Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5215

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
24-04-2003
Zaaknummer
AWB 03/5056 BEPTDN A S7 en AWB 03/5057 BEPTDN A S7
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / Centraal-Irak / identiteit.

Het betreft een vierde asielaanvraag. De eerste twee aanvragen zijn niet ingewilligd vanwege twijfel aan de identiteit van de vreemdeling. Bij de derde aanvraag heeft verweerder dit niet meer opgeworpen. Verweerder is uitgegaan van de door de vreemdeling gestelde Centraal-Iraakse identiteit en heeft op inhoudelijke gronden de aanvraag niet ingewilligd. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond bevonden. De vraag rijst of nu, naar aanleiding van het vigerende categoriale beschermingsbeleid, verweerder bij beoordeling van de vierde aanvraag uit heeft te gaan van de in de derde procedure door aanvrager gestelde identiteit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit inderdaad zo moet zijn. Redengevend hiervoor is dat verweerder bij beoordeling van de derde aanvraag blijkens de bip en de bob is uitgegaan van de Centraal-Iraakse nationaliteit en dat na het onherroepelijk worden van het derde besluit geen nova zijn gesteld door verweerder op grond waarvan (wederom) twijfel omtrent de identiteit kan ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat strijdig met het rechtszekerheidbeginsel opnieuw de identiteit ter discussie is gesteld.

Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86, geldigheid: 2003-02-14
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2003-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Regnrs.: AWB 03/5056 BEPTDN A S7 en AWB 03/5057 BEPTDN A S7

uitspraak: 14 februari 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1977,

van Iraakse nationaliteit,

IND-dossiernummer: 9606.18.2043,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.M.C. de Kok, advocaat te Boxtel,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. A Wildeboer, ambtenaar ten departemente.

PROCESVERLOOP

Op 19 januari 2003 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft bij beschikking van 23 januari 2003 afwijzend op de aanvraag beslist.

Bij beroepschrift van 23 januari 2003 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de beschikking van 23 januari 2003. Dit beroep is geregistreerd onder AWB 03/5057 BEPTDN A S7. Verzoeker is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 23 januari 2003 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep wordt beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de voorzieningenrechter en verzoeker gezonden. De openbare behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 7 februari 2003. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

MOTIVERING

Ontstaan en verloop van de procedure

Verzoeker heeft op 18 juni 1996 voor de eerste maal een aanvraag om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard ingediend. Beide aanvragen zijn door verweerder niet ingewilligd. Bij uitspraak van 20 januari 1998 heeft de president van de rechtbank 's-Gravenhage, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, het tegen deze beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Op 28 januari 1998 heeft verzoeker voor de tweede maal als hiervoor bedoelde aanvragen ingediend, welke door verweerder eveneens zijn afgewezen. Bij uitspraak van 2 maart 1998 heeft de president van de rechtbank 's-Gravenhage het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Op 16 september 1999 heeft verzoeker voor de derde maal een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Hierop heeft verweerder op 4 augustus 1999 afwijzend beslist. Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op 11 augustus 2000 het bezwaar ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 1 september 2000 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen deze beschikking. Bij uitspraak van 16 oktober 2001 van de rechtbank 's-Gravenhage, is het beroep ongegrond verklaard

Verzoeker heeft op 19 januari 2003 opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend in verband met het categoriaal beschermingsbeleid voor Centraal-Irakezen.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt het niet geloofwaardig is te achten dat verzoeker afkomstig is uit B. Ook indien er van wordt uitgegaan dat verzoeker de Iraakse nationaliteit zou bezitten is niet aannemelijk gemaakt dat hij uit Centraal-Irak (de plaats B) afkomstig is.

Over zijn directe woon-en leefomgeving heeft hij vage, onvoldoende en onjuiste verklaringen afgelegd. Een aantal elementaire vragen over zijn directe woonomgeving heeft verzoeker grotendeels incompleet danwel onjuist beantwoord.

Onderzoek of het door verzoeker overgelegde nationaliteitsbewijs authentiek is acht verweerder niet nodig nu blijkens het ambtsbericht van 15 november 2002 aan een dergelijk onderzoek weinig waarde kan worden gehecht bij de beoordeling van de identiteit en herkomst van in casu verzoeker en verzoeker op geen enkele wijze middels zijn verklaringen zijn gestelde herkomst uit B aannemelijk heeft gemaakt.

Volgens verweerder bestaat er, nu er geen geloof wordt gehecht aan de identiteit, herkomst en het asielrelaas van verzoeker, geen aanleiding hem in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte in de AC-procedure is afgedaan. Zijns inziens is de procedure ten aanzien van hem onzorgvuldig geweest. Voorts begrijpt verzoeker niet waarom thans wederom ter discussie staat of hij al dan niet uit B gelegen in Centraal-Irak komt, nu uit het besluit van 11 augustus 2000 en de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 oktober 2001 blijkt dat verweerder toen, anders dan in de twee eerdere procedures, er van uitging dat verzoeker afkomstig was uit Irak en de Iraakse nationaliteit had. Verzoeker is van mening dat hiermee het vertrouwensbeginsel is geschonden.

Beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoeker is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

Ten aanzien van verzoekers stelling dat de procedure onzorgvuldig is geweest omdat hij te weinig tijd heeft had om de zaak zorgvuldig voor te bereiden, overweegt de voorzieningenrechter dat niet gebleken is dat de beschikking genomen is in strijd met het bepaalde in artikel 3.117 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en in C3/12.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Hetgeen verzoeker in dit kader heeft aangevoerd laat de voorzieningenrechter dan ook verder onbesproken.

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of verweerder zich met het in kracht van gewijsde gaan van meergenoemde uitspraak van deze rechtbank van 16 oktober 2001 gebonden moet achten aan de destijds zijdens verweerder onweersproken gelaten door verzoeker gestelde identiteit waarvan het bestreden besluit van 11 augustus 2000 blijk geeft.

De voorzieningenrechter overweegt ter zake dat de vraag rijst of wanneer met een rechterlijk oordeel een bestuursrechtelijk geschil beslecht wordt de tussen partijen vastgestelde rechtsverhouding voor altijd vastligt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit in beginsel rechtens juist is. Hetzelfde geldt evenzeer voor beschikkingen waartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan, doch deze beroepsgang ongebruikt is gebleven. Er mag dan -in beginsel - van worden uitgegaan dat dit al dan niet door de rechter getoetste besluit zowel voor wat haar wijze van totstandkomen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Het hiervoor geduide uitgangspunt is evenwel niet absoluut. Zo kan, indien er na het bestreden besluit nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden, dit consequenties hebben voor de duiding van de rechtsverhouding zoals die eerder bij rechterlijk oordeel of onbestreden besluit is vastgesteld. In dit verband wordt verwezen naar hetgeen voor justitiabelen ingevolge artikel 4:6 Awb geldt.

Blijkens de dossierstukken en het verhandelde ter zitting zijn er door verweerder geen nieuwe feiten en omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een na de rechterlijke uitspraak van 16 oktober 2001 gebleken bedrog aan de zijde van eiser, gesteld. Blijkens het besluit in primo van 4 augustus 1999 (pagina 2) en het besluit op bezwaar van 11 augustus 2000, na het doen uitvoeren van een taalanalyse, heeft verweerder zijn eerdere standpunt aangaande zijn twijfels over identiteit en nationaliteit laten varen en is verweerder van de door verzoeker gestelde Iraakse identiteit uitgegaan. Hierbij is, gelet op het feit dat verweerder als vestigingsalternatief Noord-Irak heeft opgeworpen, uitgegaan van Centraal-Irak als gebied van herkomst. Immers, aan vreemdelingen afkomstig uit Noord-Irak wordt niet als "vestigingsalternatief" het gebied waar men vandaan komt, Noord-Irak dus, tegengeworpen. Dit is dan ook de rechtsverhouding waarvan de rechtbank, getuige haar uitspraak van 16 oktober 2001, is uitgegaan. Niet gezegd kan worden dat het verweerder niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend had kunnen zijn, dat verzoeker wellicht niet de door hem gestelde identiteit en herkomst had; dit aspect maakte immers onderdeel uit van het geschil in de eerste twee procedures. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank verweerder aan diens in de derde procedure ingenomen standpunt, dat verzoeker afkomstig is uit Centraal-Irak, gebonden en stond het verweerder niet vrij dit -wezenlijke- aspect van de rechtsverhouding in het licht van de nieuwe aanvraag opnieuw ter discussie te stellen.

De voorzieningenrechter is gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat verweerder strijdig met het rechtszekerheidbeginsel de door verzoeker gestelde identiteit opnieuw heeft bezien. Het bestreden besluit komt mitsdien voor vernietiging in aanmerking.

Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen.

Nu verzoeker de behandeling van zijn aanvraag in Nederland mag afwachten en het stadium van de procedure zich, door gegrondverklaring van het beroep en daarmee de vernietiging van het bestreden besluit, wederom bevindt in de aanvraagfase, heeft verzoeker geen belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is derhalve ongegrond.

Voor vergoeding van de kosten die verzoeker in verband met het indienen van het verzoekschrift en het beroepschrift heeft moeten maken bestaat aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening bekend onder nummer AWB 03/5056 BEPTDN A S7 af;

-verklaart het beroep, bekend onder nummer AWB 03/5057 BEPTDN A S7, gegrond.

-vernietigt het bestreden besluit van 23 januari 2003;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 966,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan verzoeker moet voldoen.

Tegen deze uitspraak ten aanzien van het gedeelte waarin op het beroep is beslist, kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Aldus gegeven door mr. C.J.R. de Locht, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.B.A. Mensink als griffier op 14 februari 2003.

Afschrift verzonden op: 14 februari 2003