Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5176

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/96077, 02/96078
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AH8886
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Nigeria / eerwraak / ongedocumenteerden.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder onvoldoende zorgvuldig geweest in het onderzoek in het kader van toetsing aan artikel 3 EVRM. Verweerder heeft zich niet alleen geen beeld gevormd van de bestaande praktijken zoals die door verzoekster gedetailleerd zijn beschreven, verweerder heeft evenmin de (on)mogelijkheid van effectieve bescherming door de Nigeriaanse autoriteiten voldoende onderzocht. Tevens heeft verweerder tijdens de gehoren nagelaten door te vragen op enkele, voor een zorgvuldige beoordeling van onderhavige asielaanvraag, van belang zijnde punten. Ten aanzien van de gestelde vrees voor besnijdenis van haar dochter, eveneens een vluchtmotief van verzoekster, heeft verweerder het binnenlands vlucht- dan wel vestigingsalternatief tegengeworpen. Aan deze tegenwerping heeft onvoldoende onderzoek dienaangaande ten grondslag gelegen. In dit verband wordt onder meer overwogen dat uit het ambtsbericht inzake Nigeria van september 2002 blijkt dat Nigeriaanse moeders hun jonge dochters aan de praktijk van de gedwongen besnijdenis kunnen onttrekken, maar dat het per geval zal verschillen in hoeverre men een nieuw bestaan kan opbouwen.

Ten slotte is verzoekster het ontbreken van identiteits- en nationaliteitspapieren ten onrechte tegengeworpen. Blijkens hoofdstuk C1/5.1 Vc 2000 heeft artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 betrekking op situaties die plaatsvonden na vertrek uit het land van herkomst en die van invloed zijn op de geloofwaardigheid van het vluchtverhaal. Uit het dossier is niet af te leiden dat verzoekster enig document dat zij ten tijde van haar vertrek uit Nigeria bij zich had, heeft weggemaakt.

Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorlopige voorziening

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 02/96077 VRONTN (voorlopige voorziening)

AWB 02/96078 VRONTN (beroep)

IND-nr: 0212.26.4001

inzake: A, geboren op [...] 1971, van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium Tafelbergweg, verzoekster,

gemachtigde: mr. R.J. van der Zee, medewerker van de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. H.R.R. Bruggeman, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 30 december 2002 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 december 2002 waarbij de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoekster achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 10 januari 2003. Verzoekster is aldaar met haar dochter B (geboren op [...] 2001) in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig H.J. de Geus als tolk in de Engelse taal.

3. Aan het eind van de zitting is het onderzoek gesloten.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verzoekster, van huis uit Christen, stelt te vrezen dat zij door haar schoonfamilie zal worden gedood. De problemen met haar schoonfamilie, die een moslim-achtergrond heeft, en overwegend in Benin City woont, zijn begonnen naar aanleiding van het overlijden van haar echtgenoot op 5 december 2001. In het kader van de „Igbedia“, het rouwritueel, is verzoekster eerst enkele maanden in het huis van een lid van de schoonfamilie vastgehouden. Volgens de in haar schoonfamilie heersende tradities diende zij – op straffe van de dood – binnen een jaar na het drinken van het water waarin het lichaam van haar overleden echtgenoot was gewassen gevolg te geven aan de oproep van haar schoonfamilie om met één van de oudste leden van die familie in het huwelijk te treden. Daartoe is uiteindelijk aangewezen C, een soort oom van haar echtgenoot, die toen omstreeks 60 jaar oud was. Omstreeks medio februari 2002 is verzoekster naar het huis van haar beoogde echtgenoot gebracht. Daar is zij onder meer door hem geslagen. In de eerste week van maart 2002 heeft eiseres kans gezien naar Lagos te ontvluchten. Haar drie kinderen moest zij bij haar schoonfamilie achterlaten. Met hulp van een haar welgezinde schoonzuster kreeg verzoekster in juni 2002 haar jongste dochter B via een kunstgreep weer terug. Sindsdien heeft zij met haar dochter op diverse plaatsen in Nigeria verbleven. Nu verzoekster te kennen heeft gegeven geen gehoor te willen geven aan de oproep om met de aangewezen echtgenoot te huwen, maar zich integendeel aan de greep van haar schoonfamilie heeft onttrokken, wordt zij bedreigd met de dood. Zij kan tegen die dreiging in Nigeria niet afdoende worden beschermd. Medio december 2002 heeft haar schoonfamilie geprobeerd haar uit Lagos naar Benin City mee te nemen. Verzoekster is toen door een politieman ontzet. De politieman raadde haar aan de stad te verlaten. Kort daarna is verzoekster naar Abuja gegaan. Aldaar is zij geholpen door de „Dan Bills Foundation for Widows and Orphans“. Bij terugkeer naar Nigeria vreest zij eveneens – onder meer – voor besnijdenis van haar dochter, B.

2. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster binnen 48 procesuren in het aanmeldcentrum (AC) afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen dan wel het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten, te schorsen.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de rechtbank na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Verzoekster is tijdig op deze bevoegdheid gewezen.

3. De AC-procedure voorziet in afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur. Deze procedure leent zich slechts voor die zaken waarvan verweerder, daarbij de vereiste zorgvuldigheid in acht nemend, binnen deze korte termijn kan beoordelen of de aanvraag op grond van artikel 30 of 31 van de Vw 2000 kan worden afgewezen.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hetgeen verzoekster met betrekking tot haar eigen toekomst stelt te vrezen geen aanleiding geeft om te oordelen dat zij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moet worden aangemerkt. Met verweerder wordt geoordeeld dat in het relaas onvoldoende aanknopingspunten voorhanden zijn om hetgeen verzoekster stelt te vrezen onder één van de in art. 1 A onder (2) van het Vluchtelingenverdrag neergelegde gronden te brengen.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder evenwel onvoldoende zorgvuldig geweest in het onderzoek naar de vraag of er bij terugkeer van verzoekster naar Nigeria „substantial grounds“ zijn om aan te nemen dat er in haar geval sprake zal zijn van een „real risk“ voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe wordt voorop gesteld, zoals ook verweerder lijkt aan te nemen, dat ook sprake kan zijn van schending van artikel 3 van het EVRM in situaties waarin de autoriteiten niet in staat dan wel bereid zijn de vreemdeling bescherming te bieden. Voorts wordt als volgt overwogen. Niet is gebleken dat verweerder zich een beeld heeft gevormd van de bestaande praktijken in Nigeria zoals die door verzoekster gedetailleerd zijn beschreven, bijvoorbeeld door ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken of andere deskundigen te raadplegen. Evenmin is gebleken dat verweerder op voldoende zorgvuldige wijze aandacht heeft besteed aan de vraag of het in de door verzoekster beschreven situatie onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de weduwe effectieve bescherming in het land van herkomst tegen het optreden van familieleden kan verkrijgen. In dit verband is van belang dat verweerder in het besluit ten onrechte heeft opgemerkt dat niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten geen bescherming konden of wilden bieden tegen de problemen die verzoekster, naar gesteld, van haar schoonfamilie duchtte. Verzoekster heeft in het nader gehoor (p.10) immers verklaard in Benin City aangifte tegen haar schoonfamilie te hebben gedaan, maar dat de politie haar bij die gelegenheid heeft gezegd dat zij het zelf maar moest oplossen. Evenzeer kan er niet aan worden voorbijgegaan dat verweerder in het besluit ten onrechte betekenis heeft gehecht aan de omstandigheid dat verzoekster zou hebben verklaard dat zij na maart 2002 zonder bijzondere problemen met haar schoonfamilie in Nigeria heeft verbleven. Uit diverse passages in het nader gehoor (pps. 3, 9 en 10) blijkt immers het tegendeel.

6. Nog afgezien van het voorgaande is ook in ander opzicht sprake geweest van geen dan wel een te oppervlakkig onderzoek. Zo is geen aandacht gegeven aan de vraag waar en hoe haar schoonfamilie verzoekster in Lagos heeft kunnen vinden, terwijl verzoekster ook over de door haar gestelde mishandeling in december 2002 (p. 4) geen enkele (vervolg)vraag is gesteld. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe de politieman haar heeft kunnen ontzetten, of nadien door de autoriteiten actie jegens haar schoonfamilie is ondernomen, en voor de omstandigheden waaronder verzoekster in de negen maanden na haar ontvluchting uit het huis van haar beoogde echtgenoot op diverse plaatsen in Nigeria heeft verbleven. Ten slotte zijn ook de rol en/of de mogelijkheden van haar eigen familie om bescherming te bieden, in het bijzonder die van haar blijkens het eerste gehoor in Lagos wonende broer, en de mogelijkheden van de „Dan Walls Foundation“ onbelicht gebleven.

7. Ten aanzien van de door verzoekster gestelde vrees voor besnijdenis van haar dochter B overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan verweerder oordeelt de rechtbank dat verzoekster wel, zij het tegen het einde van het nader gehoor, duidelijk heeft gemaakt dat voornoemde vrees eveneens een vluchtmotief voor haar is geweest. Ook volgens verweerder is vrees voor vrouwenbesnijdenis verdragsgerelateerd. Ten aanzien van het door verweerder tegengeworpen binnenlands vlucht- dan wel vestigingsalternatief verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging III.5. en 6. waarbij nog wordt opgemerkt dat naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven dat bij het tegenwerpen van een binnenlands vluchtalternatief een strengere maatstaf dient te worden gehanteerd dan bij het tegenwerpen van een verblijfsalternatief. In dit verband wordt overwogen dat uit het in september 2002 door de Minister van Buitenlandse Zaken uitgebrachte ambtsbericht over Nigeria (p. 28) blijkt dat Nigeriaanse moeders hun jonge dochters, als zij dit willen, aan de praktijk van de gedwongen besnijdenis kunnen onttrekken, maar dat het „per geval zal verschillen in hoeverre men een nieuw bestaan kan opbouwen“. De tegenwerping dat het „uiterst bevreemdend“ is dat verzoekster haar andere dochter, die gelet op haar leeftijd als eerste zou worden besneden, bij haar schoonfamilie in Nigeria heeft achtergelaten, kan deze gebreken niet compenseren. Nog afgezien van het feit dat niet duidelijk is op grond waarvan verweerder meent dat verzoekster na haar ontvluchting uit het huis van haar beoogde echtgenoot de feitelijke zorg voor haar oudste dochter had kunnen herkrijgen, levert het enkele opwerpen van deze vraag immers geen omstandigheid op die voor het door verweerder ingenomen standpunt redengevende kracht bezit.

8. Anders dan verweerder is de rechtbank tenslotte van oordeel dat verzoekster het ontbreken van identiteits- en nationaliteitspapieren ten onrechte is tegengeworpen, zodat dit artikellid, voorzover het bij de beoordeling van de aanvraag is betrokken, buiten beschouwing had moeten blijven. Blijkens hoofdstuk C1/5.1 van de Vc 2000 heeft artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 betrekking op situaties die plaatsvonden na vertrek uit het land van herkomst en die van invloed zijn op de geloofwaardigheid van het vluchtverhaal. Gebleken is dat verzoekster voor haar vertrek uit Nigeria niet beschikte over een geldig paspoort en dat zij Nederland is ingereisd met een vals paspoort. Uit het dossier is niet af te leiden dat verzoekster enig document dat zij ten tijde van haar vertrek uit Nigeria bij zich had, heeft weggemaakt. Verder is van belang dat niet kan worden gezegd dat uit de documenten die zij heeft overgelegd, te weten het valse paspoort, een huwelijksakte, een geboorteakte van haar dochter B, en een overlijdensakte van haar echtgenoot, in hun onderlinge samenhang bezien, in redelijkheid kan worden afgeleid dat verzoekster aan een verzwaarde bewijslast diende te worden onderworpen. In dit verband wordt tenslotte overwogen dat de toepassing van art. 31, tweede lid, onder f van de Vw 2000 in deze zaak ook in zoverre ongerijmd lijkt dat verweerder niet expliciet het standpunt heeft ingenomen dat het relaas van verzoekster geen geloof verdient.

9. Hetgeen hiervoor is overwogen voert tot de slotsom dat verweerder de aanvraag van verzoekster niet met inachtneming van de vereiste zorgvuldigheid in de AC-procedure heeft kunnen afdoen.

10. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Op grond van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van artikel 3:2 Awb Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor).

IV. BESLISSING

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/96078 VRONTN:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 26 december

2002;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/96077 VRONTN:

4. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

in beide zaken:

5.veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge:

negenhonderd en zesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de

griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2003, door mr. W.J. van Bennekom, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J.N. Haddink, griffier.

Afschrift verzonden op: 15 januari 2003

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen rechtsmiddel open.