Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF3570

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
29-01-2003
Zaaknummer
09/755028-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/755028-02

rolnummer 4

's-Gravenhage, 21 januari 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

Bakki ÇESIN,

geboren op 20 maart 1972 te Karakoçan (Turkije),

wonende te 2515 LZ 's-Gravenhage, Repelaerstraat 26,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Huis van Bewaring,

te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 oktober 2002 en 7 januari 2003.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr E.J.W.F. Deen, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Van Dis heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting (nadere omschrijving telastlegging) - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewijsverweer.

De raadsman heeft namens verdachte ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4, kort en zakelijk weergegeven, het verweer gevoerd, dat verdachte in de bedrijven, die op naam stonden van zijn vriendin P.W.E. Bakhuis, geen functie vervulde en daarvoor geen specifieke verantwoordelijkheid droeg. Op grond daarvan is er geen sprake van een bewuste en nauwe samenwerking met Bakhuis voornoemd bij het plegen van de telastgelegde feiten en kan er derhalve ten aanzien van verdachte niet gesproken worden van medeplegen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte ter terechtzitting, leiden juist tot de conclusie dat verdachte een onmisbare en overheersende rol heeft gespeeld bij de telastgelegde feiten.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij

- gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte is, samen met zijn partner, gedurende ruim een jaar, opzettelijk verschillende verplichtingen inzake de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet nagekomen van bedrijven die weliswaar op naam van die partner stonden, maar welke feitelijk door verdachte werden gerund en bestuurd. Zo zijn er onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting door daarin te lage bedragen aan omzet op te geven dan wel deze aangiften niet te doen. Ook aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen zijn onjuist of onvolledig gedaan.

Voorts is gedurende een aantal jaren geen administratie gevoerd met betrekking tot een aantal op naam van de partner van verdachte staande bedrijven en is op die manier controle op de bedrijfsvoering gefrustreerd.

Ook is, gedurende een aantal jaren, in het kader van de Coördinatiewet sociale verzekering, opzettelijk onjuiste of onvolledige opgave gedaan van het genoten loon van werknemers bij de betreffende bedrijven.

Tenslotte heeft verdachte, terwijl hij in staat van faillissement was verklaard, zich onttrokken aan zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de te voeren administratie en heeft hij zich dus van zijn verplichtingen jegens zijn schuldeisers niets aangetrokken. Bovendien heeft verdachte de boekhouding en overige administratieve bescheiden niet ter beschikking van de curator gesteld noch inlichtingen verstrekt.

Verdachte heeft op zeer grote schaal gefraudeerd. De rechtbank acht evenwel de zich in het dossier bevindende schadeberekening, die weliswaar gebaseerd is op de verklaring van de Inspecteur der belastingen, onvoldoende door bescheiden of anderszins aangetoond om tot een verdergaande conclusie te komen dan dat, in ieder geval, het schadebedrag in de vele miljoenen loopt.

Verdachte heeft met zijn handelen de overheid en anderen substantieel financieel benadeeld. De handelwijze van verdachte betekende ook een oneerlijke concurrentie ten opzichte van bonafide loonbedrijven.

Anderzijds houdt de rechtbank er rekening dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 26 augustus 2002, niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten.

De aard en de ernst van deze feiten rechtvaardigen het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Tevens dient een voorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd, teneinde verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan dergelijke feiten bij zijn toekomstige beroepsactiviteiten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 341 van het Wetboek van Strafrecht;

- 68 (oud), 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

- 10, 17a en 18 (oud) van de Coördinatiewet sociale verzekering;

- 12 en 13 van het Loonadministratiebesluit.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair en 2 primair:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EEN BIJ DE BELASTINGDIENST VOORZIENE AANGIFTE ONJUIST OF ONVOLLEDIG DOEN, TERWIJL DAT FEIT ERTOE STREKT DAT TE WEINIG BELASTING WORDT GEHEVEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 3:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK ALS DEGENE DIE INGEVOLGE DE BELASTINGDIENST VERPLICHT IS TOT HET VOEREN VAN EEN ADMINISTRATIE OVEREENKOMSTIG DE DAARAAN BIJ OF KRACHTENS DE BELASTINGWET GESTELDE EISEN, EEN ZODANIGE ADMINISTRATIE NIET VOEREN, TERWIJL HET FEIT ERTOE STREKT DAT TE WEINIG BELASTING WORDT GEHEVEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 4:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EEN DER IN ARTIKEL 10 VAN DE COÖRDINATIEWET SOCIALE VERZEKERING BEDOELDE VERPLICHTINGEN NIET NAKOMEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 5:

BEDRIEGLIJKE BANKBREUK;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van DERTIG MAANDEN;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot TIEN MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 14 mei 2002,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 17 mei 2002;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Donker, voorzitter,

Don en Van den Boom, rechters,

in tegenwoordigheid van Van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2003.

parketnummer 09/755028-02