Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF4525

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
17-02-2003
Zaaknummer
AWB 01/62155 OVERIO
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Amv / adequate opvang / ama-beleid.

Verweerder heeft in het bestreden besluit kennelijk toepassing gegeven heeft aan zijn beleid inzake opvang, neergelegd in hoofdstuk C2/7.4.1 Vc 2000, waarin verweerder gevolgen verbindt aan - onder meer - het afleggen van ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen door vreemdelingen, wier minderjarigheid op zichzelf niet in geding is. De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden tot toepassing van dit ter uitvoering van de Vw 2000 opgestelde beleid is overgegaan. Het uitgangspunt dat overeenkomstig het beginsel van onmiddellijke werking toepassing dient te worden gegeven aan het bij het nemen van de beslissing op bezwaar geldende beleidsmatige toetsingskader, geldt naar het oordeel van de rechtbank niet absoluut. Dit uitgangspunt lijdt bijvoorbeeld uitzondering indien de regelgever zulks heeft bepaald. Uit TBV 2000/30 kan de rechtbank niet anders afleiden dan dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit toepassing had behoren te geven aan het oude ama-beleid.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

zittinghoudende te Maastricht

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

in verbinding met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 en

artikel 7.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/62155 OVERIO

Inzake : A, eiser.

Gemachtigde, mr. A.J.P. Lemmen, advocaat te Heerlen.

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Gemachtigde, mr. M.M.J. Pieters, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 22 juli 2002 treedt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats van de Staatssecretaris van Justitie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Justitie.

Eiser stelt geboren te zijn op [...] 1982 en bezit de Guinese nationaliteit. Hij verblijft sedert 28 januari 1997 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 28 januari 1997 heeft hij een aanvraag om toelating als vluchteling en een aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf ingediend. Hierop is door verweerder op 12 april 2000 afwijzend beslist. Op 23 mei 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt. Eiser is op 21 juni 2001 door een ambtelijke commissie gehoord. Verweerder heeft op 6 november 2001 afwijzend beslist op het bezwaar. Op 20 november 2001 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het beroep aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.

Op 20 november 2001 heeft eiser de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op zijn beroep is beslist. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats d.d. 24 juli 2002 (reg.nr. AWB 01/62150 OVERIO) is dit verzoek toegewezen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn (aanvullend) verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 november 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.A.E. Engelen, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna te noemen: Vw 2000). De Vreemdelingenwet, Stb. 1965, 40 (hierna: Vw) is per deze datum ingetrokken. Nu het bestreden besluit is bekendgemaakt na 1 april 2001, is op de beoordeling daarvan het thans geldende recht van toepassing.

3. Het geschil tussen partijen spitst zich blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 3.56 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), hierna aangeduid als amv-vergunning.

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een amv-vergunning. Verweerder sluit niet uit dat eiser minderjarig was ten tijde van zijn aanvraag om toelating als vluchteling. Naar de mening van verweerder is er evenwel sprake van een dermate grote discrepantie tussen de door eiser opgegeven leeftijd en de - aan de hand van het ter voorbereiding van het besluit van 12 april 2000 uitgevoerde leeftijdsonderzoek - vastgestelde leeftijd, dat eiser in ieder geval ten aanzien van zijn leeftijd onjuiste gegevens heeft verstrekt. Hierdoor is de identiteit van eiser ernstig in geding waardoor een onderzoek naar de mogelijkheid van adequate opvang is gefrustreerd, aldus verweerder.

5. Eisers grieven, voorzover gericht tegen de resultaten van het door verweerder uitgevoerde leeftijdsonderzoek, behoeven naar het oordeel van de rechtbank hier geen verdere bespreking. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 5 van eerdergenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter d.d. 24 juli 2002, welke overweging de rechtbank tot de hare maakt. Eiser heeft voor het overige aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten te motiveren op grond waarvan hij tot zijn conclusie is gekomen dat eiser een mogelijk onderzoek naar de beschikbaarheid van adequate opvang frustreert.

6. Verweerder heeft in het bestreden besluit kennelijk toepassing gegeven heeft aan zijn beleid, neergelegd in onderdeel C2/7.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), waarin verweerder gevolgen verbindt aan - onder meer - het afleggen van ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen door vreemdelingen, wier minderjarigheid op zichzelf niet in geding is. De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden tot toepassing van dit ter uitvoering van de Vw 2000 opgestelde beleid is overgegaan. De rechtbank benadrukt daarbij dat de door verweerder in casu toegepaste afwijzingsgrond nog niet voorkwam onder het ten tijde van verzoekers asielaanvraag geldende beleid, zoals neergelegd in onderdeel B7/13 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994) en Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 1996/1 (hierna: TBV 1996/1). Nu het oude beleid in dit opzicht als gunstiger voor eiser moet worden beschouwd, doet de vraag zich voor of het zogeheten eerbiedigingsbeginsel - dat meebrengt dat verweerder dient te toetsen aan het beleidsmatige toetsingskader zoals dat gold ten tijde van de aanvragen - niet zou moeten leiden tot de conclusie dat eisers aanspraak op een amv-vergunning ook in bezwaar naar het oude beleid moet worden beoordeeld.

7.1 In het kader van de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat in de jurisprudentie is aanvaard dat aan de Vw 2000, voor wat de toepassing van het materiële recht betreft, onmiddellijke werking toekomt, ook in die gevallen waarin de primaire besluiten nog met toepassing van het oude recht zijn genomen. Deze onmiddellijke werking berust niet op een expliciet in de Vw 2000 opgenomen overgangsrechtelijke bepaling. Blijkens de memorie van toelichting op het huidige artikel 118 van de Vw 2000 (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 94-95) volgt reeds uit de hoofdregel van het algemene bestuursrecht dat in bezwaar ex nunc wordt beslist. Uitgangspunt is dat het bestuursorgaan bij de heroverweging op de voet van artikel 7:11 van de Awb rekening houdt met nieuwe feiten en omstandigheden en ook toepassing geeft aan het bij het nemen van de beslissing op bezwaar geldende beleidsmatige toetsingskader.

7.2 De rechtbank wijst voor wat betreft het aan de Vw 2000 ten grondslag liggende onmiddellijkheidsbeginsel tevens op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 20 maart 2002 (nr. 200200879/1, gepubliceerd in JV 2002/146). In deze uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de Vw 2000 en daarmee ook de Vc 2000 van toepassing is op een (onder de Vw ingediende) aanvraag die ingevolge artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Vw 2000. Voormelde bepaling laat volgens de Afdeling geen ruimte voor toepassing van het beleid, neergelegd in Vc 1994, ook niet indien dat voor betrokkene gunstiger zou zijn.

8. Het uitgangspunt dat overeenkomstig het beginsel van onmiddellijke werking toepassing dient te worden gegeven aan het bij het nemen van de beslissing op bezwaar geldende beleidsmatige toetsingskader, geldt naar het oordeel van de rechtbank echter niet absoluut. Dit uitgangspunt lijdt bijvoorbeeld uitzondering indien de regelgever zulks heeft bepaald. Verder kunnen er feiten en omstandigheden zijn die het bestuursorgaan er toe nopen om in een specifieke, concrete, situatie een uitzondering op voornoemd uitgangspunt aan te nemen. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het oog op de verplichtingen die voor het bestuursorgaan voortvloeien uit het in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginsel van behoorlijk bestuur dat gewekte verwachtingen rechtens dienen te worden gehonoreerd.

9. De regeling die in artikel 3.103 van het Vb 2000 is getroffen, kan eiser in het licht van het vorenstaande niet baten. Blijkens een uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2002 (nr. 200106237/1; gepubliceerd in JV 2002/127), is artikel 3.103 van het Vb 2000 - welk artikel volgens de Nota van Toelichting het eerbiedigingsbeginsel verwoordt - niet van toepassing op de invoering van de Vw 2000 en het Vb 2000. Voornoemd artikel ziet slechts op toekomstige wijzigingen in de vreemdelingenwetgeving. Artikel 3.103 van het Vb 2000 betreft - anders gezegd - geen regel van overgangsrecht.

10. Bij TBV 2000/30 van 29 december 2000 is nieuw beleid inzake ‘Alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen’ bekendgemaakt. Dit TBV vermeldt onder het kopje ‘Algemeen overgangsrecht’, voorzover hier van belang, het navolgende:

„Het nieuwe beleid zoals beschreven in dit TBV is alleen van toepassing op alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen die hun asielaanvraag hebben ingediend op of na 4 januari 2001. (…)

In de gevallen waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 4 januari 2001, blijven paragraaf B7/13 (oud) en de TBV’s 1996/1, 2000/6 en 2000/7 van toepassing, zowel bij eerste beoordeling als bij de de beoordeling van de verlengingsaanvraag. „

Uit voormelde passage kan de rechtbank niet anders afleiden dan dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit toepassing had behoren te geven aan het oude beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA-beleid).

11. Het voorgaande laat naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid open dat aan eiser voor wat betreft de toepassing van het oude AMA-beleid nog op andere dan aan het beleid als zodanig ontleende gronden kan worden tegengeworpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. In de onder de Vw gevormde jurisprudentie wordt in dit opzicht aanvaard dat een vreemdeling die (evident) een onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst frustreert geen geslaagd beroep kan doen op het beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, zo volgt uit de door verweerder (in het aanvullend verweerschrift) aangehaalde jurisprudentie, indien de vreemdeling geen, onvoldoende danwel onjuiste informatie verstrekt met betrekking tot het adres in het land van herkomst, ofwel indien de vreemdeling ongeloofwaardige verklaringen aflegt als gevolg waarvan zijn identiteit en nationaliteit ter discussie staan.

12. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat het verschil tussen de door eiser bij zijn aanvraag opgegeven leeftijd (door verweerder bepaald op 14,95 jaar) en de leeftijd van 17,36 jaar zoals die is vastgesteld aan de hand van het leeftijdsonderzoek zodanig groot is dat eiser in elk geval moet worden geacht ten aanzien van zijn leeftijd onjuiste gegevens te hebben verstrekt, waardoor zijn identiteit ernstig in het geding komt en waardoor het onderzoek naar adequate opvang wordt gefrustreerd. De rechtbank acht deze motivering in het licht van de hiervoor weergegeven jurisprudentie echter niet toereikend om eiser een amv-vergunning te onthouden. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat eiser aldus een onderzoek naar (adequate) opvangmogelijkheden in het land van herkomst onmogelijk maakt. Dit klemt temeer nu verweerder eiser kennelijk niet tegenwerpt onvoldoende, danwel onjuiste informatie te hebben verstrekt met betrekking tot zijn adres in zijn land van herkomst.

13. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb een deugdelijke motivering ontbeert.

14. Het beroep is derhalve gegrond.

15. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

Gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:75 van de Awb beslist de rechtbank als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 6 november 2001;

3. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker, als voorzitter en mrs. M. Hillen en A.J. Henzen als leden van de meervoudige kamer in tegenwoordigheid van mr. B.T. Nijeholt als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2003 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. B.T. Nijeholt w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 27 januari 2003

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open (artikel 120 Vw 2000).