Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5514

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2003
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
09/754024-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/754024-02

rolnummer 0004

's-Gravenhage, 10 maart 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zuid West,

Huis van Bewaring De Dordtse Poorten te Dordrecht.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 februari 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.H.L.C.M. Kuijpers, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. J.S. de Vries heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij nadere omschrijving van de dagvaarding onder 1, 2 en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen goederen genummerd 11, 12, 13, 14a, 14b, 14c, 14, 37 en 73 zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1.

Verweer onrechtmatig verkregen bewijs.

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd, dat de start van het onderzoek van de politie was gelegen in CIE-informatie van 18 december 2001 met betrekking tot een transport van verdovende middelen in ketjap. Op basis van bevindingen uit dit onderzoek is [verdachte] als verdachte aangemerkt. De raadsman is van mening dat naar aanleiding van voornoemde CIE-informatie en reeds verkregen informatie uit tapverslagen, op dat moment jegens [verdachte] geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit aanwezig was met als gevolg dat de bijzondere opsporingsmiddelen ten onrechte zijn ingezet en het hierop volgende bewijs tegen [verdachte] onrechtmatig is verkregen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De verdenking jegens verdachte en de grondslag voor het inzetten van bijzondere opsporingsmiddelen is rechtstreeks terug te voeren op het strafrechtelijk onderzoek naar [betro[betrokkene]. Uit in dit onderzoek tegen [betrokkene] afgeluisterde telefoongesprekken blijkt van enkele door verdachte op 11 en 12 februari 2002 gevoerde telefoongesprekken met [betrokkene] en enkele andere personen. De inhoud van die gesprekken kan als cryptisch worden omschreven en naar ervaringsregels als crimineel worden bestempeld. Meer in het bijzonder wijst de rechtbank op de inhoud van de telefoongesprekken van verdachte op 11 februari 2002 om 10.16 uur en 10.55 uur en het telefoongesprek op 12 februari 2002 om 10.16 uur (blz. 337 van het methodieken proces-verbaal). Op grond hiervan en gelet op de inhoud van het verdere onderzoek is de rechtbank van oordeel dat er jegens verdachte op dat moment sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, tengevolge waarvan [verdachte] terecht als verdachte is aangemerkt.

In casu is ook overigens voldaan aan de vereisten voor de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen en het daaruit verkregen bewijs is derhalve niet onrechtmatig verkregen.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij nadere omschrijving van de dagvaarding onder 1, 2 en 3 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft in de periode van 1 december 2001 tot en met 14 juli 2002 deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich toelegde op de invoer van cocaïne vanuit Venezuela. Voorts is verdachte op na te melden wijze betrokken geweest bij de invoer van ten minste 6 transporten van grote hoeveelheden cocaïne naar Nederland en is hij tevens betrokken geweest bij het op de markt brengen van voormelde cocaïne.

Met betrekking tot de criminele organisatie en de invoer van de cocaïne heeft verdachte een coördinerende rol vervuld. Mede door hem werden afspraken gemaakt met anderen binnen de organisatie om koffers en rugzakken met cocaïne via handlangers vanuit vliegtuigen langs de douane van Schiphol te sluizen, waarna de verdovende middelen door anderen werden afgenomen en op de markt werden verspreid. Op deze manier zijn mede door toedoen van verdachte grote hoeveelheden verdovende middelen gedurende een langere periode op de Nederlandse markt terechtgekomen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij handelde uit puur financieel gewin en volstrekt geen oog heeft gehad voor de maatschappelijke problemen die de handel cocaïne met zich brengt. Cocaïne is een stof, waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben de stof op de markt te brengen dienen daarom streng te worden bestraft.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een op naam van verdachte staand uittreksel van het algemeen documentatieregister d.d. 17 juli 2002, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder -doch niet voor soortgelijke strafbare feiten- is veroordeeld.

Gelet op de coördinerende rol van verdachte, de periode van de invoer en de hoeveelheid van de verdovende middelen acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 11, 12, 13, 14a, 14b, 14c, 14, 37 en 73 te weten:

div. afschriften onv [verdachte] en [betrokkene]; 1 autosleutel van een Volkswagen incl. afstandsbediening; 1 koopcontract; 2 paspoorten onv. [verdachte]; 1 vliegticket van de KLM; 1 papier met telefoonnummers en 2 boardingkaarten;

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende Lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij nadere omschrijving van de dagvaarding onder 1, 2 en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;

ten aanzien van feit 2:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 3:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 15 juli 2002,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 18 juli 2002,

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 11, 12, 13, 14a, 14b, 14c en 14 te weten:

div. afschriften onv [verdachte] en [betrokkene]; 1 autosleutel van een Volkswagen incl. afstandsbediening; 1 koopcontract; 2 paspoorten onv. [verdachte]; 1 vliegticket van de KLM; 1 papier met telefoonnummers en 2 boardingkaarten;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Nijman en Van der Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Blommesteyn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2003.

parketnummer 09/754024-02