Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF4028

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
02/02808
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Directeur Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen treedt op als bestuursorgaan bij besluit inzake de afwikkeling van verstrekte hypotheekgarantie.

Besluit dat eiser terzake van het verlies in verband met de gedwongen verkoop van een pand waarvoor hypotheekgarantie is verstrekt, een bepaald bedrag aan de stichting verschuldigd is en dat niet wordt afgezien van invordering.

Blijkens een uitspraak van de ABRS van 12 november 1998 (opgenomen onder LJN ZF3610) oefent verweerder bij het al dan niet verstrekken van een hypotheekgarantie openbaar gezag uit en treedt in zoverre op als bestuursorgaan. De rechtbank meent dat zulks evenzeer het geval is bij het nemen van besluiten inzake de afwikkeling van de verstrekte hypotheekgarantie jegens degene aan wie die garantie is verstrekt.

De Algemeen directeur van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen te Zoetermeer, verweerder.

mr. A.A.M. Mollee

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudig

Reg. nr. AWB 02/02808

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

De algemeen directeur van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen te Zoetermeer, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Door verweerder is aan eiser op 14 februari 1995 een Nationale Hypotheek Garantie verstrekt ten behoeve van de aankoop van een pand gelegen in de gemeente Den Haag.

Gedwongen verkoop van dit pand heeft geleid tot een verlies dat door verweerder aan de geldverstrekker is vergoed.

Bij besluit van 14 mei 2001 heeft verweerder bepaald dat eiser terzake van het verlies een bedrag van f 79.298,69 aan de Stichting verschuldigd is en dat niet wordt afgezien van invordering .

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 juni 2001 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Omtrent dit bezwaarschrift is eiser op 7 mei 2002 gehoord.

Bij besluit van 13 juni 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 24 juli 2002, ingekomen bij de rechtbank op 25 juli 2002 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 30 augustus 2002 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 15 januari 2003 ter zitting behandeld.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Pelle.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J. Cammelbeeck en mr. P. Bondeling.

Motivering

Blijkens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 november 1998 (AB 1999/30) oefent verweerder bij het al dan niet verstrekken van een hypotheekgarantie openbaar gezag uit en treedt in zoverre op als bestuursorgaan.

De rechtbank meent dat zulks evenzeer het geval is bij het nemen van besluiten inzake de afwikkeling van de verstrekte hypotheekgarantie jegens degene aan wie die garantie is verstrekt.

Verweerder voert met betrekking tot de uitoefening van het hem toekomende regresrecht na vergoeding van een verlies van de geldgever bij gedwongen verkoop het volgende beleid:

"Indien de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen als borg een betaling heeft gedaan aan de geldgever, is de stichting in beginsel bereid de vordering terzake van deze betaling niet bij de geldnemer in te vorderen mits en voor zover naar het oordeel van de stichting is gebleken dat:

-de geldnemer ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening te goeder trouw is geweest, en:

-de geldnemer zijn volledige medewerking heeft verleend om tot een zo goed mogelijke terugbetaling van de lening te geraken."

Dit beleid is vastgelegd in de door de Stichting vastgestelde Algemene Voorwaarden voor borgtocht 2001 en wordt door de Stichting toegepast met terugwerkende kracht tot 1 januari 1995.

Tussen partijen is thans in geschil of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser ten aanzien van het niet kunnen betalen van de lening niet te goeder trouw is geweest. Deze vraag wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord.

Weliswaar staat wel vast dat eiser bij de aankoop van de woning het slachtoffer is geworden van frauduleus handelen van de wederpartij, doch dit neemt niet weg, zoals uit het dossier genoegzaam blijkt, dat eiser, ondanks wat hem is voorgespiegeld, zich redelijkerwijs bewust moet zijn geweest van het feit dat hij een woning kocht die hij niet zelf kon betalen. Dat er bij de aankoop van het pand is gewerkt met in strijd met de waarheid door anderen dan eiser opgemaakte gegevens moet onder de gegeven omstandigheden voor risico van eiser blijven, zeker nu eiser blijkens het proces-verbaal van de door eiser gedane aangifte op 23 maart 1995 zelf heeft verklaard een blanco hypotheekaanvraag te hebben ondertekend, terwijl hij al eerder door het aankopen van een huis op deze manier in moeilijkheden was geraakt. Terecht heeft verweerder er in het bestreden besluit ook op gewezen dat eiser heeft kunnen zien dat hij in de hypotheekakte werd aangeduid met als beroep vertegenwoordiger. Nu eiser geen inkomen uit loondienst had, had hij ook daaruit de gevolgtrekking kunnen maken dat de geldgever tot de geldlening had besloten op grond van omtrent hem verstrekte onjuiste gegevens.

Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser bij het afsluiten van de overeenkomst tot geldlening niet te goeder trouw heeft gehandeld. Hieruit volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2003, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A. Leijten.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,