Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF4216

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
10-02-2003
Zaaknummer
09/753231-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753231-02

rolnummer 0005

's-Gravenhage, 7 februari 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [adres]

thans gedetineerd in P.I. Haaglanden, HvB Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 januari 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. Kaarls, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich twee benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr Steen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem onder 3 primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 5918,10,= subsidiair 50 dagen dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] en een bedrag groot € 5097,89,= subsidiair 50 dagen dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2]

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft samen met anderen een willekeurig persoon uitgekozen en beroofd van zijn personenauto en persoonlijke zaken. Het slachtoffer is - terwijl hij in zijn auto op de openbare weg reed - tot stoppen gedwongen en met een vuurwapen bedreigd en vervolgens gedurende langere periode op gewelddadige wijze van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Het slachtoffer is nadien achtergelaten op een afgelegen plaats terwijl hij was vastgebonden en gekneveld. Het betreft hier zeer ernstige feiten, welke door de wijze waarop ze zijn uitgevoerd blijk geven van een schrijnend gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en de eigendommen van anderen. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het slachtoffer nog gedurende lange tijd de (psychische) gevolgen van deze feiten zal moeten ondervinden. Daarenboven veroorzaken dergelijke brute en brutale feiten op de openbare weg veel angst en onrust in de maatschappij en in het bijzonder bij weggebruikers.

In het kader van de voorbereiding heeft een van de mededaders een voertuig en een tankpas van zijn voormalige werkgever weggenomen en zodoende materiële schade en overlast veroorzaakt. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden mede gebruik te maken van de gestolen tankpas en het voertuig.

De rechtbank neemt bij dit alles in aanmerking dat twee van de mededaders van jeugdige leeftijd waren, een van hen was ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen zelfs minderjarig. Verdachte daarentegen was niet alleen ouder, maar was bovendien nog niet lang vrij nadat hij voor een zeer zwaar geweldsdelict was veroordeeld tot een lange gevangenisstraf. Ook uit verdachtes processuele houding maakt de rechtbank op dat deze het kwalijke van zijn gedrag niet wenst in te zien.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur aangewezen.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1918,10 als materiële schade en € 4000,- als immateriële schade.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade en op het toe te wijzen deel van de immateriële schade, is de rechtbank van oordeel dat deze door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden is gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks -naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken- haar grondslag vindt in de bij dagvaarding onder 1. en 2. aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt voorshands door de rechtbank tot een bedrag van € 2000,- redelijk en billijk geacht.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de rechtbank van oordeel is dat de vordering, voor zover deze een bedrag van € 2000,- terzake van immateriële schade te boven gaat, niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

[slachtoffer 2], gevestigd te [vestigingsplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoeg[vestigingsplaats]ke van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5097,89.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat het voegingsformulier de naam van een van de mededaders bevat, alsmede het parketnummer van diens stafzaak. De raadsman verbindt daaraan de conclusie dat de vordering niet geacht kan worden tevens te zijn ingediend in de strafzaak tegen zijn cliënt.

De rechtbank verwerpt dit standpunt. Uit de context van de vordering en de daarop vermelde toelichting, blijkt voldoende dat beoogd is vergoeding te verkrijgen van de schade tengevolge van de strafbare gedragingen waaraan ook verdachte deel heeft gehad. De vordering kan derhalve geacht worden eveneens te zijn ingediend in de onderhavige strafzaak.

Ten aanzien van de vordering is de rechtbank van oordeel dat deze door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden is gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks -naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken- haar grondslag vindt in de bij dagvaarding onder 3. en 4. aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feiten.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de BTW over het schadebedrag zal de rechtbank de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, aangezien de rechtbank dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard acht, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank zal deze vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 4283,92.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1. en 2., alsmede de onder 3. en 4. bewezenverklaarde strafbare feiten zijn toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan

verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een vierde deel van de toegewezen bedragen. Dit komt neer op een bedrag groot € 979,52 ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] en een bedrag groot € 1070,98 ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2].

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 24c, 36f, 47, 57, 282, 310, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij dagvaarding onder 3 primair telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van feit 4:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 26-09-2002;

in voorlopige hechtenis gesteld op : 30-09-2002;

wijst de vordering tot schadevergoeding van na te noemen benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3918,10 en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting genoemd bedrag te betalen aan [slachtoffer 1], wonende te [w[vestigi[woonplaats], [adres], met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 979,52 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen;

bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van na te noemen benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4283,92 en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting genoemd bedrag te betalen aan [slachtoffer 2], gevestigd te [vestigingsplaats], [adres] , met veroordel[vestigingsplaats]ns in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1070,98, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 21 dagen;

bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partijen, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichtingen tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Donker, voorzitter,

Bergman en De Goede, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Talsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 februari 2003.

parketnummer 09/753231-02