Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5571

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
09/074043-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/074043-02

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 10 maart 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 februari 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr H. Anker en mr J. Boksem, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Koorn heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 telastgelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van 12 maanden onvoorwaardelijk.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4381,91 (te weten de posten 1 en 2) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige (post 3 en de kosten voor rechtsbijstand).

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De nietigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van feit 2.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 telastgelegde de nietigheid van de dagvaarding ingeroepen, aangezien niet duidelijk is of verdachte nu wordt vervolgd voor overtreding van het verbod van artikel 7, lid 1 aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW 1994) of voor overtreding van het verbod van artikel 7, lid 1 aanhef en onder b van de WVW 1994. De raadsman heeft voorts, indien de rechtbank uitgaat van een vervolging ten aanzien van overtreding van het verbod van artikel 7, lid 1 aanhef en onder a van de WVW 1994, terzake een beroep gedaan op uitsluiting van strafvervolging, wegens de zelfmelding van verdachte ex artikel 184 van de WVW 1994.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verduidelijkt dat hij beoogd heeft verdachte uitsluitend te vervolgen terzake overtreding van het verbod van artikel 7, eerste lid, aanhef onder a van de WVW 1994. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat voldoende duidelijk is (geworden) hetgeen verdachte wordt verweten, zodat zij het beroep op nietigheid van de dagvaarding verwerpt. Op grond van artikel 184 van WVW 1994 is strafvervolging tegen de overtreder van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van WVW 1994 uitgesloten, indien deze binnen twaalf uur na het verkeersongeval en voordat hij als verdachte is aangehouden of verhoord, vrijwillig van het ongeval kennis heeft gegeven aan een met de opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaar en daarbij zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens de identiteit van dat motorrijtuig bekend maakt.

Uit de stukken is gebleken dat het ongeval op 11 december 2001 om ongeveer 16.20 uur heeft plaatsgevonden. Voorts is gebleken dat [betrokkene] met medeweten van verdachte diezelfde dag om omstreeks 18.30 uur heeft gebeld naar de meldkamer van de politie met de mededeling dat de door verdachte die dag bestuurde groene stationauto welke mogelijk bij de aanrijding betrokken was geweest nog op het terrein van Endegeest stond geparkeerd en dat de bestuurder daarvan zich bevond in een polikliniek aan de overzijde van de Endegeesterstraatweg. De politie is hierop gekomen, waarop verdachte zijn identiteit en die van de bewuste auto bekend heeft gemaakt. Vervolgens is verdachte aangehouden en verhoord. Op grond van het vorenstaande is strafvervolging van verdachte uitgesloten, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging.

Deze beslissing brengt mee dat de rechtbank geen uitspraak doet over de vraag of verdachte heeft gemerkt dat hij het slachtoffertje had aangereden.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsoverweging.

De raadsman heeft primair aangevoerd dat er slechts aanwijzingen aanwezig zijn in het dossier dat zijn cliënt met zijn voertuig bij het tragische ongeval betrokken is geweest. Een en ander is echter niet vast komen te staan, zodat zijn cliënt reeds hierom dient te worden vrijgesproken van het telastgelegde. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat er geen sprake is van de in artikel 6 van de WVW 1994 vereiste aanmerkelijke schuld van zijn cliënt aan het ongeval, zodat vrijspraak zou moeten volgen.

Voorop staat dat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat het verdachte is geweest die met zijn auto het ongeval heeft veroorzaakt. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij op 11 december 2002 op het terrein van Endegeest even na 16 uur in een donkergroene Volvo stationcar is gestapt, daarmee een stukje achteruit is gereden en vervolgens na even stil te hebben gestaan vooruit is weggereden. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het verrichten van deze manoeuvres een mevrouw heeft zien staan met kinderen. Uit de verklaringen van mevr. [getu[getuige] en[getuige] blijkt dat zij rond 16.15 uur met een groep kinderen over het terrein van Endegeest liepen en toen daar een donkergroene stationauto hebben gezien, die voornoemde manoeuvres maakte. Over een andere auto wordt door hen niet gesproken. Ter terechtzitting heeft verdachte bovendien toen hem een plattegrond van de plaats van het ongeval werd getoond, verklaard dat dat inderdaad de plaats was waar hij op 11 december 2001 even na 16.00 uur met zijn auto had gereden en heeft hij aangewezen hoe hij toen en daar had gereden.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 11 december 2001 te Oegstgeest zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van artikel 6 WVW 1994. Zij overweegt daartoe het volgende:

Verdachte is op 11 december 2001 uit het kasteel op het terrein van Endegeest in Oegstgeest gekomen. Even na 16 uur is hij naar zijn half in de zachte berm langs een weg op dat terrein geparkeerde donkergroene Volvo stationauto gelopen. Toen hij dit deed zag hij vlakbij op een wandelpad een mevrouw met een aantal jonge kinderen staan. Deze mevrouw was voornoemde [getuige], die samen met voornoemde [getuige] een groep van 13 kinderen in de leeftijdsgroep van anderhalf tot vier jaar oud begeleidde op weg naar het kinderdagverblijf op het terrein van Endegeest. Verdachte is vervolgens in zijn auto gestapt, heeft deze gestart en in zijn achteruit gezet. Hierop is hij naar achteren gereden (naar eigen zeggen ter terechtzitting om een achter hem staande auto heen) en in een bocht om de op dat moment links van hem staande groep kinderen met begeleidsters op het wandelpad. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het achteruit rijden langs het wandelpad de groep heeft zien staan. Vervolgens is verdachte gestopt en heeft hij vooruit zijn weg vervolgd. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat [slachtoffer] (hierna: het slachtoffertje) van ruim anderhalf jaar oud op dit moment zijn weg in het verlengde van het wandelpad heeft vervolgd en is overgestoken. Hierop heeft verdachte hem aan de voorzijde geraakt met zijn auto, waardoor hij ten val is gekomen. Vervolgens heeft verdachte hem - gelet op de bandensporen over de rechterkant van het jasje van het slachtoffertje - met zijn linkerwiel overreden tijdens zijn bocht naar rechts terwijl hij zijn weg vervolgde in de richting van het receptiegebouw. Het slachtoffertje is als gevolg van deze aanrijding overleden.

Verdachte heeft hierbij aanmerkelijk onoplettend gehandeld en heeft daarmee schuld aan het fatale ongeval. Voorop staat dat ten aanzien van jonge kinderen zoals het slachtoffer een hogere graad van voorzichtigheid is geboden voor deelnemers in het verkeer. Jeugdige kinderen hebben een - aan hun leeftijd eigen - beperkt inzicht in het aan hun gedragingen verbonden gevaar. Verdachte heeft dit onvoldoende onderkend. In het onderhavige geval betekent dit dat verdachte toen hij de groep met zeer jonge kinderen zag, wetende dat hij als bestuurder van een auto, daarmee op zijn minst een veel sterkere verkeersdeelnemer was, een andere voor hem openstaande keuze had moeten maken. Zo had hij ervoor kunnen kiezen zijn auto te keren op de weg waar deze geparkeerd stond en zo de groep van begeleidsters en jonge kinderen te ontzien. Ook had hij ervoor kunnen kiezen nog voor het achteruit rijden de door hem reeds opgemerkte groep voorrang te geven, opdat hij tijdens zijn nog uit te voeren speciale manoeuvre zeker wist dat de groep niet meer in de buurt was. Tenslotte had verdachte zijn achteruitrijdmanoeuvre kunnen verlengen, zodat hij vervolgens vooruit op een grotere afstand langs de kinderen had kunnen rijden en niet met zijn auto over het stuk weg dat in het verlengde van het wandelpad lag had hoeven rijden.

Daarbij komt dat het slachtoffertje een fel geel gekleurd jasje droeg en groot genoeg was om door verdachte gezien te kunnen worden toen hij zich voor de auto bevond. Bovendien is het slachtoffertje niet is afgeweken van zijn reeds ingezette looprichting.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte met een, gelet op de situatie ter plaatse en de voor dat terrein toegestane snelheid, te hoge snelheid reed toen hij het slachtoffertje raakte. Weliswaar hebben de getuigen [getuige] en [getuige] zich in die zin uitgelaten, maar grote behoedzaamheid past bij de waardering van hun verklaringen op dit punt. In de eerste plaats is niet geheel duidelijk of hun verklaringen betrekking hebben op de snelheid van de auto van verdachte bij het uitvoeren van zijn manoeuvre vooruit, voordat hij het slachtoffertje aanreed, danwel op de snelheid van dienst auto toen hij daarna doorreed. Bovendien gebruiken de getuigen kwalificaties waaruit blijkt van een in hoge mate subjectieve indruk van de snelheid van de auto van verdachte. Tenslotte dient in aanmerking te worden genomen dat de getuigen deze verklaringen hebben afgelegd toen zij al op de hoogte waren van de fatale afloop van het ongeval, hetgeen hun verklaringen op dit punt mogelijkerwijs - hoe onbewust ook - heeft gekleurd.

Gelet op al het hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de lichtste vorm van strafrechtelijk relevante schuld kan worden verweten aan het fatale ongeval.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en bijkomende straf zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen straf en bijkomende straf het volgende overwogen.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onoplettend gehandeld, door in de nabijheid van een groep zeer jonge kinderen niet de van hem te verwachten norm van oplettendheid in acht te nemen. Door deze handelwijze is de anderhalf jarige [slachtoffer] als gevolg van een verkeersongeval komen te overlijden. Hierdoor is veel leed en een blijvende leegte bij diens familie en directe omgeving ontstaan.

De officier van justitie is met de hoogte van zijn eis uitgegaan van bewezenverklaring van beide aan verdachte telastgelegde feiten. Gelet op het feit dat de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk acht in zijn vervolging ten aanzien van het tweede feit, alsmede gelet op het blanco strafblad van verdachte, zal de rechtbank een lagere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank volgt de officier van justitie wel in diens eis ten aanzien van de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

De vordering van de benadeelde partij.

[benadeelde partij] en [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], hebben zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 20.363,01, alsmede pro memorie ter terechtzitting aangevoerde kosten voor rechtsbijstand € 1.500,=.

Deze vordering, voorzover deze betrekking heeft op de posten 1 en 2 (uitvaart en grafsteen), is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 1 primair aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij voor dit deel ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering voor dat deel toewijzen.

Voorzover de vordering betrekking heeft op post 3 (immateriële schade), zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien nabestaanden naar huidig recht in een geval als het onderhavige geen recht op immateriële schadevergoeding toekomt.

Voorzover de vordering betrekking heeft op de kosten van rechtsbijstand (€ 5.981,10 + pro memorie € 1.500,=) merkt de rechtbank allereerst op dat dit geen rechtstreekse schade is in de zin van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte zal wel veroordeeld worden in de proceskosten die redelijkerwijs door de benadeelde partij zijn gemaakt. Hieromtrent overweegt de rechtbank dat aan de hand van de overgelegde producties, niet zijnde urenspecificaties, niet kan worden vastgesteld met welke werkzaamheden genoemde kosten zijn gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de benadeelden in alle redelijkheid gebruik hebben gemaakt van hun recht op rechtsbijstand, het door de advocaat opgevoerde aantal uren van deze rechtsbijstand onredelijk hoog is. De rechtbank schat een billijk aantal uren voor rechtsbijstand op de helft van het opgevoerde aantal uren, waardoor de kosten voor rechtsbijstand op een bedrag van € 4.500,=, inclusief de pro memorie opgevoerde kosten, worden begroot.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175, 184 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing.

De rechtbank,

spreekt uit de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie met betrekking tot het onder feit 2 telastgelegde;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 WEGENVERKEERSWET 1994, TERWIJL HET EEN ONGEVAL BETREFT WAARDOOR EEN ANDER WORDT GEDOOD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 100 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 50 DAGEN;

veroordeelt verdachte voorts tot:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 MAANDEN;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij] en [benadeelde partij], wonende te [adres] (bank- of gironummer [nummer]), een bedrag van € 4.381,91, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op € 4.500,=, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, en dat deze haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Krekel en Derijks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Schuurmans, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2003.

parketnummer 09/074043-02