Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5205

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-01-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/53548 VRWET
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongehuwdverklaring / legalisatie / driejarenbeleid.

Eiser heeft een aanvraag voor vtv bij partner en het verrichten van loonarbeid gedaan. Eiser heeft in de beroepsprocedure alsnog de vereiste documenten overgelegd. Deze documenten zijn na een langdurige procedure geverifieerd en akkoord bevonden door de minister van Buitenlandse Zaken.

Verweerder stelt dat deze stukken te laat zijn ingediend en buiten beschouwing dienen te blijven gelet op de ex-tunctoetsing.

De rechtbank is van oordeel dat in casu bezwaarlijk voorbij kan worden gegaan aan het aanzienlijke tijdsverloop sinds de aanvraag is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank mag van een bestuursorgaan, dat in de loop van de beroepsprocedure de onjuistheid van het genomen besluit inziet en aankondigt het besluit in te trekken, worden verwacht dat het binnen een redelijke termijn opnieuw in de zaak voorziet en met aandacht voor omstandigheden die voor de nieuwe beslissing van belang kunnen zijn. Het bestreden besluit schiet hierin te kort. De rechtbank oordeelt dat het op de weg van verweerder zou hebben gelegen om navraag te doen wat de stand van zaken was in de procedure ter legalisatie van de ongehuwdverkaring alvorens uitspraak te doen. In aanmerking genomen dat de beslissing in die procedure aanstaande was, zou een aanhouding van het besluit in de rede hebben gelegen. In het geval een positieve beslissing van Buitenlandse Zaken zou leiden tot een nieuw toelatingsverzoek waarbij het mvv-vereiste zou worden tegengeworpen, zou op deze wijze verder tijdverlies kunnen worden vermeden. Voorts lag een uitstel van het besluit in de rede omdat uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat in het geval van eiser sprake is van drie jaar relevant tijdsverloop. Daaraan staat noch het mvv-vereiste noch de inkomenseis in de weg, zodat de zaak zich toespitst op het al dan niet ontbreken van een geverifieerde ongehuwdverkaring. Het besluit van verweerder voldoet niet aan de zorgvuldigheidseis neergelegd in artikel 3:2 Awb.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 71 Vreemdelingenwet

Reg.nr : AWB 02/53548 VRWET

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. C.T.G. van Schie, advocaat te Nijmegen

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. M. Voorn, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1968, bezit de Nigeriaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 20 januari 1995 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 15 oktober 1998 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij Nederlandse partner B en het verrichten van loonarbeid. Deze aanvraag is op 12 januari 1999 buiten behandeling gesteld. Eiser heeft tegen die beslissing op 1 februari 1999 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 6 april 1999 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze beslissing op 28 april 1999 beroep ingesteld. Bij brief van 11 april 2000 heeft verweerder meegedeeld de beslissing op bezwaar van 6 april 1999 niet langer te handhaven.

Bij besluit van 26 oktober 2001 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat de door eiser ingediende aanvraag alsnog in behandeling wordt genomen. Op deze aanvraag is door verweerder op 5 februari 2002 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit op 26 februari 2002 een bezwaarschrift ingediend. Op 19 juni 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Op 11 juli 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen teneinde zijn uitzetting hangende beroep te voorkomen. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 januari 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig eisers partner, mevrouw B.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000), Stb. 2000, 495.

Nu het bestreden besluit is bekend gemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende recht van toepassing.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit, in het licht van de daartegen aangevoerde gronden, de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

3. Aan de tussen partijen gevoerde procedure ligt ten grondslag de op 15 oktober 1998 door eiser gedane aanvraag om vergunning tot verblijf met als doel verblijf bij Nederlandse partner B en het verrichten van loonarbeid. Van de zijde van eiser is in de loop van de procedure tevens uitdrukkelijk een beroep gedaan op het driejarenbeleid.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat het driejarenbeleid, zoals dat sedert 1 april 2001 is gewijzigd, eiser niet baat, omdat dit beleid weliswaar het inkomens- en mvv-vereiste terzijde stelt, maar onverlet laat dat eiser niet voldoet aan het vereiste dat hij beschikt over officiële gelegaliseerde en geverifieerde documenten die zijn ongehuwde staat aantonen.

5. Eiser heeft in de beroepsprocedure alsnog de vereiste - na een langdurige procedure eerst op 18 juli 2002 namens de Minister van Buitenlandse Zaken geverifieerde en akkoord bevonden - documenten overgelegd. Tevens heeft eiser op grond van die documenten een tweede toelatingsverzoek van gelijke strekking ingediend.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op de toetsing ex tunc, die in beroep behoort plaats te vinden, bedoelde stukken te laat zijn ingediend en derhalve buiten beschouwing dienen te blijven. De gemachtigde heeft daarbij nog opgemerkt dat deze stukken bij de behandeling van de nieuwe aanvraag kunnen worden meegenomen.

7. Van de zijde van eiser is dit laatste betwist. Zijn gemachtigde heeft er daarbij op gewezen dat hem naar aanleiding van de nieuwe aanvraag reeds te verstaan is gegeven dat het mvv-vereiste onverkort zal worden tegengeworpen, en dat correspondentie over dit onderwerp, waarin eiser gemotiveerd en onder verwijzing naar de onderhavige procedure om het niet tegenwerpen van het mvv-vereiste had verzocht, niets heeft opgeleverd.

Eiser heeft ter zitting een beroep gedaan op recente jurisprudentie van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, waarin op basis van een aanbeveling van de Commissie Evaluatie AWB - beter bekend onder de naam Commissie Boukema - is overgegaan tot een toetsing ex nunc in de beroepsfase. Eisers gemachtigde stelt zich op het standpunt dat met name in het onderhavige geval, waarin het gaat om een aanvraag die reeds uit 1998 dateert en waarin de Minister van Buitenlandse Zaken eerst na een moeizame en tijdrovende procedure en na beleidswijziging alsnog de reeds jaren voordien ter verificatie overgelegde stukken heeft geaccordeerd, verweerder deze stukken (alsnog) in zijn besluitvorming had dienen te betrekken en vervolgens tot inwilliging van de aanvraag om toelating had dienen over te gaan.

8. De rechtbank is met de gemachtigde van eiser van oordeel dat in het onderhavige geval bezwaarlijk valt voorbij te zien aan het zeer aanzienlijke tijdsverloop sedert de aanvraag in kwestie.

Met name springt daarbij in het oog dat verweerder op 11 april 2000, blijkens zijn brief van die datum, zich heeft gedistantieerd van de besluiten die hij naar aanleiding van de aanvraag en het bezwaarschrift van eiser had genomen. De aankondiging in die brief dat het besluit van 6 april 1999 tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag niet langer werd gehandhaafd, heeft eerst 1 1/2 jaar later tot een nieuwe beslissing van verweerder geleid. Die beslissing, gedateerd 26 oktober 2001, behelsde bovendien wederom geen besluit met een inhoudelijk karakter. Volstaan werd met het alsnog gegrond-verklaren van het bezwaarschrift waarop verweerder in zijn (reeds op 11 april 2000 teruggenomen) besluit had beslist. Eerst op 5 februari 2002 heeft verweerder een nieuw (afwijzend) besluit genomen. Het daartegen ingediende bezwaarschrift is bij het thans aangevallen besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat van een bestuursorgaan, dat in de loop van de beroepsprocedure de onjuistheid van zijn jegens de betrokkene genomen besluiten inziet en aankondigt deze terug te nemen, mag worden verlangd dat het binnen een redelijke termijn opnieuw in de zaak voorziet en daarbij met zorgvuldigheid te werk gaat en met aandacht voor omstandigheden die voor de nieuwe beslissing van belang kunnen zijn.

Het bestreden besluit schiet in beide opzichten tekort. Tussen de aankondigingsbrief van 11 april 2000 en het besluit van 5 februari 2002 liggen niet minder dan bijna 22 maanden. De 3 1/2 maand eerder op 26 oktober 2001 genomen tussen-beslissing tot gegrondverklaring van eisers bezwaren, lag reeds meer dan drie jaar na de aanvraag waarop die beslissing betrekking had. Noch voor de voortdurende overschrijdingen van de beslistermijn, noch voor de omstandigheid dat verweerder het nodig heeft geoordeeld om tot tweemaal toe op de aanvraag en tot driemaal toe op de bezwaren van eiser te beslissen - als gevolg waarvan het lot van de litigieuze aanvraag uit 1998 door de Vreemdelingenwet 2000 wordt beheerst - wordt in het dossier enige verklaring aangetroffen.

De rechtbank is, gelet op de hierboven beschreven handelwijze van verweerder, van oordeel dat het op de weg van verweerder zou hebben gelegen om, alvorens op 19 juni 2002 andermaal op het bezwaarschrift van eiser te beslissen, navraag te doen wat de stand van zaken was van de door eiser reeds geruime tijd voordien aangespannen procedure ter legalisatie/verificatie van zijn ongehuwdverklaring. Een aanhouding van de beslissing zou, in aanmerking genomen dat de beslissing in het legalisatie-geschil aanstaande was, alleszins in de rede hebben gelegen. Zulks mede ter vermijding van verder tijdsverlies dat zou optreden wanneer een positieve beslissing van de Minister van Buitenlandse Zaken zou leiden tot een nieuw toelatingsverzoek waarbij het mvv-vereiste alsnog zou worden tegengeworpen.

Een uitstel van de beslissing lag, gelet op het gehele "voortraject", eens te meer in de rede omdat uit de voorhanden zijnde gegevens naar voren komt dat in het geval van eiser drie jaar relevant tijdsverloop viel aan te wijzen. Als gevolg daarvan stond noch het mvv-vereiste, noch de inkomenseis aan inwilliging van de aanvraag in de weg, zodat de zaak zich toespitste op het al dan niet ontbreken van een gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring.

Aan het geheel van het hierboven overwogene moet de gevolgtrekking worden verbonden dat het besluit van verweerder niet aan de zorgvuldigheidseis van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voldoet.

Het besluit komt deswege voor vernietiging in aanmerking.

Bij het nemen van een nieuw besluit zal verweerder, behoudens in geval van contra-indicaties in de zin van artikel 3:20, tweede lid, van de Vreemdelingenbesluit 2000, alsnog tot inwilliging van de aanvraag dienen over te gaan.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ? 644,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van ? 322,00 en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na heden met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,00 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,00 vergoedt.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en in het openbaar uitgesproken op

9 januari 2003, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Post, griffier.

afschrift verzonden op: