Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF4886

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
09-04-2003
Zaaknummer
Awb 02/90851
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sierra Leone / categoriaal beschermingsbeleid.

De in het ambtsbericht van 8 juli 2002 omschreven situatie is niet zodanig dat de rechtbank, mede gezien de beperkte toetsingsruimte die de rechter in dezen toekomt, tot het oordeel komt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het categoriaal beschermingsbeleid te beëindigen. Ook de humanitaire situatie zoals beschreven in het ambtsbericht is, hoewel naar het oordeel van de rechtbank zorgelijk, niet zodanig dat op grond daarvan het categoriale beschermingsbeleid niet had kunnen worden beëindigd.

De door eiser ingebrachte informatie geeft, evenals het ambtsbericht, een situatie in Sierra Leone weer, waarin sprake is van verbeteringen, zij het dat de situatie nog fragiel is. Voor het standpunt dat vanwege een fragiele situatie een categoriaal beschermingsbeleid zou moeten worden gevoerd vindt de rechtbank geen steun in de regelgeving hieromtrent. Ten aanzien van eisers stelling dat hij het risico loopt op gedwongen terugkeer naar een gebied dat niet zo veilig is als de omgeving van Freetown, oordeelt de rechtbank dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de informatie in het ambtsbericht ten aanzien van de daar genoemde overgangsgebieden. Ten aanzien van deze gebieden wordt in het ambtsbericht gesteld dat het vooralsnog onzeker is of de veiligheid van burgers in alle gevallen kan worden gegarandeerd. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat de conclusie kan worden getrokken dat de situatie daar onveilig is. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 28, geldigheid: 2003-02-14
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2003-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Meervoudige kamer

Regnr.: Awb 02/90851 BEPTDN A S7

uitspraak: 14 februari 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1983,

van Sierraleoonse nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0212.01.8002,

eiser,

gemachtigde: mr. S.R. Nohar, advocaat te Lemmer,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Kruijdenberg, advocaat te 's-Gravenhage.

PROCESVERLOOP

Op 1 december 2002 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft bij beschikking van 4 december 2002 afwijzend op de aanvraag beslist.

Bij beroepschrift van 4 december 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen de beschikking van 4 december 2002. Eiser is meegedeeld dat hij de behandeling van het beroepschrift niet in Nederland mag afwachten.

Bij verzoekschrift van 4 december 2002 heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroep wordt beslist. Dit verzoek is geregistreerd onder AWB 02/90850. Bij uitspraak van 24 december 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zitting houdende te Assen dit verzoek toegewezen.

Per brief van 13 januari 2003 heeft de rechtbank het beroep doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 januari 2003. Eiser is aldaar niet in persoon verschenen. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Met toepassing van artikel 8:14 Awb heeft de rechtbank ter zitting besloten deze zaak gevoegd te behandelen met de zaak bekend onder nummer Awb 02/96350 BEPTDN A S7. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank bepaald de zaken te splitsen en in beide zaken afzonderlijk uitspraak te doen.

MOTIVERING

Standpunten van partijen

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn asielrelaas het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Freetown te Sierra Leone. Nadat eiser in 1998 zijn ouders verloren had, werd hij begin 1999 ontvoerd door de rebellen. Hij werd meegenomen naar een kamp en moest werken in diamantmijnen. Ongeveer een maand voor zijn komst naar Nederland wist eiser te ontsnappen.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen. Verweerder heeft eiser artikel 31, tweede lid, onder f van de Vw tegengeworpen. Eiser heeft geen documenten overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en zijn reisroute vast te stellen. Ook heeft eiser geen documenten overgelegd waarmee hij zijn asielrelaas kan staven. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Voorts heeft eiser enkel vage, summiere en bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd over de kern van zijn asielrelaas. Aan de verklaring van eiser omtrent zijn verblijf bij de rebellen wordt derhalve geen geloof gehecht.

Voor zover zou moeten worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van het relaas, bestaat er volgens verweerder geen aanleiding om tot vluchtelingschap te concluderen. Uit verklaringen van eiser blijkt dat hij het slachtoffer is geworden van een daad van willekeur van de zijde van de rebellen, hetgeen niet te herleiden valt tot een van de beschermingsgronden van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast is de situatie in Sierra Leone volgens het Ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2002 zodanig dat niet op voorhand aannemelijk is dat eiser nog langer problemen zal ondervinden van de rebellen. Ten slotte kan eiser zich aan mogelijke problemen onttrekken door zich te vestigen buiten het door de rebellen gecontroleerde gebied. Hier oefenen de autoriteiten effectief gezag uit.

Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat hij bij terugkeer in het land van herkomst zal worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke behandelingen of bestraffingen. Evenmin is gebleken dat eiser voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid dan wel dat er overige redenen van humanitaire aard aanwezig zijn.

Verweerder stelt zich vervolgens op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000, nu de algehele (veiligheids)situatie in Sierra Leone niet (meer) van dusdanige aard is dat deze zou leiden tot de conclusie dat het voeren van een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. Bij brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 16 september 2002, kenmerk 5182037/02/DVB, heeft verweerder de Tweede Kamer ingelicht omtrent voornoemde beleidswijziging. Verweerder baseert deze beleidswijziging op een ambtsbericht van 8 juli 2002, kenmerk DVP/AM-754474. Daaruit blijkt dat de algehele veiligheidssituatie in Sierra Leone niet dusdanig is dat een beleid van categoriale bescherming gevoerd zou moeten worden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte in de AC-procedure is afgedaan. De bestreden beschikking is op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. Eiser meent dat het ontbreken van reisdocumenten hem niet kan worden tegengeworpen nu hij deze in het geheel niet heeft gebruikt. Eiser heeft verder omtrent zijn reis alles verklaard wat van hem verwacht kon worden. Ten aanzien van verweerders stelling dat er sprake zou zijn van een daad van willekeur van de rebellen merkt eiser op dat dit ziet op de situatie ten tijde van de ontvoering. De gebeurtenissen nadien maken wel degelijk dat de aandacht op eiser individueel is gericht.

Voorts zou een eventuele terugkeer in weerwil van de afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid van bijzondere hardheid getuigen. Eiser wijst op berichten van de UNHCR, de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en van een aantal NGO's. Het ambtsbericht van september 2001 leidde tot continuering van het categoriale beschermingsbeleid. Het jongste ambtsbericht verschilt hier zo minimaal van dat dit geen aanknopingspunten biedt om tot beëindiging van dit beleid te komen.

Laatstgenoemd aspect is in de zienswijze uitgebreid verwoord. Hierop is in strijd met het motiveringsbeginsel niet op gereageerd zijdens verweerder.

Beoordeling van het beroep

In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is onder meer van belang of verweerder de aanvraag zonder schending van eisen van zorgvuldigheid in het kader van de AC-procedure heeft kunnen afwijzen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Sierra Leone zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 in samenhang met artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, b of c Vw 2000 moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

De rechtbank oordeelt als volgt. Daargelaten de vraag of verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat het relaas van eiser onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat er in zijn geval sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij het slachtoffer is geworden van een daad van willekeur van de zijde van de rebellen. Daarnaast is de situatie in Sierra Leone zodanig dat niet op voorhand aannemelijk is dat eiser nog langer problemen zal ondervinden van de rebellen. Op grond van vorenstaande heeft verweerder op juiste gronden geoordeeld dat ten aanzien van eiser niet tot vluchtelingschap kan worden geconcludeerd. Eiser kan derhalve niet aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 een aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Het is, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk dat eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zodat eiser aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning kan ontlenen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van zodanige klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eiser kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Voorzover eiser meent in aanmerking te komen voor een vergunning ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de beoordeling van de vraag of verweerder terecht tot wijziging van het categoriale beschermingsbeleid is gekomen dient voorop te staan dat aan de rechter slechts een marginale toets toekomt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State meermalen heeft overwogen komt de Minister bij de toepassing van het beleid inzake categoriale bescherming een ruime beoordelingsmarge toe. Het afschaffen dan wel niet voeren van een dergelijk beleid kan de toetsing in rechte slechts niet doorstaan, indien geoordeeld moet worden dat de Minister bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot het ingenomen standpunt heeft kunnen komen.

De Minister heeft de wijziging van zijn beleid voornamelijk gebaseerd op het ambtsbericht van 8 juli 2002. Dienaangaande wordt overwogen dat een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Daartoe dient het ambtsbericht op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, mag de Minister bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. In dat geval zal de Minister het ambtsbericht niet dan na het instellen van nader onderzoek terzake en bevestiging van de desbetreffende informatie aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.

Uit voornoemd ambtsbericht komt, kort samengevat, naar voren dat het vredesproces dat in november 2000 met het staakt-het-vuren is ingezet, aanzienlijke voortgang heeft geboekt. Het staakt-het-vuren hield stand, rebellen werden ontwapend en gedemobiliseerd en er vonden verkiezingen plaats die vreedzaam en in het grootste deel van het land vrij verliepen. Wel zijn het vredesproces en de democratisering nog fragiel en blijft een hervatting van de strijd tot de mogelijkheden behoren. Het ambtsbericht maakt een onderscheid tussen het veilige hoefvormige gebied rondom Freetown, overgangsgebieden en onveilige gebieden. De ontwikkelingen in het vredesproces hebben tot een aanzienlijke verbetering van de mensenrechten geleid. Enkele tienduizenden Sierra Leoonse vluchtelingen keerden terug uit Liberia en Guinee, veelal gefaciliteerd door de UNHCR.

De in het ambtsbericht omschreven situatie is niet zodanig dat de rechtbank, mede gezien de beperkte toetsingsruimte die de rechter in dezen toekomt, tot het oordeel komt dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het categoriaal beschermingsbeleid te beëindigen. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerders oordeelsvorming, overeenkomstig artikel 3.106 Vb, is gebaseerd op een recent ambtsbericht en dat getoetst is aan de in dat artikel genoemde indicatoren.

Ook de humanitaire situatie zoals beschreven in het ambtsbericht is, hoewel naar het oordeel van de rechtbank zorgelijk, niet zodanig dat op grond daarvan het categoriale beschermingsbeleid niet had kunnen worden beëindigd. Hierbij betrekt de rechtbank de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (5095508/01/DVB) van de voormalige Staatssecretaris van Justitie waarin is neergelegd dat de algemene humanitaire situatie in beginsel geen aanleiding kan vormen voor een beleid van categoriale bescherming en dat daarvoor alleen aanleiding bestaat indien er in zijn algemeenheid een categoriaal risico voor lijf en leden bestaat ten gevolge van de algemene humanitaire situatie.

De door eiser ingebrachte informatie brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De informatie biedt geen concrete aanknopingspunten op grond waarvan aan de juistheid van het ambtsbericht dient te worden getwijfeld. De stelling van eiser dat verweerder de beleidswijziging onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat een analyse van de beschikbare informatie aantoont dat zowel de veiligheidssituatie als de mensenrechtensituatie onzeker en instabiel is, brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. De door eiser ingebrachte informatie geeft, evenals het ambtsbericht, een situatie in Sierra Leone weer, waarin sprake is van verbeteringen, zij het dat de situatie nog fragiel is. Voor het standpunt dat vanwege een fragiele situatie een categoriaal beschermingsbeleid zou moeten worden gevoerd vindt de rechtbank geen steun in de regelgeving hieromtrent. Ten aanzien van eisers stelling dat hij het risico loopt op gedwongen terugkeer naar een gebied dat niet zo veilig is als de omgeving van Freetown, oordeelt de rechtbank dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de informatie in het ambtsbericht ten aanzien van de daar genoemde overgangsgebieden. Ten aanzien van deze gebieden wordt in het ambtsbericht gesteld dat het vooralsnog onzeker is of de veiligheid van burgers in alle gevallen kan worden gegarandeerd. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat de conclusie kan worden getrokken dat de situatie daar onveilig is. In dit verband acht de rechtbank van belang dat het recente ambtsbericht spreekt van een aanzienlijke verbetering van de veiligheids- en mensenrechtensituatie in Sierra Leone, terwijl in het voorlaatste ambtsbericht van 3 oktober 2000 en de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 1 juni 2001 nog werd gesproken van een verslechtering van de situatie, op basis waarvan destijds werd besloten tot het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor asielzoekers uit Sierra Leone. Voorts acht de rechtbank van belang dat ook de UNHCR grote delen van Sierra Leone niet meer zodanig onveilig acht dat terugkeer van ontheemden naar die gebieden niet verantwoord zou zijn.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat de situatie in het land van herkomst niet zodanig is dat gedwongen verwijdering van afgewezen asielzoekers naar het land van herkomst van bijzondere hardheid is in verband met de algehele situatie aldaar. Eiser kan derhalve aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 evenmin aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag terecht in het kader van de AC-procedure afgewezen.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Dragtsma, B.I. Klaassens en J.L. Boxum en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2002 in tegenwoordigheid van mr. M.A. Buikema als griffier.

Afschrift verzonden: 18 februari 2003