Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5930

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2003
Datum publicatie
21-03-2003
Zaaknummer
KG 03/137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2003, p. 133 (nr.1)
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 18 maart 2003,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 03/137 van:

1. [eiser]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Bangkok, Thailand,

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. W. Taekema,

advocaat mr. G.G.J. Knoops te Amsterdam,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. J.W.H. van Wijk,

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 10 maart 2003 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser sub 1 (hierna: eiser) is op 16 april 1997 in Bangkok, Thailand, gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij handel in hard drugs. Sindsdien verblijft hij in detentie in Bangkok.

1.2. Sinds zijn aanhouding is eiser regelmatig bezocht door medewerkers van de Nederlandse ambassade in Bangkok. Daarnaast heeft de ambassade eiser financieel ondersteund.

1.3. Op 21 juni 1999 heeft de Nederlandse ambassade, samen met de ambassades van Italië en Australië, een officiële nota gezonden aan de Thaise autoriteiten. Daarin is zorg geuit over het lange voorarrest van eiser en de mede-verdachten.

1.4. Op 11 maart 2002 is eiser bij gebrek aan bewijs in eerste aanleg vrijgesproken. Tegen deze uitspraak is het Openbaar Ministerie van Thailand in hoger beroep gegaan.

1.5. Hangende het hoger beroep is eisers detentie voortgezet.

1.6. Bij brief van 8 augustus 2002 aan de President van het Hof van Beroep in Bangkok heeft de Nederlandse ambassadeur in Thailand eisers verzoek om vrijlating op borgtocht ondersteund. In deze brief is gewezen op de omstandigheid dat eiser tot de vrijspraak al vijf jaren in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij is de vraag gesteld of het niet 'fair' zou zijn dat eiser in vrijheid op de beslissing van het Hof zou kunnen wachten.

1.7. Het Hof van Beroep te Bangkok heeft eisers verzoek om vrijlating op borgtocht afgewezen.

1.8. Eiser verblijft thans nog steeds in detentie. Een datum voor de behandeling van het hoger beroep is niet bekend.

1.9. In eisers zaak zijn naast eiser ook een Italiaan, een Australiër, de vriendin van eiser en haar broer aangehouden. Beide laatstgenoemden zijn aangehouden in het bezit van drugs (bijna één kilo heroïne); zij hebben bekend en zijn tot 33 jaar gevangenisstraf veroordeeld. De Australiër is evenals eiser vrijgesproken en nog gedetineerd in afwachting van hoger beroep. De Italiaan is vrijgelaten.

1.10. Op 2 en 19 december 2002 en op 16 januari 2003 is de zaak van eiser onder de aandacht gebracht van de Thaise ambassadeur in Nederland.

1.11. Op 27 januari 2003 heeft de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken (de Minister) in Brussel gesproken over eisers zaak met zijn Thaise collega. Op 18 februari 2003 heeft de Minister de Thaise ambassadeur ontvangen om te informeren naar de voortgang in eisers zaak en om te bevorderen dat het hoger beroep zo snel mogelijk wordt behandeld.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Eisers vorderen na wijziging van eis -kort weergegeven- gedaagde te veroordelen:

1. om binnen een week na dit vonnis aan eisers ter beschikking te stellen een door de Minister opgestelde garantieverklaring ten behoeve van de Thaise autoriteiten inhoudende dat -kort gezegd- ingeval van vrijlating van eiser er in Thailand een (tijdelijke) domicilie onder auspiciën, kosten en verantwoordelijkheid van gedaagde gerealiseerd kan worden, opdat eiser aldaar zijn hoger beroep in vrijheid af kan wachten, dat daarbij het paspoort van eiser bij gedaagde zal blijven en er op zal worden toegezien dat eiser hangende deze invrijheidstelling Thailand niet zal verlaten, alsmede dat gedaagde verklaart te bevorderen dat eiser aanwezig zal zijn bij de behandeling en uitspraak van het hoger beroep. Eiser vordert althans dat de Minister met alle middelen die binnen zijn mogelijkheden liggen zal zorgen dat eiser, in geval van voorlopige vrijlating door het Hof in afwachting van het hoger beroep, op het grondgebied van Thailand zal (ver)blijven en ter zitting in hoger beroep aanwezig zal zijn;

2. om al datgene te bewerkstelligen hetgeen in voorliggende omstandigheden noodzakelijk is om tot onverwijlde (voorlopige) invrijheidstelling van eiser te komen, althans tot het doen instellen van al die maatregelen, die uitstijgen boven het niveau van "diplomatieke inspanningen", ter bewerkstelliging van deze invrijheidstelling.

Daartoe voeren eisers onder meer het volgende aan.

Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eisers omdat gedaagde geen invulling wil geven aan zijn rechtsplicht om aan de Thaise autoriteiten een garantieverklaring te verstrekken zodat eiser het tegen hem ingestelde hoger beroep in vrijheid kan afwachten. Ingevolge artikel 5 van het Verdrag van Wenen moet gedaagde eiser consulaire ondersteuning geven in die zin dat zijn belangen beschermd dienen te worden. Op grond van internationaal recht mag eiser hieraan een afdwingbaar recht ontlenen. Daarbij gelden de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede de zogeheten erga omnes verplichtingen (die staten binden aan verplichtingen zoals bescherming van fundamentele mensenrechten ongeacht of daarmee is ingestemd door die staten) en de zogeheten Draft Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts. Het beginsel van fair trial binnen een redelijke termijn is in eisers zaak geschonden. Op gedaagde rust ook een rechtsplicht omdat gedaagde zelf van oordeel is dat de zorg voor gearresteerde en gedetineerde Nederlanders in het buitenland tot de kerntaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken behoort.

Eisers klemmende en urgente persoonlijke situatie en detentieomstandigheden, alsmede de significante betekenis van de garantieverklaring maken dat gedaagdes weigering in strijd is met het redelijkheidscriterium. Door gedaagde is niets ondernomen om te komen tot een redressering van de schending van eisers essentiële mensenrechten, meer speciaal door middel van substantiële handelingen die direct met vrijlating in verband staan.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De vraag is of gedaagde gehouden is om ten behoeve van eiser aan de bevoegde autoriteiten in Thailand een garantie te verstrekken zoals eisers hebben gevorderd.

3.2. Gedaagde heeft als verweer gevoerd dat noch uit het nationale recht noch uit het internationale recht voor gedaagde de juridische verplichting voortvloeit om de gevorderde garantie aan de Thaise autoriteiten te verstrekken. Bovendien meent gedaagde dat hij noch juridisch noch feitelijk de mogelijkheid heeft een dergelijke garantie waar te maken.

3.3. Over het beroep van eisers op het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen heeft gedaagde aangevoerd dat dit verdrag geen volkenrechtelijke verplichting creëert voor staten om assistentie aan onderdanen te verlenen, maar dat artikel 5 slechts tot uitdrukking brengt dat de ontvangende staat -in casu Thailand- de zendstaat -in casu Nederland- voorrechten en immuniteiten dient te verlenen indien de zendstaat hulp en bijstand aan onderdanen wenst te verlenen.

3.4. Voorzover eisers hebben gesteld dat uit de beantwoording van kamervragen door de Minister op 12 februari 2002 kan worden geconcludeerd dat er ingevolge artikel 36 van dit Verdrag op gedaagde een rechtsplicht rust ten aanzien van het verstrekken van een garantie, is deze conclusie vooralsnog niet gerechtvaardigd. In genoemde beantwoording heeft de Minister erop gewezen dat gedetineerden het recht hebben de ontvangende staat te verzoeken om de vertegenwoordigers van de zendstaat te informeren over hun detentie. Blijkens het betreffende kamerverslag heeft de Minister daarnaast opgemerkt dat naar het huidige volkenrecht er wel een volkenrechtelijk recht maar geen formele plicht bestaat voor staten om hun burgers in den vreemde consulaire bijstand te verlenen.

Dat Duitsland volgens eisers in de door hen genoemde "LaGrand-zaak" heeft geïntervenieerd in het Amerikaanse rechtsstelsel kan naar voorlopig oordeel er niet zonder meer toe leiden dat op grond daarvan in de onderhavige zaak op gedaagde een rechtsplicht rust. Van andere door eisers genoemde gevallen, zoals de Griekse vliegtuigspotters, is niet aannemelijk geworden dat het om vergelijkbare gevallen gaat.

3.5. Gedaagde heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat van een verplichting van de Staat geen sprake is, gewezen op een uitspraak van het hof te 's-Gravenhage waarin het uitgangspunt dat de Staat in het kader van consulaire hulpverlening verplicht is om alles in het werk te stellen danwel alles te doen wat binnen zijn mogelijkheden ligt om -in het voorliggende geval- tegemoet te komen aan de verlangens van de eisende partij, als onjuist wordt geoordeeld. Daarnaast heeft gedaagde gesteld dat de overige door eisers genoemde internationaal rechtelijke regels geen verplichting meebrengen voor staten jegens hun burgers om hen in een andere staat consulaire bijstand te verlenen. Volgens gedaagde betreffen alle genoemde normen de verplichting van een staat om geen mensenrechten te schenden van personen die zich met hun lijf en/of goed binnen zijn jurisdictie bevinden. Eisers hebben dit betoog van gedaagde niet met kracht van argumenten kunnen weerleggen.

3.6. Gedaagde heeft erop gewezen dat de wijze waarop en de inzet waarmee de Staat consulaire bijstand verleent aan in het buitenland gedetineerde Nederlanders van geval tot geval moet worden bepaald, met inachtneming van alle relevante feiten en omstandigheden. Daarbij geldt dat naast een ruime mate van beoordelingsvrijheid er beleid is gevormd op grond waarvan de Staat -kort gezegd- zorgt voor een adequate begeleiding van Nederlandse gedetineerden in het buitenland.

Voorshands is niet gebleken dat gedaagde ten aanzien van eisers zijn taak niet op een behoorlijke en rechtmatige wijze heeft vervuld. De omstandigheid dat adequate bijstand door de Minister zelf wordt gezien als een kerntaak impliceert niet zonder meer dat op gedaagde een verplichting rust om een garantie als door eisers gevorderd te verstrekken.

Uit de door gedaagde overgelegde producties is onder meer gebleken dat eiser door medewerkers van de Nederlandse ambassade in Bangkok regelmatig is bezocht, dat hij door de ambassade is ondersteund, ook in financieel opzicht, en dat voor hem op diplomatiek niveau is geïntervenieerd bij de Thaise autoriteiten. Daarbij heeft gedaagde het middel van stille diplomatie niet onbenut gelaten. Eisers hebben dit alles niet betwist; zij hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde op dit vlak onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Eisers klacht dat gedaagde niets heeft ondernomen om te komen tot een redressering van de schending van eisers essentiële mensenrechten, meer speciaal door middel van substantiële handelingen die direct met vrijlating in verband staan, is onbillijk jegens gedaagde. Dat de inspanningen van gedaagde tot op heden niet hebben geleid tot vrijlating van eiser kan onder de gegeven omstandigheden gedaagde niet worden verweten.

3.7. Gedaagde kan worden gevolgd in zijn argumentatie dat van de Staat niet kan worden gevergd de door eisers verlangde garanties te verstrekken. Gelet op het hierbovenoverwogene rust er op gedaagde geen rechtsplicht om zulks te doen. Daarbij is van belang dat de Staat, zoals gedaagde heeft aangevoerd, juridisch noch feitelijk beschikt over mogelijkheden om het doen en laten van Nederlanders in het buitenland te bepalen en zal dientengevolge een garantie dat eiser Thailand niet zal verlaten gedurende de behandeling van zijn hoger beroep, niet waargemaakt kunnen worden. Gedaagde heeft in dit verband gewezen op de diplomatieke gevolgen van het eventueel niet kunnen waarmaken van gegeven garanties.

3.8. Hoezeer te begrijpen valt dat eisers zoeken naar mogelijkheden om het lot van eiser -die al zo lang (nu al vijf jaren en elf maanden) gedetineerd is en voor wie het zwaar is om nog steeds gedetineerd te zijn, zeker na de vrijspraak in eerste aanleg- te verlichten, kan gedaagde toch niet worden verplicht tot het verstrekken van garanties zoals primair en subsidiair is gevorderd. De stelling van eisers dat, gelet op de urgente toestand van eiser, gedaagdes weigering om een garantie te verstrekken in strijd is met het redelijkheidsbeginsel, is niet gegrond. Dat gedaagde moet worden veroordeeld tot hetgeen in het petitum sub 2 staat vermeld, voert te ver. Daarbij is dit gedeelte van de vordering, zoals gedaagde ook heeft aangevoerd, te onbepaald.

Het voorgaande laat onverlet dat het in de rede ligt te veronderstellen dat gedaagde zich zal blijven inspannen om eisers terzijde te staan en te doen wat binnen de mogelijkheden ligt om te bewerkstelligen dat eiser op korte termijn in vrijheid gesteld kan worden. In hoeverre in dat kader andere mogelijkheden nog ter beschikking staan valt buiten de beoordeling van deze procedure. Niettemin is ter zitting voorshands niet gebleken dat alle mogelijkheden van borgverstrekking voldoende onderzocht zijn.

3.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst het gevorderde af.

Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 908,--, waarvan € 205,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 18 maart 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

AB