Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF3770

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2003
Datum publicatie
06-02-2003
Zaaknummer
09/754205-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/754205-00

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 30 januari 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 januari 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr H.H.A. Bijl, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr E.C. Kole heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vorderingen nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1 respectievelijk A2.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs.

Met betrekking tot feit 1:

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het onder 1 telastgelegde niet bewezen kan worden verklaard, aangezien niet kan worden aangetoond dat sprake is van enige variant van opzet gericht op het plegen van valsheid in geschrift met het oogmerk om het door hem aan het papier toevertrouwde als echt en onvervalst te (doen) gebruiken.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de inhoud van de door verdachte opgestelde minuut in strijd met de vigerende toelatings- en procedureregels is. De rechtbank stelt voorts vast dat de afwijzende beschikking in eerste aanleg was gebaseerd op de inhoud van een ambtsedig proces-verbaal, waaruit blijkt dat de gestelde partner van de vreemdeling die verblijf beoogde, aan de vreemdelingenpolitie had meegedeeld dat de relatie een zogenaamde schijnrelatie zou betreffen. Gebleken is verder dat verdachte ten tijde van het opstellen van de minuut niet over andersluidende informatie dan zijn collega's in eerste aanleg beschikte, terwijl hij evenmin enig nader onderzoek naar de onderliggende feiten heeft ingesteld of geïnitieerd. Desondanks stelde verdachte in de minuut dat de gestelde schijnrelatie niet houdbaar zou zijn en dat het bezwaarschrift diende te worden ingewilligd. Enige bevredigende uitleg voor deze bevreemdende gang van zaken heeft verdachte niet gegeven. De verwijzing door verdachte naar de hoge werkdruk kan naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig gelden. Dit laatste te meer niet, omdat verdachte de betreffende zaak veel sneller dan normaliter kon worden verwacht, heeft afgehandeld. Ook voor dit laatste gegeven heeft verdachte overigens geen redelijke verklaring kunnen geven, terwijl uit het dossier evenmin kan blijken van enige reden waarom deze zaak met zo veel meer voortvarendheid is afgehandeld dan vergelijkbare zaken.

Verdachte wist voorts dat de door hem opgestelde minuut, zeker ook gezien zijn seniore positie binnen de IND, feitelijk de basis zou vormen voor de te nemen beslissing op het bezwaarschrift.

Gezien deze feiten en omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank op zijn minst willens en wetens het aanmerkelijke risico genomen dat het door hem in de minuut gestelde omtrent het realiteitsgehalte van de relatie tussen de betreffende vreemdeling en de gestelde partner onjuist en in strijd met de waarheid zou zijn. Aldus was bij verdachte ook minst genomen de voorwaardelijke opzet aanwezig om een met de waarheid strijdige minuut op te stellen.

Met betrekking tot feit 3:

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het onder 3 telastgelegde niet bewezen kan worden verklaard, aangezien niet kan worden aangetoond dat verdachte is aan te merken als auteur/opsteller van bedoelde brieven. Tevens is niet te bewijzen dat verdachte door gebruik ervan het oogmerk heeft gehad van misleiding.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte geen aannemelijke, geloofwaardige verklaring heeft voor de aanwezigheid van de brieven van een zestal vreemdelingen, zogenaamde "witte illegalen", op zijn computer in zijn woning. Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij in september 2000 een nieuwe harde schijf in de computer heeft laten zetten door een kennis die niet bij de IND werkt. Volgens verdachte is het daarom onmogelijk dat de brieven (die van voor september 2000 gedateerd zijn) op de harde schijf zijn aangetroffen. Aangezien er een nieuwe harde schijf op de computer is gezet, moeten volgens verdachte de brieven met deze later geplaatste schijf zijn meegekomen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat de computer in de woning van verdachte twee harde schijven bevatte. Bij de plaatsing van de tweede harde schijf is, kennelijk buiten weten van verdachte om, blijkbaar de oorspronkelijke harde schijf ook in de computerkast blijven zitten. De betreffende "witte illegalen"-brieven zijn aangetroffen op één van de in de computer aanwezige harde schijven. Gezien de overige op deze harde schijf aanwezige software, waaronder de oorspronkelijke IND-privé installatiesoftware, en de datum waarop deze software op de betreffende schijf is geïnstalleerd, komt de rechtbank tot de conclusie dat dit de oorspronkelijke, bij aflevering in 1998 reeds in de computer aanwezige, harde schijf betreft en niet de later bijgeplaatste harde schijf. Verdachte's bewering dat bedoelde brieven zouden zijn meegekomen met de nieuwe harde schijf wordt derhalve weersproken door de feiten zoals deze uit het dossier blijken.

De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte in het verleden bij de uitvoering van het "witte illegalen"-beleid betrokken is geweest en hij derhalve ook op de hoogte was van de geldende criteria en procedures. Evenzeer bezat verdachte de contacten en de kennis om aan de bij het opstellen van de "witte illegalen"-brieven gebruikte briefmasker(s) en IND-modelbrieven te komen en deze te gebruiken. Gelijk ook door verdachte is erkend, moet het voorts voor uiterst waarschijnlijk worden gehouden dat bedoelde "witte illegalen"-brieven door een IND-medewerker zijn opgesteld.

De rechtbank stelt voorts vast dat verdachte heeft erkend dat hij ook "witte illegalen" in zijn garage heeft ontvangen en geadviseerd. Verdachte ontkent echter, ook ter terechtzitting, dat hij -buiten zijn reguliere IND-werkzaamheden om- enige verdergaande actieve betrokkenheid heeft gehad bij de verblijfsregeling van "witte illegalen". De rechtbank stelt echter in dit verband vast dat op dezelfde harde schijf van de computer van verdachte als waarop de hiervoor bedoelde zogenaamde "witte illegalen"-brieven zijn gevonden een aantal kennelijk eerder gewiste, en kennelijk door verdachte opgestelde, brieven zijn aangetroffen. Een van deze brieven, gedateerd 29 maart 2000 betreft de toezending door ene [betrokkene] van diverse stukken aan de IND betreffende de aanvraag van [betrokkene] in het kader van de "witte illegalen"-regeling. Een tweede brief, gedateerd 4 april 2000, betreffende ene [betrokkene] is eveneens opgesteld met het oog op de "witte illegalen"-regeling. Betreffende deze [betrokkene] zijn bij verdachte thuis ook nog diverse andere, deels van de IND afkomstige, documenten gevonden. Deze [betrokkene] is bovendien een van de vreemdelingen die een zogenaamde "witte illegalen"-brief hebben gekregen.

De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte in de periode dat hij wegens gestelde arbeidsongeschiktheid thuis verbleef in minimaal 2 gevallen actieve, schriftelijke, privé-bemoeienis met de verblijfsregeling van "witte illegalen" heeft gehad. Zijn andersluidende verklaring moet dan ook als kennelijk leugenachtig worden aangemerkt. Voorts blijkt dat verdachte al enige maanden voor de verzending van de zogenaamde "witte illegalen"-brieven, een actieve betrokkenheid had bij de verblijfsregeling van één van de vreemdelingen die een zogenaamde "witte illegalen"-brief heeft ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat buiten redelijke twijfel staat dat verdachte, de in concept op zijn computer aangetroffen zogenaamde "witte illegalen"- brieven, ook daadwerkelijk zelf heeft opgesteld.

Betreffende het verweer dat genoemde "witte illegalen"-brieven via de IND ter post zijn bezorgd, en dat verdachte in deze periode arbeidsongeschikt thuis zat, en derhalve niet de opsteller/afzender van deze brieven kan zijn, overweegt de rechtbank tenslotte het volgende.

De rechtbank stelt vast dat de brieven zijn verzonden via de postkamer van de IND. Bij de IND bestaat geen registratie/controle over de verzonden poststukken; de stukken worden in een bakje gelegd. Verdachte was in die tijd weliswaar ziek thuis, maar hij was nog wel geautoriseerd voor toegang tot de IND. Opmerkelijk is ook dat de illegale brieven zijn geprint op een HP laserjet-printer en dat in verdachtes woning een dergelijke printer is aangetroffen.

Uit het voorgaande volgt dat het voor verdachte ook tijdens zijn arbeidsongeschiktheid mogelijk moet zijn geweest om bedoelde "witte illegalen"-brieven te printen en deze via de IND postkamer te laten verzenden. Het andersluidende verweer van verdachte wordt dan ook verworpen.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan grootschalige frauduleuze handelingen. Ondermeer heeft verdachte in de hoedanigheid van ambtenaar een (concept) minuut van het Ministerie van Justitie, waarin een onderbouwing van de te nemen beslissing is verwerkt, valselijk opgemaakt. Hij heeft in deze minuut opzettelijk in strijd met de waarheid opgenomen dat de vermeende schijnrelatie van de betrokkene niet langer houdbaar is, terwijl juist na een huisbezoek van de Vreemdelingendienst was gebleken dat er wel sprake was van een schijnrelatie. Verdachte wist bij het opmaken van de minuut dat er verder geen materiële controle meer zou plaatsvinden.

Voorts heeft verdachte in de hoedanigheid van ambtenaar brieven betreffende een zestal vreemdelingen valselijk opgemaakt. Deze brieven waren gericht aan de advocaat van de betrokken vreemdeling en/of aan het Regiopolitiekorps Haaglanden, Bureau Vreemdelingendienst. Daartoe heeft verdachte de lay-out van die brieven nagemaakt als waren deze afkomstig van de Staatssecretaris van Justitie. In de brieven heeft verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid vermeld dat de Staatssecretaris van Justitie heeft besloten geen bezwaar meer te maken tegen het verblijf van betrokken vreemdelingen in Nederland vanwege humanitaire redenen. Deze brieven zijn door verdachte ondertekend met een handtekening voorstellend die van de plaatsvervangend Unitmanager, de heer R. Pieterse.

Verdachte heeft bij zijn handelen misbruik gemaakt van zijn positie als ambtenaar, in die zin dat hij uit hoofde van zijn ambt de macht, de gelegenheid en de middelen had deze feiten te begaan. Verdachte heeft door zijn handelen bewerkstelligd dat personen ten onrechte en op basis van onjuiste gegevens een verblijfsstatus is verstrekt. Niet alleen heeft verdachte dergelijke praktijken met zijn 'diensten' mogelijk gemaakt, hij is daarbij structureel actief geweest en heeft daarin bij gelegenheid een initiërende rol gehad.

Tevens heeft verdachte samen met zijn medepleger een Inlichtingenformulier Aanvraag Verblijf in het kader van Gezinshereniging en gezinsvorming van het Bureau Vreemdelingenpolitie valselijk opgemaakt. Hij heeft opzettelijk in strijd met de waarheid in het formulier gegevens opgenomen over de referent met daarbij een verklaring dat zij graag haar partner wil laten overkomen om samen een gezin te stichten, terwijl verdachte wist dat zij niet de partner was van de betrokkene.

Ten slotte heeft verdachte gepoogd een schijnhuwelijk te arrangeren door tegen betaling van een geldbedrag van fl. 15.000 voor betrokkene een partner te regelen om mee in het huwelijk te treden, teneinde op grond daarvan een verblijfsstatus in Nederland te verkrijgen.

Verdachte had zelfs al een ontmoeting gehad en een betalingsafspraak gemaakt met familie van betrokkene, terwijl hij wist dat dit wederrechtelijk was. Verdachte is dan ook actief behulpzaam geweest bij het uit winstbejag verschaffen van een verblijfstitel. Dat het handelen was gericht op verrijking, blijkt uit het feit dat verdachte terzake van de bemiddeling een hoog bedrag heeft bedongen.

Door zijn praktijken heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de integriteit en geloofwaardigheid van de overheid op een politiek gevoelig terrein. Voorts heeft verdachte door zijn handelwijze de doelstellingen van het vreemdelingenbeleid gefrustreerd. Verdachte is bij het plegen van bovengenoemde misdrijven professioneel te werk gegaan en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat uit een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is, maar zal zij tevens een deel daarvan voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan dergelijke feiten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen 14a, 14b, 14c, 44, 45, 47, 57, 197a en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2, 3 en 4 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en 3:

valsheid in geschrift begaan door een ambtenaar terwijl hij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van valsheid in geschrift

ten aanzien van feit 4:

poging tot een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot en/of verblijven in Nederland terwijl hij weet dat de toegang en/of het verblijf wederrechtelijk is

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 8 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 28 maart 2001,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 30 maart 2001,

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van: 13 september 2001;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Timmermans, voorzitter,

Kuijer en Nijman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Van Vugt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2003.

parketnummer 09/754205-00