Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5175

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2003
Datum publicatie
05-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/40295
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AH8771
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Myanmar / geloofwaardigheid asielrelaas / anonieme getuige.

Eisers aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd vanwege de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank overweegt dat verweerder de informatie die is neergelegd in het proces-verbaal niet aan het oordeel dat eisers relaas ongeloofwaardig is ten grondslag had mogen leggen, aangezien het gaat om verklaringen van een informant aan wie anonimiteit is toegezegd. Zonder dat de identiteit van de informant bekend wordt kan niet worden onderzocht of de informant de waarheid spreekt en wat zijn beweegredenen waren om deze informatie aan de politie door te geven. De enkele verklaring in het proces-verbaal dat de aan de verbalisant bekende achtergrond van de informant in samenhang met de door deze aangedragen gegevens, de verbalisant tot de conclusie hebben gebracht dat de informatie als waarschijnlijk kan worden aangemerkt, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Hierbij is van belang dat uit het proces-verbaal niet duidelijk wordt van wie en onder welke omstandigheden de informant gehoord heeft dat eiser verklaard heeft niet uit Myanmar afkomstig te zijn.

Voorts heeft verweerder zich gebaseerd op vage en deels onjuiste informatie over Myanmar, die eiser zou hebben verstrekt in antwoord op vragen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de door eiser op de vragen gegeven antwoorden een te zwaar gewicht heeft toegekend. In dit verband is - naast de jeugdige leeftijd van eiser - van belang dat eiser naar gesteld slechts twee jaar onderwijs heeft genoten aan een Koranschool en volgens zijn verklaringen leefde in een klein dorpje. Gelet hierop kan van hem niet worden gevergd op al die vragen een exact antwoord te geven. Tevens blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat eiser op een aantal punten (zoals namen van steden en rivieren) correcte informatie over Myanmar heeft verschaft.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat blijkens de Encarta World Atlas de door eiser genoemde woonplaats zich in het uiterste westen van Myanmar bevindt en dat de door eiser genoemde grensrivier de Naf waarover hij stelt naar Bangladesh te zijn gevlucht en de plaats Teknaf in Bangladesh, in de omgeving van de genoemde woonplaats liggen.

De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van reisdocumenten onvoldoende voor de conclusie dat eisers relaas ongeloofwaardig is. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet uit Myanmar afkomstig zou zijn en had verweerder eiser nader dienen te horen alvorens conclusies te trekken over de geloofwaardigheid van diens verklaringen.

Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr : AWB 02/40295 VRWET

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M.B. van den Toorn-Volkers, advocaat te Made,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr.S.A. Ganpat, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [...] 1983 en dat hij de Myanmarese nationaliteit bezit. Hij verblijft sedert 29 september 2000 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Op 9 oktober 2000 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Ingevolge artikel 117 Vw2000 is deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Verweerder heeft op 13 maart 2002 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft geen zienswijze op deze mededeling naar voren gebracht. Bij besluit van 26 april 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

2. Bij schrijven van 24 mei 2002 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.

3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 december 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.E.J.M. van den Toorn, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag -voor zover van belang en samengevat- aangevoerd dat hij behoort tot de Rohingya bevolkingsgroep, welke bevolkingsgroep in Myanmar ernstig wordt gediscrimineerd. Zijn vader en broer zijn op 15 juli 2000 door een speciale legereenheid vermoord en zijn zuster is door deze mannen meegenomen. Dit was voor eiser en zijn moeder aanleiding om enige tijd later naar Bangladesh vluchten. Vanuit Bangladesh, waar hij circa zes dagen in een vluchtelingenkamp verbleef, is eiser met behulp van een tweetal reisagenten via Moskou naar Nederland gereisd.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31, Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen omdat aan de verklaringen van eiser geen geloof werd gehecht nu eiser niet over documenten beschikt en vage en onjuiste verklaringen over Myanmar heeft afgelegd. Voorts heeft verweerder hierbij verwezen naar een onder ambtseed opgemaakt proces-verbaal van de Politie Midden en West Brabant van 11 april 2001, waaruit naar voren komt dat een anonieme informant verklaard heeft dat eiser tegen anderen in het asielzoekers centrum verklaard heeft bij zijn aanvraag in strijd met de waarheid te hebben aangegeven tot de Rohingya bevolkingsgroep te behoren, teneinde zijn kans om toegelaten te worden te vergroten.

4. In beroep heeft eiser gesteld dat hij wel tot de Rohingya behoort en de taal spreekt. Hij heeft aangevoerd dat hij geconfronteerd had dienen te worden met de vermeende onjuistheden. Voorts stelt hij dat verweerder tot zijn oordeel is gekomen op basis van anonieme verklaringen en dat verweerder aan dergelijke verklaringen van derden geen betekenis mag doen toekomen. Tevens meent eiser dat een taalanalyse had moeten plaatsvinden en dat hij had moeten worden gehoord.

5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, b, en c, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, onder f Vw2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de informatie die is neergelegd in het proces-verbaal van 11 april 2001 niet aan zijn oordeel dat eisers relaas ongeloofwaardig is ten grondslag had mogen leggen, nu het gaat om verklaringen van een informant aan wie anonimiteit is toegezegd. Zonder dat de identiteit van de informant bekend wordt kan niet worden onderzocht of de informant de waarheid spreekt en wat zijn beweegredenen waren om deze informatie aan de politie door te geven. De enkele verklaring in het proces-verbaal dat de aan de verbalisant bekende achtergrond van de informant in samenhang met de door deze aangedragen gegevens, de verbalisant tot de conclusie hebben gebracht dat de informatie als waarschijnlijk kan worden aangemerkt, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Hierbij is van belang dat uit het proces-verbaal niet duidelijk wordt van wie en onder welke omstandigheden de informant gehoord heeft dat eiser verklaard heeft niet uit Myanmar afkomstig te zijn.

Verweerder heeft het niet overleggen van reisdocumenten aan eiser mogen toerekenen, doch voor wat betreft het ontbreken van identiteitsdocumenten overweegt de rechtbank dat het gezien de leeftijd van eiser niet onaannemelijk is dat hij nimmer een paspoort of identiteitskaart heeft bezeten. Eiser heeft bovendien een document overgelegd waarop door een Koranschool verklaard wordt dat A in 1990 en 1991 aan deze school onderwijs zou hebben gevolgd. Weliswaar kan aan de hand van deze brief niet de identiteit of nationaliteit van eiser worden vastgesteld, doch deze kan wel worden aangemerkt als een ondersteuning van zijn stellingen.

Voorts heeft verweerder zich voor zijn oordeel dat het relaas ongeloofwaardig is, gebaseerd op vage en deels onjuiste informatie over Myanmar, die eiser zou hebben verstrekt in antwoord op vragen betreffende in 1987 ingevoerde bankbiljetten, de belangrijkste bevolkingsgroep, de aanvang van het warme seizoen, de officiële naam van Myanmar en de geschiedenis van de Rohingya's.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de door eiser op de vragen gegeven antwoorden een te zwaar gewicht heeft toegekend. In dit verband is - naast de jeugdige leeftijd van eiser - van belang dat eiser naar gesteld slechts twee jaar onderwijs heeft genoten aan een Koranschool en volgens zijn verklaringen leefde in een klein dorpje. Gelet hierop kan van hem niet worden gevergd op al deze vragen een exact antwoord te geven, bijvoorbeeld over de officiële landsnaam. Over de nieuwe bankbiljetten, die zijn ingevoerd toen eiser circa vier jaar oud was, heeft hij kennelijk deels ook juiste gegevens verstrekt. Tevens blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat eiser op een aantal punten (zoals namen van steden en rivieren) correcte informatie over Myanmar heeft verschaft.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat blijkens de Encarta World Atlas de door eiser genoemde woonplaats B (B) zich in het uiterste westen van Myanmar bevindt en dat de door eiser genoemde grensrivier de Naf waarover hij stelt naar Bangladesh te zijn gevlucht en de plaats Teknaf in Bangladesh, in de omgeving van B liggen.

Gezien het vorenoverwogene is het ontbreken van reisdocumenten onvoldoende voor de conclusie dat eisers relaas ongeloofwaardig is.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet uit Myanmar afkomstig zou zijn en had verweerder eiser nader dienen te horen alvorens conclusies te trekken over de geloofwaardigheid van diens verklaringen.

7. Gelet op het vorenstaande berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering is het niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand gekomen, zodat het wegens strijd met artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3:2 Awb vernietigd dient te worden.

8. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. E. Dijt en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2003, in tegenwoordigheid van mr. E.P. Kuipéri, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

afschrift verzonden op: