bezwaar te maken (of beroep in te stellen) tegen de verlening van de vvtv, vier weken na de bekendmaking van dat besluit een onherroepelijke (positieve) beslissing op dit onderdeel van zijn aanvraag hebben ontvangen, alvorens hij (door een uitspraak van de rechtbank) tevens een onherroepelijke (negatieve) beslissing op de beide andere onderdelen van de aanvraag krijgt. Als de vreemdeling, tijdens of na deze beroepsprocedure, een aanvraag indient om verlenging van de geldigheidsduur van zijn vvtv (of bezwaar maakt tegen de intrekking van deze vergunning), kan derhalve ook geen (procedurele) lijn meer worden getrokken tussen deze aanvraag (of dit bezwaarschrift) en de oorspronkelijke aanvraag. Weliswaar heeft de oorspronkelijke aanvraag om toelating geleid tot afgifte van een vvtv, terwijl de vreemdeling zonder afgifte van een vvtv uiteraard nooit had kunnen procederen over de weigering de geldigheidsduur van deze vergunning te verlengen (of over de intrekking daarvan), maar dit indirecte verband biedt onvoldoende grondslag voor de gedachte dat de oorspronkelijke procedure en de vvtv-procedure een integraal geheel vormen.

Bovendien staat de -voor asielzaken tot 3 augustus 2000 niet expliciet in het beleid opgenomen- algemene regel, dat een vreemdeling geen sterkere titel kan verkrijgen dan de titel waarover hij procedeert, in dit geval in de weg aan een succesvol beroep op het driejarenbeleid. Alhoewel het bepaalde in hoofdstuk A4/6.22 van de Vc 1994 een bijzondere regel betreft en betrekking heeft op voornoemde eerste situatie (het geval waarin verweerder geen vvtv heeft verleend en de vreemdeling vervolgens over deze weigering doorprocedeert), geldt de voornoemde algemene regel die aan het bepaalde in A4/6.22 van de Vc ten grondslag ligt, uiteraard ook voor de tweede, en in het onderhavige geval van toepassing zijnde, situatie (het geval waarin verweerder wel een vvtv heeft verleend, maar deze vervolgens heeft ingetrokken of heeft geweigerd de geldigheidsduur ervan te verlengen, waarover de vreemdeling vervolgens procedeert). Tenslotte komt bij de bepaling van de reikwijdte van een beleidsregel doorslaggevende betekenis toe aan de interpretatie die verweerder aan de beleidsregel geeft. Verweerder wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s Gravenhage van 6 oktober 1999 (AWB 99/2335), gepubliceerd in JV 1999, 282.

1.3. Op de door de rechtbank op 16 juli 2002 gestelde vraag of de „interne beraadslaging“ over de interpretatie van C2/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) waarvan sprake is in de op 13 mei 2002 namens de Staatssecretaris van Justitie aan mr. F.H. Bruggink gezonden, en namens eiser bij schrijven van 3 juli 2002 aan het dossier toegevoegde, brief inmiddels is afgesloten en zo ja, tot welke uitkomsten die beraadslagingen hebben geleid, heeft verweerder -voor zover hier van belang- in een faxbericht van 2 augustus 2002, de volgende inlichtingen verstrekt:

„ Voorop moet worden gesteld dat de in de overgelegde brief van 13 mei 2002 bedoelde interne beraadslaging betrekking had op de mogelijkheid het driejarenbeleid ook toe te passen op procedures die hun oorsprong vinden in een (bezwaar tegen een) intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf. Uit de Vc 1994 onder A4/6.22 (en de Vc 2000 onder C2/9) kan immers worden afgeleid dat uitsluitend een aanvraag om verlening (of om verlenging van de geldigheidsduur) van een (voorwaardelijke) vergunning tot verblijf tot een succesvol beroep op dat beleid kan leiden.“

Op het verzoek van de rechtbank nader toe te lichten waarom juist in asielzaken zou (moeten) gelden dat uit de omstandigheid dat over de toelating als verdragsvluchteling dan wel op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) reeds onherroepelijk is beslist, nooit toelating op grond van het driejarenbeleid kan worden verleend, ook niet in die gevallen waarin de driejaren-termijn is ‘volgelopen’ in de periode dat de vreemdeling tegen de intrekking van een hem voordien verleende vvtv procedeert en in het bijzonder in welke omstandigheden de gevolgen van het aldus gemaakte onderscheid in de opvatting van verweerder hun rechtvaardiging vinden, heeft verweerder -voor zover hier van belang- in het voornoemde faxbericht het volgende aangegeven:

„Inmiddels heeft de beraadslaging geleid tot het standpunt dat procedures die hun oorsprong vinden in een (bezwaar tegen een) intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf niet tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van tijdsverloop kunnen leiden. In deze gevallen wordt derhalve onverkort vastgehouden aan de tekst van het driejarenbeleid. Overigens heeft de uitkomst van de beraadslaging verder geen betekenis voor de onderhavige zaak. Uit de motivering van de bestreden beschikking blijkt immers niet dat, naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie, het beroep op het driejarenbeleid op deze grond faalt. Vooralsnog zie ik dan ook geen aanleiding de rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid nader toe te lichten.“

1.4. Bij faxbericht van 20 september 2002 heeft verweerder zich nog beroepen op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 18 juli 2002 (AWB 00/7556). In deze uitspraak is onder meer geoordeeld dat het tijdsverloop in de oorspronkelijke procedure niet mag worden opgeteld bij het tijdsverloop in de vvtv-procedure.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de voorwaardelijke vergunning tot verblijf heeft ingetrokken. Voorts heeft verweerder ten onrechte geen vergunning op grond van het driejarenbeleid verleend. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de REK van 19 mei 2000 (AWB 00/1309 en gepubliceerd in JV 2000, 143). De vvtv van eiser is ingetrokken bij besluit van 25 juni 1997. Sindsdien zijn meer dan drie jaar verstreken. Vanaf deze datum maakt eiser dan ook aanspraak op een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Het bestreden besluit dateert van 2 maart 2001. Het is derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495, inwerkingtreding 1 april 2001). Derhalve worden bij de toetsing van het bestreden besluit het oude recht en aanverwante regelingen toegepast.

3. Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid de aan eiser verleende vvtv terecht heeft kunnen intrekken, overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat eiser tot de stam van de Abgal behoort. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich mede op basis van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 16 februari 2000 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser een vestigingsalternatief heeft in de provincie Mudug en dat leden van de Abgalclan in beginsel vrij en veilig in heel Somalië kunnen reizen en verblijven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid de aan eiser verleende vvtv heeft kunnen intrekken.

4. Aan de orde is vervolgens de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid.

5. In hoofdstuk A4/6.22 van de Vc is -voor zover hier van belang- bepaald dat een vreemdeling die langdurig in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn toelatingsprocedure onder bepaalde voorwaarden in aanmerking kan komen voor toelating tot Nederland op grond van het zogenaamde driejarenbeleid. Dit beleid geldt voor zowel asielzaken als reguliere zaken. Een vreemdeling verkrijgt in asielzaken een vergunning tot verblijf zonder beperking en in reguliere zaken een vergunning tot verblijf onder beperking op grond van het driejarenbeleid, indien aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:

Er zijn tenminste drie jaren verstreken na de datum van de aanvraag om toelating en de vreemdeling heeft nog geen beslissing of nog geen onherroepelijke beslissing op zijn aanvraag ontvangen, terwijl het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog steeds van toepassing is; én

de uitzetting is om beleidsmatige redenen achterwege gebleven; dat wil zeggen om een reden die verband houdt met het verblijfdoel; én

er is geen sprake van contra-indicaties.

Ten aanzien van de eerste voorwaarde is bepaald dat met onherroepelijk wordt bedoeld dat de beslissing in rechte onaantastbaar is geworden. De driejarentermijn gaat tellen vanaf het moment van de aanvraag om toelating voor het oorspronkelijke verblijfsdoel voor zover dat nog gehandhaafd is. De hoofdregel in het driejarenbeleid is dat nimmer een sterkere verblijfstitel kan worden verkregen dan de vergunning waarover wordt geprocedeerd. In reguliere zaken is de hoofdregel aldus uitgewerkt, dat de vreemdeling de vergunning verkrijgt onder de beperking waarvoor hij ten tijde van de oorspronkelijke aanvraag heeft geopteerd. In asielzaken geldt -sinds 3 augustus 2000- het volgende. In het geval de rechter binnen drie jaar na de datum van de aanvraag een uitspraak heeft gedaan op een ingesteld beroep en het beroep verwerpt voor wat betreft de toelating als vluchteling respectievelijk de vergunning tot verblijf, maar de bestreden beschikking vernietigt op grond van het vvtv-aspect, geldt het volgende. De procedure strekt er dan nog slechts toe een vvtv te verkrijgen, en de vreemdeling kan dan ook op grond van het driejarenbeleid -indien van toepassing- niet een sterkere verblijfstitel verkrijgen dan de vergunning die nog onderwerp is van het geschil (dus: een vvtv). Het meerdere is immers reeds onherroepelijk afgewezen. De periode dat een vreemdeling in het bezit is geweest van een vvtv wordt niet meegeteld als relevant tijdsverloop. In beginsel kan het relevante tijdsverloop pas weer gaan lopen bij intrekking of niet verlenging van de geldigheidsduur van de vvtv voor zover de oorspronkelijke procedure dan nog loopt.

6. Voor de beoordeling van het geschil sluit de rechtbank in de eerste plaats aan bij de overwegingen van de uitspraak van de REK van 19 mei 2000 (JV 2000,143). Uit deze uitspraak volgt dat de tijd die is gemoeid met doorprocederen inzake een vvtv moet worden opgevat als relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid. In de uitspraak is -voor zover hier van belang- overwogen dat de verlening van een vvtv in feite niets anders is dan de minst vergaande inwilligende beslissing op de aanvraag om toelating waarbij bescherming is gezocht tegen risico’s in het land van herkomst. De rechtbank sluit zich voorts aan bij de overwegingen van de uitspraak van de REK van

1 november 2001 (NAV 2000, 260). Uit deze uitspraak volgt dat de periode gedurende welke de vreemdeling in het bezit is geweest van een vvtv geen relevante tijd in de zin van het driejarenbeleid oplevert. Voor de berekening van het relevante tijdsverloop in het driejarenbeleid geldt als eerste dag van de termijn de dag van aanmelding dan wel de dag van indiening van de aanvraag om toelating. De periode van relevant tijdsverloop eindigt op het moment van ontvangst van het besluit waarbij de vvtv is toegekend. De periode waarvoor geldt dat de vvtv met terugwerkende kracht is verleend kan niet als relevant tijdsverloop worden aangemerkt aangezien de vreemdeling gedurende die periode niet feitelijk in het bezit is geweest van een vvtv. De REK heeft voorts het beleid van verweerder dat de relevante tijd in beginsel pas weer kan gaan lopen bij intrekking of niet verlenging van de geldigheidsduur van de vvtv - voor zover de oorspronkelijke procedure dan nog loopt - niet kennelijk onredelijk geacht.

7. Eiser is op 12 december 1996 Nederland binnengekomen en heeft op 13 december 1996 een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend en een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 28 februari 1997, aan eiser uitgereikt op 11 maart 1997, heeft verweerder de aanvragen om toelating niet ingewilligd. Wel is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 12 december 1996 geldig tot 12 december 1997. Bij afzonderlijke besluiten van 25 juni 1997 heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de niet-inwilliging van zijn aanvragen kennelijk ongegrond verklaard en heeft verweerder de aan eiser verleende vvtv ingetrokken. Bij besluit van 5 september 1997 heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de intrekking van de vvtv kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 december 1998 heeft deze rechtbank het beroep van eiser gericht tegen de niet-inwilliging van zijn aanvragen om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf ongegrond verklaard en is het beroep gericht tegen de intrekking van de vvtv gegrond verklaard.

In de onderhavige zaak is gelet op het vorenstaande in ieder geval sprake van relevant tijdsverloop vanaf de datum waarop eiser zich heeft aangemeld tot aan de uitreiking van het besluit waarbij aan eiser een vvtv is verleend op 11 maart 1997, derhalve drie maanden. Eisers vvtv is vervolgens ingetrokken bij besluit van 25 juni 1997. Eiser heeft hiervan op 26 juni 1997 kennis kunnen nemen en op 26 juni 1997 is de opbouw van relevante tijd derhalve opnieuw begonnen. De periode van tweeënenhalve maand waarin eiser feitelijk in het bezit is geweest van een vvtv geldt, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 6 is overwogen, niet als relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid.

8. Tussen partijen is met name in geschil of na de uitspraak van 8 december 1998, waarin onherroepelijk is beslist op eisers aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf, relevant tijdsverloop is opgebouwd in het kader van het driejarenbeleid.

9. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt dat in de onderhavige zaak het relevante tijdsverloop is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank van 8 december 1998. Gelet op de uitspraak van de REK van 19 mei 2000, is de rechtbank van oordeel dat ook de periode waarin nog (uitsluitend) wordt geprocedeerd over de aanspraak op verlening van een vvtv meetelt als relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid. De rechtbank is voorts van oordeel dat de procedure over de intrekking van de vvtv, welke is gestart terwijl de oorspronkelijke procedure nog liep, voor de berekening van het tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid niet als een afzonderlijke procedure dient te worden gezien waarin een nieuwe termijn gaat lopen. Deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet dusdanig verschillend van de situatie waarin nog (uitsluitend) wordt doorgeprocedeerd over de toekenning van vvtv dat daarin een rechtvaardiging kan worden gezien voor het door verweerder voorgestane onderscheid.

Gerekend vanaf de datum waarop eiser kennis heeft kunnen nemen van de intrekking van de vvtv (26 juni 1997) tot aan de beschikking op bezwaar tegen de intrekking van de vvtv (2 maart 2001) is dan ook sprake van een tijdsverloop van meer dan drie jaren. Bovendien moet ook de periode 12 december 1996 tot 11 maart 1997 worden meegenomen.

10. De omstandigheid dat verweerder zijn beleid op 3 augustus 2000 heeft aangevuld en sedertdien de algemene regel, dat geen sterkere titel kan worden verkregen dan waarover eiser procedeert ook voor asielzaken in zijn beleid heeft opgenomen, maakt het voorgaande niet anders. Ook op 3 augustus 2000 was immers reeds sprake van drie jaar relevant tijdsverloop.

11. Naar het oordeel van de rechtbank geven de reacties van verweerder, zoals neergelegd in het verweerschrift van 22 april 2003, de schriftelijke reactie van 2 augustus 2002 en het faxbericht van 20 september 2002 geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Anders dan deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht (uitspraak van 18 juli 2002, AWB 00/7556) heeft geoordeeld, is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt -dat voor de toepassing van het driejarenbeleid een onderscheid moet worden gemaakt tussen de oorspronkelijke aanvraagprocedure en de vvtv-procedure- om de hiervoor weergegeven redenen niet dient te worden gevolgd.

12. De rechtbank overweegt tenslotte nog dat in het algemeen juist is, zoals verweerder ook heeft opgemerkt, dat voor de vraag naar de reikwijdte van beleidsregels doorslaggevende betekenis toekomt aan de wijze waarop het bestuursorgaan zelf die beleidsregels interpreteert. Nu in het onderhavige geval echter sprake is van een situatie waarin verweerder niet in redelijkheid tot de bestreden interpretatie heeft kunnen komen, lijdt dit uitgangspunt in deze situatie uitzondering.

13. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover eiser daarbij een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid is onthouden, niet op een voldoende deugdelijke motivering berust en derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Awb is genomen. Het bestreden besluit komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is mitsdien gegrond.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

15. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd

en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door

eiser betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge: honderdtwee euro en tien cent).

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. Tajik-Smeets, griffier en openbaar gemaakt op 11 februari 2003.

Afschrift verzonden op: 11 februari 2003

Conc: DT/HB

Coll: HB

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.