Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF4587

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
17-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/92579 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / vervolg beroep / voorlopige voorziening.

Op 29 november 2002 is het verzoek om voorlopige voorziening door de rechtbank Haarlem aan eiser toegewezen. De rechtbank stelt vast dat verweerder het beleid voert, zoals neergelegd in hoofdstuk C3/12.13.3.2 Vc 2000, dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, Vw 2000 zal plaatsvinden indien een verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter is toegewezen. Hiervan kan worden afgeweken indien daartoe op grond van de inhoud van de zaak aanleiding bestaat.

De rechtbank stelt voorts vast dat door verweerder ter zitting geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die voor verweerder redengevend zijn (geweest) om van zijn vaste beleid af te wijken.

Hieruit volgt dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met het beleid en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 96 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/92579 VRONTN

IND-nr.: 0211.11.4115

inzake: A, geboren op [...] 1966, van (gestelde) Liberiaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium De Weg (Wenckebachweg) te Amsterdam, eiser,

gemachtigde: mr. A. Hol, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.P. Bouma, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 11 november 2002 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast. Het op 13 november 2002 ingestelde beroep tegen de oplegging van deze maatregel is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats op 27 november 2002 ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 12 december 2002 heeft de gemachtigde van eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 31 december 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Verweerder gaat er aan voorbij dat eisers verzoek om een voorlopige voorziening in zijn asielzaak door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 29 november 2002 (AWB 02/86288) is toegewezen.

Verder gaat verweerder er aan voorbij dat het beroep in de asielprocedure op 17 december 2002 is behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (AWB 02/86290), en dat op zijn vroegst over zes weken een uitspraak valt te verwachten. Mogelijk laat deze uitspraak langer op zich wachten daar de voorzitter van de rechtbank ter zitting van 17 december 2002 heeft laten doorschemeren dat de rechtbank overwoog om nadere vragen te gaan stellen.

Verder wijst eiser er op dat er momenteel technische belemmeringen bestaan bij het verwijderen van Liberiaanse asielzoekers naar hun land van herkomst, die verband houden met de gespannen politiek-militaire situatie in Liberia.

Tenslotte zouden, zo blijkt uit een vertrouwelijke bron, aan de zijde van de Tweede Kamer bedenkingen bestaan ten aanzien van de brief van verweerder van 4 december 2002 (de rechtbank leest: 4 november 2002) gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, inhoudende dat er nog steeds geen aanleiding bestaat om ten aanzien van Liberiaanse asielzoekers over te gaan tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid.

Gelet op het vorenstaande is er derhalve geen sprake van een reëel perspectief op uitzetting en dient de aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel te worden opgeheven.

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.

Verweerder acht de voortduring van de aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel gerechtvaardigd. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij behandeling van het beroep van eiser op 17 december 2002 aangegeven zes weken later uitspraak te zullen doen. Tot op heden is de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel niet zodanig lang dat de maatregel niet kan voortduren in afwachting van deze uitspraak. Voorts is verweerder niet gebleken dat de rechtbank nadere vragen heeft gesteld. De rechtbank is dan ook in beginsel gehouden aan de eerder genoemde zes weken.

Het beleid met betrekking tot Liberianen is voorts duidelijk. Verweerder ziet geen aanleiding tot het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid.

Voor zover is gesteld dat er sprake zou zijn van technische belemmeringen bij de uitzetting van Liberianen naar Liberia stelt verweerder zich op het standpunt dat verwijdering in beginsel mogelijk is. In geval van eiser ziet verweerder bovendien geen problemen met betrekking tot zijn uitzetting daar hij zal worden verwijderd op basis van een claim naar Ghana. Derhalve is er sprake van zicht op uitzetting en is het enkel wachten op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem.

De rechtbank overweegt het volgende.

Onderhavig beroep is het tweede beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. Thans dient te worden beoordeeld of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten.

Op 29 november 2002 is het verzoek om voorlopige voorziening door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, aan eiser toegewezen in die zin dat het verweerder verboden is om eiser uit Nederland te (doen) verwijderen zolang niet is beslist op het beroep. Het beroep is door dezelfde zittingsplaats behandeld op 17 december 2002. Een uitspraak is nog niet bekend.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het beleid voert, zoals neergelegd in hoofdstuk C3/12.13.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, dat geen (verdere) toepassing van artikel 6, eerste lid, juncto tweede lid, van de Vw 2000 zal plaatsvinden indien een verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter is toegewezen. Hiervan kan worden afgeweken indien daartoe op grond van de inhoud van de zaak aanleiding bestaat.

De rechtbank stelt voorts vast dat door verweerder ter zitting geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die voor verweerder redengevend zijn (geweest) om van zijn vaste beleid af te wijken.

Hieruit volgt dat voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met het beleid en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de maatregel bevolen, ingaande 2 januari 2003.

De overige stellingen van partijen behoeven derhalve geen bespreking meer.

De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 en wel tot een bedrag van € 70,-- per dag dat eiser ten onrechte in het Asielzoekerscentrum aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en € 45,-- per dag dat eiser in het Grenshospitium aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal € 945,--.

Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt dat de bewaring ingaande 2 januari 2003 wordt opgeheven;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 945,-- (zegge: negenhonderd en vijfenveertig euro), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2003, in tegenwoordigheid van ir. M.V.C. Dam-Jansen, griffier.

Afschrift verzonden op: 8 januari 2003

Conc.: MD

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.