Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF3109

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2003
Datum publicatie
24-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/1584 RWNL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 02/1584 RWNL

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A en A-B, wonende te C, eisers,

en

de Staatssecretaris van Justitie, thans: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Eisers, beiden van Iraanse nationaliteit, hebben op 1 september 2000 bij verweerder een verzoek om naturalisatie ingediend.

Bij besluit van 15 november 2001 heeft verweerder eisers medegedeeld dat hij hun verzoek om naturalisatie had afgewezen, omdat eisers niet aan de voorwaarden voor naturalisatie voldeden.

Bij bezwaarschrift van 16 december 2001 hebben eisers tegen dat besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij afzonderlijke besluiten ten aanzien van eiser en eiseres, beide van 28 februari 2002, heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond geacht en het primaire besluit gehandhaafd.

Bij beroepschrift van 9 april 2002 hebben eisers tegen beide besluiten bij de rechtbank beroep ingesteld. Bij brief van 3 juni 2002 zijn de gronden van hun beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden alsmede een verweerschrift, gedateerd 24 september 2002.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 december 2002.

Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, mr. drs. R.P. Dielbandhoesingh, advocaat te Den Haag.

Verweerder is zonder bericht niet verschenen.

Motivering

De rechtbank moet in dit beroep beoordelen of de bestreden besluiten van 28 februari 2002 in rechte kunnen standhouden.

Eisers hebben, kort weergegeven, aangevoerd dat, hoewel zij te Bombay (India) zijn geboren, zij de Iraanse nationaliteit hebben en het grootste deel van hun leven in Iran hebben gewoond. De huidige Iraanse autoriteiten gaan, zoals bekend is, eerst na een grondig onderzoek over tot de afgifte van een Iraans identiteitsbewijs en een Iraans paspoort. Eisers beschikken daarover en zijn reeds jaren geleden in Nederland toegelaten op basis van een vergunning tot verblijf.

Iraanse documenten bevatten een vingerafdruk van de betrokkene, hetgeen een uniek gegeven vormt dat tot slechts één persoon kan worden herleid.

Eisers vragen zich af of het probleemlandenbeleid wel op hen van toepassing is. Zij stammen immers niet uit India en komen aldaar niet in enige registratie voor. Zij stellen dat aan hen in redelijkheid niet de eis kan worden gesteld dat zij een zogeheten non-found certificate overleggen. Eisers zijn daartoe afhankelijk van derden en zijn reeds geruime tijd bezig met het verkrijgen van dergelijke verklaringen, echter zonder resultaat.

Eisers menen zodanige feiten naar voren te hebben gebracht dat verweerder hen in ieder geval had dienen te horen. Bovendien is verweerder daardoor ten onrechte niet toegekomen aan een beslissing omtrent afwijking van het gevoerde beleid ten aanzien van naturalisatie.

Eisers achten de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd.

Verweerder heeft, kort weergegeven, ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar de bestreden besluiten. Hij is van oordeel dat in het beroep- schrift geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan bij het nemen van de bestreden besluiten en in afwijking van de gehanteerde richtlijnen tot een voordracht tot naturalisatie had moeten worden besloten.

Verweerder acht op de aanvraag van eisers het probleemlandenbeleid van toepassing. Eisers hebben niet aangetoond reeds geruime tijd zonder succes bezig te zijn geweest met het verkrijgen van een non-found declaration.

Verweerder is voorts van oordeel, onder verwijzing naar een uitspraak van 23 januari 2002 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AB 2002, 153), dat het bepaalde in artikel 4:2 Awb hem niet de mogelijkheid ontneemt om zich te vergewissen van de identiteit van de verzoeker om naturalisatie door het verlangen van overlegging van een legaliseerde en inhoudelijk geverifieerde geboorteakte voor zover het gaat om iemand die afkomstig is uit een probleemland. Verweerder ziet in de omstandigheden van eisers geen aanleiding om van het gevoerde beleid inzake naturalisatie af te wijken.

Aangezien reeds aanstonds duidelijk was dat de identiteit van eisers niet vaststond, is van het horen afgezien.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uitgangspunt van verweerders, aan eisers tegengeworpen beleid is de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 1999, Stcrt. 204. Daarin is onder meer vermeld dat het onderzoek bij naturalisatie in beginsel plaatsvindt op basis van de gegevens die zijn vermeld in het persoonsregister van de woonplaats van de aanvrager. In bepaalde gevallen bestaat behoefte aan aanvullende documenten. Daarbij wordt verwezen naar verweerders circulaire van 12 januari 2000, kenmerk 5001996/99/6, Stcrt. 2000, 16 (verder: de circulaire), waarin als hoofdregel is vermeld dat de herkomst van een buitenlands document betreffende de staat van een persoon dient te worden gecontroleerd door middel van legalisatie. Omdat uit bepaalde zogeheten probleemlanden, waaronder India, veel valse of vervalste documenten worden overgelegd, heeft de minister van Buitenlandse Zaken besloten ten aanzien van documenten uit een probleemland slechts tot legalisatie over te gaan nadat het desbetreffende document door de Nederlandse diplomatieke of consulaire autoriteiten in het land inhoudelijk is geverifieerd.

Aangezien eisers hebben aangegeven te zijn geboren in Bombay (India) heeft verweerder van eisers overlegging verlangd van een gelegaliseerde en inhoudelijk geverifieerde geboorteakte danwel van een non found declara-tion. Ook voor deze laatste verklaring geldt het vereiste van legalisatie en inhoudelijke verificatie.

Eisers hebben aangegeven dat zij beiden zijn geboren in Bombay uit Iraanse ouders, eiser op […] 1928 en eiseres op […] 1935. Van hun geboorte is slechts aangifte gedaan bij de toenmalige Perzische diplomatieke vertegenwoordiging; zij komen dus in de Indiase geboorteregisters niet voor.

Eisers zijn op jonge leeftijd met hun ouders naar Iran teruggekeerd en hebben vervolgens vele jaren aldaar gewoond.

Zij beschikken over een identiteitsbewijs en een paspoort van de Islamitische Republiek Iran en over een vestigingsvergunning in Nederland.

Eiser heeft van 18 augustus 1983 tot 17 juni 1997 in Den Haag gewerkt als staff member at the Legal Office to the Agent of the Islamic Republic of Iran to the Iran/United States Claims Tribunal. Eiser was in die periode geregistreerd in het bevolkingsregister van de Buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en Internationale organisaties, gevoerd door de minister van Buitenlandse Zaken. Na de beëindiging van eisers werkzaam- heden in die functie hebben eiser en zijn echtgenote zich in Rijswijk gevestigd. Eisers verblijven legaal in Nederland op basis van een vestigingsvergunning.

De rechtbank gaat op basis van het dossier uit van de volgende feiten.

Eisers hebben bij hun verzoek om naturalisatie onder meer een uittreksel uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) overgelegd. Voor beiden is in de GBA als geboorteplaats vermeld: “Bombay in India”. Als geboortedatum van eiser is in de GBA opgenomen: “[…]1928”, die van eiseres is vermeld als: “[…]1935”.

Voorts hebben eisers elk een (vervangend) Iraans geboortebewijs met een vertaling in het Engels overgelegd. Eisers geboortedatum is daarop aangegeven als: “[…]1928”, die van eiseres als: “[…]1935”.

Bij de persoonsgegevens van eiser is door de Iraanse autoriteiten aangegeven dat het identiteitsbewijs is afgegeven door de Iraanse consul te Bombay op 18 maart 1958 onder nummer 6858, ten aanzien van de persoonsgegevens van eiseres is vermeld dat het identiteitsbewijs is afgegeven door de Iraanse consul te Karachi (zonder datumaanduiding) onder nummer 1853.

Doel van het probleemlandenbeleid is de Nederlandse registers en het Nederlandse rechtsverkeer te beschermen tegen niet betrouwbare documenten, afkomstig uit de probleemlanden: India, Pakistan, Ghana, Nigeria en de Dominicaanse Republiek. De Nederlandse overheid tracht met dat beleid te voorkomen dat valse of vervalste documenten betreffende de staat van personen in het Nederlandse rechtsverkeer een rol gaan spelen en daardoor een schijn van echtheid verkrijgen.

Het probleemlandenbeleid is van kracht sedert 1 april 1996.

Allereerst moet de rechtbank beoordelen of verweerder in redelijkheid aan eisers het probleemlandenbeleid heeft kunnen tegenwerpen. De rechtbank is van oordeel dat zulks niet het geval is.

Vooropgesteld moet worden dat eiser en eiseres in het kader van hun verzoek om naturalisatie geen Indiase, maar een (vervangende) Iraanse geboorteakte hebben overgelegd. Slechts de vermelding daarin van Bombay (India) als geboorteplaats heeft verweerder kennelijk aanleiding gegeven het probleemlandenbeleid op beide aanvragen van toepassing te achten en van eisers overlegging van een gelegaliseerde en geverifieeerde geboorteakte danwel van een non found declaration te verlangen.

Eisers zijn weliswaar beiden geboren te Bombay, maar door dat feit kunnen zij niet worden beschouwd als iemand die, in de zin van het probleemlandenbeleid, uit India stamt. De geboorte van eiser in 1928 en van eiseres in 1935 heeft immers geen enkele relatie met de in 1947 tot stand gekomen huidige republiek India. Eiser en eiseres zijn beiden geboren in het voormalige Brits Indië, een Britse kolonie.

Nog daargelaten dat zij in de Brits-Indische geboorteregisters niet zijn opgenomen, aangezien hun ouders, zoals destijds binnen de Perzische gemeenschap in India gebruikelijk was, hebben volstaan met aangifte bij de eigen diplomatieke vertegenwoordiging, bestaat er geen enkele band tussen hun geboorte destijds en de huidige republiek India. Er is dan ook geen enkele reden voor vrees dat de door eiser en eiseres in het kader van hun verzoek om naturalisatie overgelegde Iraanse documenten niet betrouwbaar zouden zijn op grond van de in de jaren ’80 en ’90 van de 20e eeuw ontstane problemen met Indiase documenten.

Gelet op dit oordeel heeft verweerder zich begeven buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling door, kennelijk naar aanleiding van de vermelding van Bombay als geboorteplaats, het probleemlandenbeleid op het verzoek van eisers toepasselijk te achten. De thans bestreden besluiten zijn daardoor niet draagkrachtig gemotiveerd.

Het beroep dat verweerder heeft gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2002 (AB 2002, 153) faalt, nu uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte van eisers overlegging van een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte heeft verlangd.

Bovendien heeft verweerder, door het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond te achten, er in het licht van de voorgaande overwegingen blijk van gegeven onvoldoende gewicht te hebben toegekend aan de door eisers aangevoerde argumenten tegen het van toepassing achten van het probleemlandenbeleid.

Verder bestaat de mogelijkheid dat het eisen van overlegging van een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte strijdig is met het bepaalde in paragraaf 2.3. van de circulaire van 12 januari 2000. Daarin is bepaald dat legalisatie niet mag worden geëist van personen die eerder een gelegaliseer- de akte hebben overgelegd in het kader van – voor zover thans van belang – hun inschrijving in de GBA. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweer- der naar dit aspect enig onderzoek heeft gedaan.

Verweerder heeft aldus niet naar behoren voldaan aan zijn onderzoeksplicht in de bezwaarfase.

De bestreden besluiten kunnen derhalve niet in stand worden gelaten. Het beroep is gegrond.

Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.

Het lijkt de rechtbank twijfelachtig of de huidige Indiase Registrar of Births and Deaths in Bombay zonder problemen toegang heeft tot Brits-Indische geboorteregisters uit 1928 en 1935.

Zonder toegang tot dergelijke oude Brits-Indische geboorteregisters kan geen deugdelijke verificatie plaatsvinden als door verweerder verlangd, noch kan een betekenisvolle non found declaration worden afgegeven.

Voor de rechtbank staat thans allerminst vast dat het, zo men in het geval van eisers het probleemlandenbeleid al van toepassing zou achten, mogelijk is van de bevoegde Indiase autoriteiten verklaringen te verkrijgen die - in het licht van de doelstellingen van het probleemlandenbeleid - als betekenisvol moeten worden aangemerkt en die meerwaarde opleveren ten opzichte van hetgeen omtrent de geboorte van eiser en eiseres en de (niet-) registratie daarvan thans reeds bekend is.

In dit licht bezien staat voor de rechtbank niet vast dat het overleggen van een gelegaliseerde en geverifieerde geboorteakte of non found declaration kan worden beschouwd als behorend tot bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, een en ander als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers. Deze kosten zijn, met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,-; gewicht van de zaak: gemiddeld – factor 1). De Staat der Nederlan- den (ministerie van Justitie) wordt aangewezen als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te vergoeden.

Voorts dient verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad

€ 109,- te vergoeden.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond.

Vernietigt de bestreden besluiten van 28 februari 2002, kenmerk 9709-03-6056.

Draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bepaalt dat de rechtspersoon de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie) aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten € 109,-, vergoedt.

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ad € 644,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eisers dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. J.W. Sentrop en in het openbaar uitgesproken op

3 januari 2003, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.S.E. Hage als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: