Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5910

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
17-03-2003
Zaaknummer
AWB 01/59356
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Russische Federatie / Tsjetsjeen / discriminatie.

Namens eiser is aangevoerd dat van hem op grond van de vergaande discriminatie van de Tsjetsjeense minderheid niet gevergd kan worden terug te keren naar de Russische Federatie. Verweerder heeft zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser er niet op duidt dat eiser het slachtoffer is geworden van zodanig vergaande discriminatie dat normaal maatschappelijk functioneren niet meer mogelijk was. Namens eiser is verder aangevoerd dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte geen overwegingen heeft gewijd aan het verblijfsalternatief voor Tsjetsjenen elders in de Russische Federatie, terwijl dit een vast onderdeel vormt van verweerders beleid en bovendien uitdrukkelijk bij zienswijze is betoogd dat een dergelijk verblijfsalternatief niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Eerst bij verweerschrift heeft verweerder hier overwegingen aan gewijd. De rechtbank volgt eiser in zoverre in diens grief dat verweerder in het bestreden besluit onzorgvuldig te werk is gegaan door geen overwegingen te wijden aan eisers in de zienswijze geuite stellingen ten aanzien van het al dan niet bestaan van een verblijfsalternatief voor personen van Tsjetsjeense afkomst, elders in de Russische Federatie. Anders dan eiser meent kan dit gegeven evenwel niet leiden tot vernietiging van dit besluit omdat hierin, op goede gronden en afdoende gemotiveerd, wordt overwogen dat eiser in Moskou geen risico loopt op een door het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Hiermee wordt, zij het impliciet, tevens aangegeven dat eiser, bij gebreke van een vestigingsmogelijkheid in de deelrepubliek Tsjetsjenië, een vestigingsalternatief, en dus ook een verblijfsalternatief, heeft elders in de Russische Federatie, meer in het bijzonder in Moskou. De namens eiser aangedragen argumenten dat hij zich nergens in de Russische Federatie kan vestigen omdat hij geen binnenlands paspoort meer heeft, en voorts door de Russische autoriteiten gedwongen zal worden naar Tsjetsjenië terug te keren, heeft verweerder niet hoeven volgen.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2003-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummer: Awb 01/59356

Datum uitspraak: 14 februari 2003

UITSPRAAK

op het beroep in het geschil tussen:

A,

geboren op [...] 1977,

van Russische nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. E. van den Hombergh, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel (SRA) te ’s-Hertogenbosch,

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(voorheen: Staatssecretaris van Justitie),

verweerder,

gemachtigde: mr. H. Ipenburg, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Op 17 april 2001 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. Bij besluit van 17 oktober 2001 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij brief van 9 november 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden zijn aangevuld bij schrijven van 5 februari 2002 en 26 september 2002. Verweerder heeft op 11 september 2002 een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 8 oktober 2002, waar eiser en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Motivering

Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Onder verdragsvluchteling wordt, voor zover van belang, verstaan: elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag om een zodanige verblijfsvergunning afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Het asielrelaas van eiser luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.

Eiser behoort tot de Tsjetsjeense bevolkingsgroep en is afkomstig uit Grozny. Nadat het Russische leger de stad op 3 januari 1995 was binnengevallen is eiser met zijn moeder en broers en zussen naar de naburige deelrepubliek Ingoesjetië gevlucht. Zijn moeder werd daar als vluchteling toegelaten. Vanaf 1995 studeerde eiser economie aan een hogeschool in Moskou en reisde enige malen per jaar naar deze stad om examens af te leggen. Na 1996 werd het in verband met de toenemende anti-Tsjetsjeense stemming in de Russische Federatie moeilijker om de vereiste tijdelijke registraties in Moskou te verkrijgen, hetgeen alleen nog lukte door het betalen van flinke geldbedragen. Toen eiser in de zomer van 2000 naar Moskou kwam om enkele tentamens af te leggen werd hem verteld dat er een vechtpartij had plaatsgevonden tussen bouwvakkers en drie Tsjetsjeense studenten. Als gevolg hiervan was een bouwvakker overleden. Dit had de toch al hoog opgelopen spanningen tussen de Tsjetsjenen en de Moskovieten tot een hoogtepunt gebracht. De financieel directeur van het instituut waaraan eiser studeerde maakte hem duidelijk dat zijn verdere aanwezigheid op school niet langer op prijs werd gesteld. Eiser besloot daarop een tijdje niet meer naar school te gaan en zijn scriptieverdediging uit te stellen tot februari 2001. Toen eiser rond die tijd terugkeerde naar Moskou vernam hij dat een Tsjetsjeense medestudent was gearresteerd. Kort daarna, op 26 februari 2001, kwamen agenten aan de deur bij eisers woning. Eiser was op dat moment bij zijn oom, elders in Moskou. Die zelfde avond is eiser bij de oma van een buurmeisje ondergedoken. Op 27 februari 2001 bezochten de autoriteiten ook zijn oom en sloegen hem in elkaar. Zij vroegen waarom eiser in Moskou was en waar hij verbleef. Nadat eiser had vernomen dat ook zijn vader, in een vluchtelingenkamp in Ingoesjetië, was bezocht en ondervraagd over eisers verblijfplaats besloot hij te vluchten. Op 6 april 2001 heeft eiser zijn land verlaten.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van een asielrelaas wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort. Die vaststelling kan door de rechtbank slechts terughoudend worden getoetst.

Voor zover eiser stelt dat hij verdragsvluchteling is, moet voorop worden gesteld dat de situatie in de Russische Federatie niet zodanig is, dat asielzoekers uit dat land, en behorend tot de Tsjetsjeense bevolkingsgroep, zonder meer als verdragsvluchteling behoren te worden aangemerkt. Eiser zal aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin kunnen rechtvaardigen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser zodanige feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt.

Bij dit oordeel heeft verweerder niet ten onrechte voorop gesteld dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn nationaliteit, identiteit, reisroute en asielrelaas. Hierbij heeft verweerder met name belang mogen toekennen aan het feit dat eiser voorafgaand aan zijn reis welbewust zijn paspoort en rijbewijs heeft vernietigd. Het feit dat dit hem werd voorgeschreven door een reisagent kan niet afdoen aan eisers eigen verantwoordelijkheid om zijn reisrelaas aannemelijk te maken, en waar mogelijk met documenten te ondersteunen. Eiser heeft voorts verklaard dat enige identiteitsdocumenten zich bij zijn oom in Moskou en bij zijn moeder in Ingoesjetië bevinden. Anders dan eiser stelt valt niet in te zien waarom hij deze papieren tijdens de voorbereiding van de reis, welke meerdere weken in beslag nam, niet kon ophalen of kon laten bezorgen. Verweerder heeft eiser ook niet hoeven volgen in zijn argument dat hij niet wist dat deze documenten van belang zouden zijn voor zijn asielaanvraag. Op basis van het vorenstaande heeft verweerder tot de conclusie kunnen komen dat op voorhand afbreuk wordt gedaan aan de oprechtheid en geloofwaardigheid van eisers asielrelaas.

Ook afgezien van het vorenstaande heeft verweerder op goede gronden niet aannemelijk geacht dat eiser persoonlijk in de concrete negatieve aandacht staat van de Russische autoriteiten. Hierbij heeft verweerder kunnen stellen dat eiser zich nimmer als politiek tegenstander van de autoriteiten heeft geprofileerd en nooit problemen van de autoriteiten heeft ondervonden die de algemene negatieve bejegening jegens de Tsjetsjeense minderheid overstegen.

Voorts heeft verweerder niet ten onrechte onaannemelijk geacht dat eiser in februari 2001 zou worden gezocht, met name omdat eiser geen enkele concrete aanleiding voor die zoekactie heeft kunnen noemen. Eisers stelling dat de aanleiding was gelegen in de onder 2.2 beschreven vechtpartij tussen Russische bouwvakkers en een groep Tsjetsjenen heeft verweerder niet hoeven volgen. Niet in te zien valt immers dat eiser eerst in februari 2001 zou worden gezocht terwijl de vechtpartij zich had voorgedaan in de zomer van het jaar 2000. Eisers verklaring dat wellicht zijn naam is genoemd door een in februari 2001 opgepakte studievriend kan hieraan niet afdoen daar eiser deze stelling slechts baseert op een vermoeden zijnerzijds en voorts niet heeft kunnen aangeven waar deze studievriend van werd verdacht. Anders dan namens eiser is aangevoerd heeft verweerder voorts niet aannemelijk hoeven achten dat hij enkel op grond van Tsjetsjeense afkomst door de Russische autoriteiten zou worden gezocht.

Het vorenstaande klemt te meer nu eiser evenmin heeft kunnen aangeven door welke instantie hij zou worden gezocht. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte van belang geacht dat eiser slechts van derden heeft vernomen dat hij zou worden gezocht.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door eerst in het bestreden besluit, en niet reeds bij voornemen, onaannemelijk te achten dat hij zou worden gezocht, merkt de rechtbank op dat bovengenoemde argumenten door verweerder reeds in het voornemen naar voren zijn gebracht. Hoewel in het voornemen niet met zoveel woorden onaannemelijk wordt geacht dat eiser in de Russische Federatie werd gezocht, kan uit de in het voornemen omschreven stellingen in voldoende mate worden afgeleid dat verweerder twijfelde aan de aannemelijkheid van eisers verklaringen hieromtrent.

Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de stelselmatige discriminatie door de Russische overheid en bevolking ten aanzien van personen behorend tot de Tsjetsjeense minderheid, en meer in het bijzonder ten aanzien van hem persoonlijk, zodanige vormen had aangenomen dat hij op basis daarvan als vluchteling dient te worden aangemerkt. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Vooropgesteld wordt dat op basis van informatie uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken inzake de situatie in de noordelijke Kaukasus van 30 maart 2001 geenszins kan worden uitgesloten dat de Tsjetsjeense minderheid in de Russische Federatie geregeld het onderwerp is van discriminatie door medeburgers en door lokale autoriteiten. Discriminatie kan evenwel slechts worden beschouwd als een vorm van vervolging in de zin van het Verdrag wanneer er sprake is van een discriminatoire bejegening van zodanig substantiële aard dat het leven van de betrokken persoon als onhoudbaar moet worden aangemerkt, hetgeen betekent dat een normaal maatschappelijk functioneren niet langer mogelijk is, terwijl voorts de autoriteiten niet in staat of bereid zijn hiertegen bescherming te verlenen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser er niet op duidt dat eiser het slachtoffer is geworden van zodanig vergaande discriminatie dat normaal maatschappelijk functioneren niet meer mogelijk was. Dat het eiser na 1996 de nodige moeite kostte om tijdelijke verblijfsvergunningen te verkrijgen voor Moskou en dat hem was medegedeeld dat zijn verdere aanwezigheid op school niet langer gewenst was is uiteraard af te keuren, maar kan niet tot een ander oordeel leiden.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Voor zover eiser stelt in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt.

De vraag of een asielzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van een categoriaal beschermingsbeleid dient te worden beantwoord aan de hand van de beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Bij dit oordeel komt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen bij uitspraak van onder andere 8 november 2001 (reg. nr. 200104464/1, JV 2002/12), aan verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Blijkens voornoemde uitspraak dient de rechter het oordeel van verweerder omtrent de algehele situatie in het land van herkomst, dat is tot stand gekomen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten Generaal, in beginsel te respecteren.

Verweerder voert ten aanzien van Tsjetsjenië geen categoriaal beschermingsbeleid, omdat -kort samengevat- de mogelijkheid bestaat voor

asielzoekers afkomstig uit deze deelrepubliek, zich te onttrekken aan de slechte veiligheidssituatie in Tsjetsjenië door elders in de Russische Federatie te verblijven.

Namens eiser is aangevoerd dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte geen overwegingen heeft gewijd aan de bovengenoemde mogelijkheid, dit terwijl het tegenwerpen van dit verblijfsalternatief een vast onderdeel vormt van verweerders beleid en bovendien uitdrukkelijk bij zienswijze is betoogd dat een dergelijk verblijfsalternatief niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Eerst bij verweerschrift heeft verweerder hier overwegingen aan gewijd.

De rechtbank volgt eiser in zoverre in diens grief dat verweerder in het bestreden besluit onzorgvuldig te werk is gegaan door geen overwegingen te wijden aan eisers in de zienswijze geuite stellingen ten aanzien van het al dan niet bestaan van een verblijfsalternatief voor personen van Tsjetsjeense afkomst, elders in de Russische Federatie. Anders dan eiser meent kan dit gegeven evenwel niet leiden tot vernietiging van dit besluit omdat hierin, op goede gronden en afdoende gemotiveerd, wordt overwogen dat eiser in Moskou niet risico loopt op een door het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Hiermee wordt, zij het impliciet, tevens aangegeven dat eiser, bij gebreke van een vestigingsmogelijkheid in de deelrepubliek Tsjetsjenië, een vestigingsalternatief, en dus ook een verblijfsalternatief, heeft elders in de Russische Federatie, meer in het bijzonder in Moskou.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting in voldoende mate eisers argumenten inhoudende dat een dergelijk verblijfsalternatief hem niet kan worden tegengeworpen, heeft weerlegd.

Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij niet langer beschikt over een binnenlands paspoort, zich derhalve nergens kan laten registreren binnen de Russische Federatie en daarom niet langer een normaal bestaan kan opbouwen aldaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder evenwel terecht gewezen op de in het voornoemde ambtsbericht van 30 maart 2001 beschreven mogelijkheid voor ontheemden uit Tsjetsjenië om in de Russische Federatie een paspoort aan te vragen, zonder daarbij naar de deelrepubliek Tsjetsjenië te hoeven reizen. Voorwaarde daarbij is dat men zich kan identificeren. In dit verband heeft verweerder aannemelijk kunnen achten dat eiser zich in de Russische Federatie kan identificeren middels identiteitspapieren die zich momenteel bevinden bij zijn moeder in Ingoesjetië. Dat de bovengenoemde procedure veel tijd in beslag kan nemen en tegenwerking van de autoriteiten niet is uitgesloten, had verweerder niet tot een ander oordeel hoeven brengen.

Het argument van eiser ten slotte dat de Russische autoriteiten een beleid voeren, gericht op gedwongen terugkeer van Tsjetsjeense ontheemden naar Tsjetsjenië, heeft verweerder niet hoeven volgen. De door eiser overgelegde informatie biedt, evenals het voornoemde ambtsbericht van 30 maart 2001, weliswaar aanwijzingen dat de Russische autoriteiten een beleid voeren, gericht op terugkeer van de Tsjetsjeense minderheid naar de deelrepubliek Tsjetsjenië, maar vooralsnog bestaan geen aanwijzingen dat medewerking aan dit beleid wordt afgedwongen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerders standpunt dat geen rechtsgrond bestaat voor verlening van een verblijfsgunning asiel voor bepaalde tijd aan eiser in rechte kan stand houden. Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.G.J. Roelvink en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2003 in tegenwoordigheid van mr. J. van de Wiel als griffier.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „Hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 20 februari 2003