Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6480

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/29484
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AL4296
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv / verbroken gezinsband.

Referent heeft bij de korpschef verzocht om een ambtshalve advies omtrent afgifte van een mvv ten behoeve van eisers. De korpschef heeft een negatief advies afgegeven. De visadienst heeft het advies overgenomen en heeft daarmee negatief beslist op een aanvraag voor een mvv.

De rechtbank stelt vast dat op de eerdere aanvraag van eisers reeds onherroepelijk is beslist. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent is verbroken.

De rechtbank is van oordeel dat een wijziging van (nationale) jurisprudentie niet tot de verplichting leidt om terug te komen op een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Verweerder dient evenwel in geval van een herhaalde aanvraag telkenmale te beoordelen of het gegeven besluit in overeenstemming is met hogere regelgeving en derhalve had verweerder nogmaals moeten toetsen aan artikel 8 EVRM. Bij deze beoordeling dient verweerder de in de EHRM-uitspraak in de zaak Sen van 21 december 2001 genoemde factoren, te weten de leeftijd van de betrokken kinderen, hun situatie in het land van herkomst en hun afhankelijkheid van de ouders, in de beslissing te betrekken. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat dit is geschied. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/29484 MVV

inzake: A, geboren op [...] 1985

B, geboren op [...] 1987,

C, geboren op [...] 1990,

allen van Turkse nationaliteit, wonende te Turkije, eisers,

gemachtigde: mr. H. Dogan, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Kruijdenberg, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. D, verder te noemen referent, heeft op 15 mei 2001 bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland verzocht om een ambtshalve advies omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eisers. De korpschef heeft op 14 september 2001 een negatief advies afgegeven aan de Visadienst. De Visadienst heeft dit advies op 5 oktober 2001 overgenomen, waarmee ambtshalve een beslissing is genomen omtrent de afgifte van de gevraagde mvv. Tegen deze beslissing is namens eisers bij bezwaarschrift van 19 oktober 2001 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 2 november 2001. Het bezwaar is bij besluit van 20 maart 2002 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 15 april 2002 is namens eisers tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 17 mei 2002. Op 7 augustus 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 1 november 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2002. Eisers zijn aldaar vertegenwoordigd door referent, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig, E en F, echtgenote en zoon van referent.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2. In beroep zijn de volgende stukken overgelegd:

Een vertaalde schriftelijke verklaring van een schoolhoofd van 27 maart 1998;

Een vertaalde echtscheidingsakte van 30 oktober 1989;

Een vertaalde schriftelijke verklaring uit naam van de grootmoeder van eisers van onbekende datum;

Een vertaalde schriftelijke verklaring van de buren, tevens wijkhoofd, van referent van onbekende datum;

Een vertaalde schriftelijke verklaring van het Staatsziekenhuis te Kirsehir, Turkije, van

02 mei 2002, omtrent de gezondheid van G;

Een niet vertaald schriftelijk stuk omtrent B;

Een niet vertaald schriftelijk stuk omtrent C.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor verlening van de gevraagde mvv. Daartoe voert verweerder aan dat in voorgaande procedures reeds is vastgesteld dat vanaf 1989 de gezinsband tussen referent en eisers als verbroken moet worden geacht. Door referent zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Uit het jaarlijks reizen naar Turkije blijkt nog niet de betrokkenheid van referent bij de opvoeding en verzorging van eisers. Derhalve houdt verweerder de stelling staande dat eisers duurzaam in een ander gezin dan dat van referent zijn opgenomen, waardoor de feitelijke gezinsband als verbroken moet worden geacht.

De beoordeling van bovengenoemde aanvraag wordt beperkt door het toetsingskader van de herhaalde aanvraag, oftewel artikel art. 4:6 van de Awb. De in het kader van de gezinsband aangevoerde stellingen, te weten dat referent immer de overkomst van eisers heeft beoogd, dat hij altijd met hen contact heeft gehouden middels het storten van de kinderbijslag en dat hij hen tijdens vakanties bezocht, kunnen niet als rechtens relevante nova worden beschouwd.

De stelling dat de huidige echtgenote als referente moet worden beschouwd en (via haar) Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 20002/4 van toepassing is, faalt. Immers, eisers hebben immer verblijf bij hun vader beoogd. De echtgenote is nimmer als referente aangemerkt. Derhalve kan zij ook niet als zodanig in onderhavige procedure worden aangemerkt.

Een beroep op TBV 2002/4 kan evenmin slagen. Immers sedert 22 maart 2002 is dit beleid van toepassing. Het bestreden besluit dateert van 20 maart 2002, derhalve is deze TBV niet van toepassing.

De stelling van eisers dat de moeder van referent de zorg voor eisers niet meer op zich kan nemen is niet met documenten aangetoond. In eerdere procedures is komen vast te staan dat zij, buiten slechthorendheid, geheel gezond is. Niet is gebleken dat in deze situatie een verandering heeft plaatsgevonden.

Indien desondanks aangenomen dient te worden dat de moeder van referent niet meer (alleen) voor eisers kan zorgen, wordt overwogen dat niet is gebleken dat overige in Turkije verblijvende familieleden niet (mede) de zorg voor eisers op zich kunnen nemen. Hierbij wordt overwogen dat aangenomen mag worden dat eisers, gelet op hun leeftijd, zich in toenemend zelfstandig zullen kunnen redden.

Voorts is door referent aangegeven dat er nog drie broers van hem in Turkije verblijven. Niet is aangetoond dat zij niet de zorg over eisers - tot hun meerderjarigheid - op zich kunnen nemen.

De stelling dat er geen contact meer is met de moeder van eisers laat daarmee de mogelijkheid tot zorg door anderen dan de moeder in Turkije onverlet.

Hetgeen door eisers is aangevoerd omtrent artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) kan niet als rechtens relevante nova worden beschouwd. Immers in eerdere procedures is reeds getoetst aan artikel 8 van het EVRM alsmede aan het IVRK.

2. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de gevraagde mvv heeft geweigerd. Daartoe voeren eisers aan dat indien TBV 2002/4 ten tijde van de vorige uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, op 11 december 1998, reeds van kracht was geweest, dat deze rechtbank tot het oordeel zou zijn gekomen dat de gezinsband niet was verbroken.

De huidige echtgenote van referent heeft voorts een half jaar voor eisers gezorgd in Turkije. Hierdoor is nieuw gezinsleven ontstaan. Ten onrechte heeft verweerder dit gegeven niet in zijn oordeel betrokken. De huidige echtgenote van referent moet in casu dan ook worden beschouwd als zijnde referente in deze procedure. Derhalve bedraagt de referte periode minder dan vijf jaar en dient, zoals in TBV 2002/4 is gesteld, de gezinsband als zijnde niet verbroken te worden geacht.

Voorts kan niemand in Turkije de zorg over eisers op zich nemen. De moeder van referent is thans definitief niet meer in staat om voor eisers te zorgen. Er zijn ook geen andere familieleden die deze zorg op zich kunnen en willen nemen. Eisers lijden psychisch onder deze omstandigheden.

Er is dan ook sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM. Eisers verwijzen in dat kader naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Ciliz, van 11 juni 2000

(RV 2000/20) alsmede het commentaar van S.K. van Walsum (MR 2002/2, p. 56) en naar de uitspraak in de zaak Sen van 21 december 2001 van hetzelfde Hof.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 geldt daarbij als uitgangspunt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts wordt ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

4. Gelet op de uitspraak van 10 november 1998 van deze rechtbank en zittingsplaats is op de eerdere aanvraag van eisers voor verblijf bij referent onherroepelijk beslist. De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de feitelijke gezinsband tussen eisers en referent is verbroken. Niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat het oordeel dat de feitelijke gezinsband is verbroken, evident onjuist is. Voor zover door referent naar voren is gebracht dat:

hij zodra mogelijk pogingen heeft ondernomen om eisers naar Nederland te halen;

hij altijd contact heeft gehouden met eisers middels voor hen ontvangen kinderbijslag en door jaarlijkse reizen naar Turkije;

in eerdere procedures voorbij is gegaan aan de jurisprudentie met betrekking tot artikel 8 van het EVRM;

de afwijzende beschikking in strijd is met de bepalingen van het IVRK,

De rechtbank overweegt dat deze stellingen niet kunnen worden opgevat als zijnde nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

5. Voorts is de rechtbank van oordeel, dat een wijziging van (nationale) jurisprudentie niet tot de verplichting leidt om terug te komen op een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Verweerder dient evenwel in geval van een herhaalde aanvraag telkenmale te beoordelen of het gegeven besluit in overeenstemming is met hogere regelgeving en derhalve had verweerder (nogmaals) moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Bij deze beoordeling dient verweerder de in de uitspraak van

het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Sen van 21 december 2001 genoemde factoren, te weten: de leeftijd van de betrokken kinderen, hun situatie in het land van herkomst en hun afhankelijkheid van de ouders, in de beslissing te betrekken. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat dit is geschied. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is dan ook gegrond en het besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De overig aangevoerde stellingen van partijen behoeven derhalve geen nadere bespreking meer.

7. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

8. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd

en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door

eiser betaalde griffierecht ad € 109,-- (zegge: honderd en negen euro).

Gewezen door mr. F. Salomon, voorzitter, in tegenwoordigheid van ir. M.V.C. Dam-Jansen, griffier en openbaar gemaakt op 22 januari 2003.

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 30 januari 2003

Conc: MD

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.