Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF3798

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-02-2003
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
09/755133-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/755133-02

rolnummer 0004

's-Gravenhage, 3 februari 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, PCS De Kantelberg, Unit 4.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 20 januari 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd, te weten Coöperatieve Rabobank Den Haag E.O., gevestigd te Den Haag, Coöperatieve Rabobank Leidschendam-Voorburg U.A., gevestigd te Leidschendam en Coöperatieve Rabobank Leiden-Oegstgeest U.A., gevestigd te Leiden.

De officier van justitie mr. Meissen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder het eerste cumulatief/alternatief 1 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

De officier van justitie vordert voorts dat het blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen (hierna te noemen Beslaglijst, welke als bijlage C is aangehecht) onder verdachte inbeslaggenomen voorwerp genoemd onder nummer 1, voorzover betrekking hebbend op een bedrag van € 13.220,00, alsmede het voorwerp genoemd onder nummer 2, zullen worden teruggegeven aan verdachte. De officier van justitie vordert dat de blijkens de Beslaglijst onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen genoemd onder de nummers 3 tot en met 11 zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde Brinks Nederland BV.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder het eerste cumulatief/alternatief primair onder 5, 7 en 8 en hetgeen onder het tweede cumulatief/alternatief onder 1,2, 3, 4, 6 en 9 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder het eerste cumulatief/alternatief onder 1, 2, 3, 4, 6 en 9 vermelde feiten en de onder het tweede cumulatief/alternatief onder 5, 7 en 8 heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte, werkzaam bij Brinks's Nederland B.V., een bedrijf dat geldautomaten bijvult en storingen daaraan verhelpt, heeft alleen of samen met een ander of anderen, grote hoeveelheden geld gestolen uit verschillende geldautomaten. Verdachte en in de meeste gevallen ook zijn mededader(s) hebben daarbij sleutels van de geldautomaten gebruikt en hebben -door middel van hun kennis van het bedienen van de alarminstallaties in de kluis van de pinautomaat- het alarm kunnen omzeilen. Om de diefstal te verdoezelen hebben verdachte en zijn mededaders de bedragen in de computer aangepast. Verdachte heeft ook enige geldbedragen verworven en voorhanden gehad, welke bedragen -naar verdachte wist- van soortgelijke door zijn mededader(s) gepleegde diefstallen afkomstig waren.

Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen anderen financieel benadeeld, maar heeft ook in ernstige mate het vertrouwen geschonden dat bedrijven in hun medewerkers moeten kunnen hebben. Dit laatste klemt temeer in geval van bedrijven waarin de werknemers, gelet op de aard van de werkzaamheden, met grote geldbedragen te maken hebben.

De rechtbank neemt in het voordeel van verdachte in aanmerking dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, niet eerder terzake van enig strafbaar feit is veroordeeld.

Het hiervoor overwogene, alsmede dat verdachte op bovengenoemde, bijna listige wijze, ernstig misbruik heeft gemaakt van de kennis en middelen die hem in het kader van zijn werkzaamheden door zijn werkgever noodzakelijkerwijs zijn aangereikt, brengt de rechtbank ertoe een zwaardere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht derhalve na te noemen gevangenisstraf passend en geboden.

De rechtbank heeft kennis genomen van een voorlichtingsrapport betreffende verdachte van het Leger des Heils, d.d. 14 januari 2003, opgemaakt en ondertekend door B.J. Bartelds en R. van Diemen, respectievelijk reclasseringswerker en unitmanager unit 6. In dit rapport wordt onder meer geadviseerd om aan een voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarde te verbinden van verplichting tot een reclasseringscontact. De raadsman heeft ter terechtzitting medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen het opleggen van een bijzondere voorwaarde. In het bijzonder gelet op het advies van de reclassering, zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht.

Beslag.

Van de buit van de onderhavige feiten is een deel, te weten een bedrag van € 296.620,00, bij verdachte teruggevonden en inbeslaggenomen. Verdachte heeft geen afstand gedaan van een deel van het inbeslaggenomen geld, te weten een bedrag van € 13.220,00. De rechtbank zal gelasten dat dit bedrag gelijkelijk zal worden verdeeld tussen de drie benadeelde partijen.

De rechtbank zal derhalve de teruggave gelasten aan de rechthebbende, te weten Coöperatieve Rabobank Den Haag E.O., van een deel van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten een bedrag van

€ 4.406,67.

De rechtbank zal derhalve de teruggave gelasten aan de rechthebbende, te weten Coöperatieve Rabobank Leiden-Oegstgeest UA, van een deel van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten een bedrag van

€ 4.406,67.

De rechtbank zal derhalve de teruggave gelasten aan de rechthebbende, te weten Coöperatieve Rabobank Leidschendam-Voorburg U.A, van een deel van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten een bedrag van € 4.406,67.

De rechtbank zal voorts de teruggave gelasten aan de rechthebbende, Brinks Nederland BV, van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 3 tot en met 11.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 2, te weten een Geld Nederlands tot een bedrag van € 560,00.

De vordering van de benadeelde partijen.

Coöperatieve Rabobank Den Haag E.O., gevestigd te 's-Gravenhage, Kerklaan 2, in dezen vertegenwoordigd door [betrokkene], heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van de vordering tot schadevergoeding, betrekking hebbend op ten gevolge van de onder het eerste cumulatief/alternatief primair onder de nummers 1, 2, 3 en 4 en de ten gevolge van het onder het tweede cumulatief/alternatief onder 7 geleden schade, groot € 349.047,40.

Coöperatieve Rabobank Leiden-Oegstgeest UA., gevestigd te Leiden, Stationsweg 39, 2312 AT, in dezen vertegenwoordigd door [betrokkene], heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van de vordering tot schadevergoeding, betrekking hebbend op ten gevolge van het onder het eerste cumulatief/alternatief primair onder de nummers 6 en ten gevolge van het onder het tweede cumulatief/alternatief onder 8 geleden schade, groot € 402.800,=.

Coöperatieve Rabobank Leidschendam-Voorburg U.A., gevestigd te Leidschendam, Liguster 20, 2262 AC, in dezen vertegenwoordigd door [betrokkene], heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van de vordering tot schadevergoeding, met betrekking tot ten gevolge van het onder het eerste cumulatief/alternatief primair onder de nummer 9 en het ten gevolge van het onder het tweede cumulatief/alternatief onder 5 geleden schade, groot € 228.387,60.

Voorzover de vorderingen betrekking hebben op de administratie- en onderzoekskosten, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Verdachte heeft afstand gedaan van een deel van het onder hem inbeslaggenomen geld, te weten tot een bedrag van € 283.400,00. Dit bedrag zal door het openbaar ministerie worden teruggeven aan de (drie) benadeelde(n), naar de rechtbank aanneemt ieder voor een gelijk deel, in welk geval aan iedere bovengenoemde benadeelde partij een bedrag van € 94.466,67 zal worden teruggegeven.

Daarnaast zal de rechtbank zoals hierboven onder het kopje "Beslag" reeds overwogen aan alle drie benadeelden een bedrag teruggeven van € 4.406,67, welk geld ook onder verdachte in beslag was genomen.

De rechtbank acht aannemelijk dat het totaal onder verdachte in beslaggenomen geld (met uitzondering van het onder nummer 2 van de Beslaglijst genoemde bedrag) overeenkomt met het aandeel van verdachte in de buit.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de vordering, gelet op de grootte van het schadebedrag dat op bovenstaande wijze ten laste van verdachte wordt vergoed, niet meer eenvoudig van aard is en dat de benadeelde partijen reeds daarom voor het overige niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder het eerste cumulatief/alternatief primair onder 5, 7 en 8 en hetgeen onder het tweede cumulatief/alternatief onder 1,2, 3, 4, 6 en 9 telastgelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder het eerste cumulatief/alternatief onder 1, 2, 3, 4, 6 en 9 en de onder het tweede cumulatief/alternatief onder 5, 7 en 8 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Terzake van de onder het eerste cumulatief/alternatief onder 1, 2, 3, 4 en 6 vermelde feiten:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

Terzake van het onder het eerste cumulatief/alternatief onder 9 vermelde feit:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

Terzake van de onder het tweede cumulatief onder 5, 7 en 8 vermelde feiten:

Opzetheling, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot ZES (6) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 22 oktober 2002,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 25 oktober 2002;

gelast de teruggave aan de rechthebbende, Coöperatieve Rabobank Den Haag E.O., van een deel van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten een bedrag van € 4.406,67;

gelast de teruggave aan de rechthebbende, Coöperatieve Rabobank Leiden-Oegstgeest UA, van een deel van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten een bedrag van € 4.406,67;

gelast de teruggave aan de rechthebbende, Coöperatieve Rabobank Leidschendam-Voorburg U.A, van een deel van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 1, te weten een bedrag van € 4.406,67;

gelast de teruggave aan de rechthebbende, Brinks Nederland BV, van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 3 tot en met 11;

gelast de teruggave aan verdachte van het blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 2, te weten een Geld Nederlands tot een bedrag van € 560,00;

bepaalt dat de benadeelde partijen Coöperatieve Rabobank Den Haag E.O, Coöperatieve Rabobank Leiden-Oegstgeest UA, Coöperatieve Rabobank Leidschendam-Voorburg U.A niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding, en dat deze hun vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Quadekker, voorzitter,

Joele en Derijks, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van der Putten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2003.

parketnummer 09/755133-02