Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5830

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2003
Datum publicatie
14-03-2003
Zaaknummer
AWB 01/55439
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning regulier / aangeven beperking / driejarenbeleid.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het wettelijk stelsel, neergelegd in artikel 14, tweede lid, Vw 2000, in samenhang met artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000, verweerder - in het algemeen gesproken - aanvragers van een reguliere verblijfsvergunning terecht in de gelegenheid stelt een beperking als bedoeld in laatstgenoemde bepaling aan te geven. Uit dit wettelijk stelsel vloeit tevens voort dat verweerder in beginsel uit mag gaan van de door de vreemdeling aangegeven beperking, nu het aan de vreemdeling is om te bepalen met het oog op welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning aanvraagt. In bijzondere omstandigheden kan evenwel de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid met zich brengen dat verweerder afwijkt van de door de vreemdeling aangegeven beperking dan wel met (de gemachtigde van) de vreemdeling overlegt over de aangegeven beperking. Dit kan het geval zijn indien die beperking, gelet op het feitelijk gewenste verblijfsdoel, kennelijk niet aan de orde is of kennelijk op een vergissing berust. Voorts kan in overgangsrechtelijke situaties, waarin de aanvraag onder het oude recht is gedaan, aanleiding bestaan de reactie van de vreemdeling op het verzoek een beperking naar nieuw recht aan te geven, zodanig te duiden - zo nodig na overleg met (de gemachtigde van) de vreemdeling - dat recht wordt gedaan aan het bij de aanvraag beoogde verblijfsdoel.

In het licht van het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan de door de gemachtigde van eiser gegeven reactie op het verzoek een beperking aan te geven, ten onrechte de conclusie verbonden dat geen beperking was aangegeven. De rechtbank stelt vast dat de door eiser aangegeven gronden om voor een verblijfsvergunning in aanmerking te komen in de loop van de procedure niet zijn gewijzigd. Onder het huidige recht kunnen deze gronden worden gebracht onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’, neergelegd in artikel 3.4, eerste lid, onder w, en artikel 3.6, onder a, Vb 2000. Hierbij wordt opgemerkt dat blijkens hoofdstuk C2/8 Vc 2000 deze beperking is bedoeld voor staatlozen. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting verklaard dat deze beperking meer in de rede ligt dan de ‘onbenoemde’ beperking als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, Vb 2000, die zij in haar reactie van 24 mei 2002 heeft genoemd. Nu aldus de in artikel 3.4, eerste lid, onder w, Vb 2000, genoemde verblijfsbeperking op de aanvraag kan worden toegepast, voorts door verweerder niet betwist wordt dat aan eiser de Turkse nationaliteit is ontnomen en verweerder de aanvraag vóór 1 april 2001 inhoudelijk - als een reguliere aanvraag - heeft behandeld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de aanvraag aan het bij deze beperking horende beleid had moeten toetsen. Beroep in zoverre gegrond.

Met betrekking tot de stelling van verweerder dat eiser geen beroep kan doen op het driejarenbeleid omdat hij geen geldig paspoort heeft, overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel volgens het driejarenbeleid de overige afwijzingsgronden van artikel 16 Vw 2000, waaronder (onder b) het niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, blijven gelden, komt aan dit vereiste in een geval als dit, waarin in eerste instantie beoordeeld moet worden of de vreemdeling als staatloze buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, geen zelfstandige betekenis toe. Immers, indien die vraag bevestigend wordt beantwoord staat daarmee vast dat de betrokkene niet in het bezit kan worden gesteld van een paspoort, zodat dit vereiste alsdan ook niet gesteld kan worden. Beroep ook in zoverre gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.4
Vreemdelingenbesluit 2000 3.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr : AWB 01/55439 VRWET

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. G.E.M. Later, advocaat te 's-Gravenhage

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. E.J.W. Spierings, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1971, is staatloos en verblijft sedert onbekende datum als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 9 mei 1995 heeft hij een op 4 mei 1995 ondertekende aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel klemmende redenen van humanitaire aard. Op deze aanvraag is door verweerder op 24 september 1996 afwijzend beslist. Deze beschikking is door verweerder per abuis naar een onjuist adres van gemachtigde gestuurd. Op 28 mei 1998 heeft verweerder, nadat eisers gemachtigde op 11 mei 1998 naar de stand van zaken had gevraagd, een afschrift van de beschikking aan de gemachtigde doen toekomen. Op 23 juni 1998 heeft eiser tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Verweerder heeft op 22 februari 1999 naar aanleiding van een brief van de gemachtigde van eiser van 9 februari 1999 waarin deze een (herhaald) beroep op het driejarenbeleid heeft gedaan, bericht dat eiser niet in het bezit zal worden gesteld van een vergunning tot verblijf op grond van het driejarenbeleid. Eiser heeft tegen dit besluit op 4 maart 1999 een bezwaarschrift ingediend. Op 18 augustus 1999 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 4 maart 1999. Op 24 september 1999 (AWB 99/7554) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen zes weken na datum van verzending van deze uitspraak inhoudelijk dient te beslissen op het door eiser ingediende bezwaarschrift.

Op 27 september 1999 is eiser gehoord door de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV). Op diezelfde dag heeft de ACV een advies uitgebracht. Op 17 februari 2000 heeft verweerder onder verwijzing naar voornoemd advies het bezwaar van 23 juni 1998 en het bezwaar van 4 maart 1999 ongegrond verklaard. Op 7 maart 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij besluit van 23 november 2000 heeft verweerder de beschikking van 17 februari 2000 ingetrokken.

Op 18 december 2000 heeft de rechtbank het beroep van 7 maart 2000 (AWB 00/2407) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en verweerder opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak op het bezwaar te beslissen.

Op 27 maart 2001 is eiser gehoord door de Ambtelijke Commissie (AC).

Bij brieven van respectievelijk 21 mei 2001, 29 juni 2001, 27 juli 2001 en 31 augustus 2001 heeft verweerder eiser medegedeeld de beslissing op bezwaar uit te stellen.

2. Op 24 oktober 2001 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 27 mei 2002 op een enkelvoudige zitting. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr. Ch.R. Vink, ambtenaar ten departemente.

3. Bij besluit van 11 juni 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van 23 juni 1998 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2002 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Eiser heeft op 19 juli 2002 beroepsgronden ingediend tegen het besluit van 11 juni 2002. Verweerder heeft op 22 augustus 2002 een nader verweerschrift ingediend en daarin geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep, voor zover dit is gericht tegen het besluit van 11 juni 2002.

De tweede openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 november 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank zal allereerst ingaan op het beroep, voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaarschriften. In het besluit van 11 juni 2002 is weliswaar alleen met zoveel woorden het bezwaarschrift van 23 juni 1998, gericht tegen de afwijzing van de aanvraag van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard, ongegrond verklaard, maar is tevens het beroep op het driejarenbeleid afgewezen. Gelet hierop leest de rechtbank het besluit van 11 juni 2002 mede als een ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van 4 maart 1999, gericht tegen de afwijzing van het verzoek om toepassing van het driejarenbeleid.

Nu aldus op beide bezwaarschriften een beslissing is genomen, bestaat geen belang meer bij behandeling van het beroep, voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

2. De rechtbank zal nu ingaan op het beroep, voor zover dit is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van 23 juni 1998 tegen de afwijzing van de aanvraag van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

3. Eiser heeft aan zijn aanvraag, bezwaar en beroep - samengevat - ten grondslag gelegd dat hij staatloos is, omdat hem wegens het niet melden voor de militaire dienst blijkens een publicatie in de Turkse staatscourant van 30 december 1994 de Turkse nationaliteit is ontnomen. De omstandigheid dat hij niet in het bezit is van een geldig paspoort kan geen reden zijn hem een verblijfsvergunning te weigeren. Hij is immers staatloos en weigert de militaire dienst te vervullen, omdat hij principiële bezwaren heeft tegen de Koerdische bevolkingsgroep te strijden. Bovendien is het in de praktijk niet mogelijk om de Turkse nationaliteit te herkrijgen door het alsnog vervullen van de militaire dienst.

4. Verweerder stelt - samengevat - dat op het bezwaarschrift met toepassing van het materiële recht gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) moet worden beslist. Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking verband houdend met het doel waarvoor verblijf is toegestaan. Zoals blijkt uit de toelichting op deze bepaling, alsmede uit hoofdstuk B1/2.1.1 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is het niet langer mogelijk om een verblijfsvergunning zonder beperking te verlenen. Het is uitsluitend mogelijk verblijfsvergunningen te verlenen onder één van de beperkingen zoals genoemd in artikel 3.4 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en hoofdstuk B1/2.1.1 Vc 2000. Klemmende redenen van humanitaire aard worden niet gezien als een verblijfsdoel en worden derhalve niet genoemd in artikel 3.4 Vb 2000.

Gelet hierop heeft verweerder eiser op 13 mei 2002 in de gelegenheid gesteld een beperking bekend te maken zoals neergelegd in artikel 3.4 Vb 2000 dan wel hoofdstuk B1/2.1.1 Vc 2000. Eiser heeft bij brief van 24 mei 2002 van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft daarin vastgehouden aan het bij de aanvraag gekozen verblijfsdoel en betoogd dat op grond hiervan wel degelijk verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard kan worden toegekend. Eiser heeft hiertoe verwezen naar artikel 3.4, derde lid, Vb 2000.

In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 3.4, derde lid, Vb 2000, zeer terughoudend gebruik wordt gemaakt en dat daartoe - nog los van het feit dat verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard niet wordt gezien als een verblijfsdoel - ten aanzien van de aanvraag zoals die door eiser is ingediend een duidelijke noodzaak ontbreekt om deze bevoegdheid aan te wenden. In dit verband heeft verweerder opgemerkt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden asielgerelateerd zijn, zodat van eiser gevergd kon worden dat hij een aanvraag om toelating als vluchteling had ingediend.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak van 21 januari 2002 (JV 2002, 81), bevat de Vw 2000 geen inhoudelijke overgangsbepaling voor gevallen waarin die wet hangende de bezwaarfase in werking in getreden. Gelet hierop geldt hier het onmiddellijkheidsbeginsel, hetgeen wil zeggen dat het nieuwe recht direct van toepassing is. Van belang is voorts dat op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de te verrichten bestuurlijke heroverweging, behoudens zich te dezen niet voordoende uitzonderingen zoals sanctiebesluiten, in beginsel ex nunc geschiedt. De wetgever is hiervan ook uitgegaan, getuige de Memorie van Toelichting bij artikel 118 (was 113) Vw 2000, waarin de volgende passage is opgenomen:

"Opgemerkt zij, dat op het bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van de nieuwe wet. Zulks is niet bepaald, omdat het reeds volgt uit de hoofdregel van het algemene bestuursrecht dat in bezwaar ex nunc wordt beslist".

Gelet hierop dient het bestreden besluit getoetst te worden aan de hand van het bepaalde bij of krachtens de Vw 2000.

6. Uitgangspunt in die wet is dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor verblijf is toegestaan (artikel 14, tweede lid, Vw 2000).

De beperkingen zijn opgesomd in artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000. Dit noemt onder w: verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

Het derde lid van artikel 3.4 Vb 2000 luidt als volgt:

Tenzij het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven een zodanig verband houdt met de situatie in het land van herkomst dat voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van Onze Minister de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Wet noodzakelijk is, kan Onze Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, verlenen onder een andere beperking, dan genoemd in het eerste lid.

7. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het wettelijk stelsel, neergelegd in artikel 14, tweede lid, Vw 2000, in samenhang met artikel 3.4, eerste lid, Vb 2000, verweerder - in het algemeen gesproken - aanvragers van een reguliere verblijfsvergunning terecht in de gelegenheid stelt een beperking als bedoeld in laatstgenoemde bepaling aan te geven. Uit dit wettelijk stelsel vloeit tevens voort dat verweerder in beginsel uit mag gaan van de door de vreemdeling aangegeven beperking, nu het aan de vreemdeling is om te bepalen met het oog op welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning aanvraagt. In bijzondere omstandigheden kan evenwel de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid met zich brengen dat verweerder afwijkt van de door de vreemdeling aangegeven beperking dan wel met (de gemachtigde van) de vreemdeling overlegt over de aangegeven beperking. Dit kan het geval zijn indien die beperking, gelet op het feitelijk gewenste verblijfsdoel, kennelijk niet aan de orde is of kennelijk op een vergissing berust. Voorts kan in overgangsrechtelijke situaties, waarin de aanvraag onder het oude recht is gedaan, aanleiding bestaan de reactie van de vreemdeling op het verzoek een beperking naar nieuw recht aan te geven, zodanig te duiden - zo nodig na overleg met (de gemachtigde van) de vreemdeling - dat recht wordt gedaan aan het bij de aanvraag beoogde verblijfsdoel.

8. In het licht van het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan de door de gemachtigde van eiser gegeven reactie op het verzoek een beperking aan te geven, ten onrechte de conclusie verbonden dat geen beperking was aangegeven. Daartoe wordt overwogen dat eiser in zijn aanvraag en bezwaar het standpunt heeft ingenomen dat hij staatloos is en daarom niet kan terugkeren naar Turkije, hetgeen (mede) zijn oorzaak vindt in zijn weigering de militaire dienst te vervullen. Verweerder is in het primaire besluit van 24 september 1996 en het besluit op bezwaar van 17 februari 2000 inhoudelijk op deze gronden ingegaan, met inbegrip van de door eiser gestelde motieven om dienst te weigeren. Nadien is dat besluit op bezwaar op 23 november 2000 ingetrokken. Deze intrekking was gebaseerd op ontwikkelingen in de jurisprudentie ten aanzien van het algemeen advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken over Koerdische dienstweigeraars en deserteurs van 8 maart 1999. In het kader van een nieuw te nemen besluit op bezwaar is eiser op 27 maart 2001 gehoord door een ambtelijke commissie, waarbij hij is gevraagd naar zijn motieven om dienst te weigeren.

De rechtbank stelt vast dat de door eiser aangegeven gronden om voor een verblijfsvergunning in aanmerking te komen in de loop van de procedure niet zijn gewijzigd. Onder het huidige recht kunnen deze gronden worden gebracht onder de beperking 'verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken', neergelegd in artikel 3.4, eerste lid, onder w, en artikel 3.6, onder a, Vb 2000. Hierbij wordt opgemerkt dat blijkens hoofdstuk C2/8 Vc 2000, deze beperking is bedoeld voor staatlozen. De gemachtigde van de vreemdeling heeft ter zitting verklaard dat deze beperking meer in de rede ligt dan de 'onbenoemde' beperking als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, Vb 2000, die zij in haar reactie van 24 mei 2002 heeft genoemd.

Nu aldus de in artikel 3.4, eerste lid, onder w, Vb 2000, genoemde verblijfsbeperking op de aanvraag kan worden toegepast, voorts door verweerder niet betwist wordt dat aan eiser de Turkse nationaliteit is ontnomen en verweerder de aanvraag vóór 1 april 2001 inhoudelijk - als een reguliere aanvraag - heeft behandeld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de aanvraag aan het bij deze beperking horende beleid had moeten toetsen. Dat de aanvraag mede asielgerelateerde aspecten heeft - de dienstweigering - leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt hierbij op dat artikel 3.4, eerste lid, onder w, en artikel 3.6, onder a, Vb 2000, het criterium bevatten dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Voorts stelt hoofdstuk C2/8.3 Vc 2000 als één van de voorwaarden voor een verblijfsvergunning als staatloze, dat de vreemdeling niet vrijwillig afstand heeft gedaan van een eventuele eerdere nationaliteit en dat hij kan aantonen dat hij die nationaliteit niet kan herkrijgen. Nu het verlies van eisers nationaliteit een gevolg is van het niet voldoen aan zijn militaire verplichtingen in Turkije, kon de beoordeling van zijn beroep op dienstweigering in voormeld juridisch kader worden beoordeeld.

Verweerder is in het bestreden besluit op de aanvraag slechts ingegaan door met betrekking tot hetgeen door eiser is aangevoerd over de verplichting om over een geldig nationaal paspoort te beschikken, te verwijzen naar het primaire besluit van 24 september 1996. Daarmee is echter geen inhoudelijke beoordeling in de hiervoor aangegeven zin gegeven, nu niet is gerefereerd aan het thans toepasselijke beleidskader en niet op het bezwaarschrift van 23 juni 1998 is ingegaan.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit, voor zover dit betreft de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van 23 juni 1998, gericht tegen de afwijzing van de aanvraag van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard, niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en is het niet deugdelijk gemotiveerd. Dit besluit dient derhalve in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, Awb, te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.

9. De rechtbank zal nu ingaan op het beroep, voor zover dit is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van 4 maart 1999 tegen de afwijzing van het verzoek om toepassing van het driejarenbeleid.

10. Eiser heeft - samengevat - aangevoerd dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid in reguliere zaken, omdat sinds de aanvraag van 4 mei 1995 ruimschoots meer dan drie jaren zijn verstreken zonder dat een definitieve beslissing is genomen. De aanvraag is ten onrechte afgewezen op de grond dat eiser niet beschikt over een geldig nationaal paspoort. Immers, eiser is staatloos en kan daarom niet in het bezit worden gesteld van een paspoort. Eiser heeft in het nadere beroepschrift van 19 juli 2002 een geval genoemd waarin zijns inziens aan een Turkse dienstweigeraar die om die reden staatloos is geworden, een vergunning op grond van het reguliere driejarenbeleid is verleend, zonder dat het paspoortvereiste is gesteld.

11. In het bestreden besluit is het beroep op het driejarenbeleid afgewezen, omdat - samengevat - ingevolge dit beleid bij een tijdverloop van drie jaar weliswaar vrijstelling wordt verleend van de vereisten van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan, maar dat aan de overige voorwaarden voor toelating dient te worden voldaan. Daarvan is bij deze aanvraag geen sprake, nu eiser in elk geval niet in het bezit is van een geldig paspoort.

12. De rechtbank overweegt als volgt.

Nu verweerder bij de beslissing op bezwaar gehouden was het nieuwe recht toe te passen, is daarmee ook het op de Vw 2000 gebaseerde beleid van toepassing, in casu het driejarenbeleid in reguliere zaken, neergelegd in hoofdstuk B1/2.2.11 Vc 2000. Hoewel dit beleid is gebaseerd op een in de Vw 2000 neergelegde bevoegdheid en derhalve onder omstandigheden verweerder gehouden kan zijn van het in de Vc 2000 bepaalde af te wijken, is in het onderhavige geval geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder door het beroep op het driejarenbeleid te toetsen aan de Vc 2000 kennelijk onredelijk heeft gehandeld.

Ingevolge dit beleid wordt indien de procedure drie jaar heeft geduurd voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen kan worden, te weten het mvv-vereiste en het middelenvereiste. De overige afwijzingsgronden van artikel 16 Vw 2000 blijven van toepassing. Daarnaast geldt - onder meer - de voorwaarde dat het oorspronkelijk beoogde verblijfsdoel nog van toepassing is. In het onderhavige geval betekent dit dat vastgesteld had moeten worden of eiser buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, nu die verblijfsgrond aan de aanvraag ten grondslag lag. Deze beoordeling valt in belangrijke mate samen met de inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift van 23 juni 1998 tegen de afwijzing van de vergunningaanvraag van 4 mei 1995. Zoals hiervoor onder 8. is overwogen, is het bestreden besluit op dat punt niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en is het niet deugdelijk gemotiveerd, zodat hetzelfde geldt voor de in het bestreden besluit vervatte afwijzing van eisers beroep op het driejarenbeleid.

Met betrekking tot de stelling van verweerder dat eiser geen beroep kan doen op het driejarenbeleid omdat hij geen geldig paspoort heeft, overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel volgens het driejarenbeleid de overige afwijzingsgronden van artikel 16 Vw, waaronder (onder b) het niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, blijven gelden, komt aan dit vereiste in een geval als dit, waarin in eerste instantie beoordeeld moet worden of de vreemdeling als staatloze buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, geen zelfstandige betekenis toe. Immers, indien die vraag bevestigend wordt beantwoord staat daarmee vast dat de betrokkene niet in het bezit kan worden gesteld van een paspoort, zodat dit vereiste alsdan ook niet gesteld kan worden.

Ten aanzien van de in het nadere beroepschrift genoemde zaak (nr. 9410.19.0225), waarin volgens eiser aan een staatloze Turkse dienstweigeraar een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid is verleend, overweegt de rechtbank dat uit de door eiser overgelegde beschikking niet kan worden afgeleid dat dit een gelijk geval als het zijne betreft. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

Gelet op het vorenstaande dient het bestreden besluit, voor zover dit betreft de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van 4 maart 1999 tegen de afwijzing van het verzoek om toepassing van het driejarenbeleid, wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, Awb, te worden vernietigd. Het beroep is ook in zoverre gegrond.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding om zoals door eiser bepleit zelf in de zaak te voorzien, nu niet is gebleken dat bij het nemen van nieuwe besluiten op bezwaar slechts één beslissing mogelijk is.

14. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze veroordeling ziet mede op de kosten in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaarschriften, nu vaststaat dat deze beslissing niet binnen de wettelijke termijn is genomen.

De kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1127,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het nadere beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep, voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op eisers bezwaarschriften van 23 juni 1998 en 4 maart 1999 niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep voor het overige gegrond;

3. vernietigt het besluit van 11 juni 2002, waarbij de bezwaarschriften van 23 juni 1998 en 4 maart 1999 ongegrond zijn verklaard:

4. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op de bezwaarschriften neemt;

1. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1127,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

2. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 102,10 (f 225,-) vergoedt.

Aldus gedaan door mrs E. Dijt, G.P. Kleijn en G.L.M. Urbanus en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2003, in tegenwoordigheid van drs. F.J.M. van den Berg, griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op: