Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AF2601

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2003
Datum publicatie
03-01-2003
Zaaknummer
KG 02/1518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 3 januari 2003,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 02/1518 van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. K.T.B. Salomons,

tegen:

1. de stichting

Biomedical Primate Research Centre,

statutair gevestigd te Delft en kantoorhoudende te Rijswijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. W. Taekema,

advocaat mr. P. van der Mersch te Rotterdam,

2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

procureur mr. J.J. van der Helm.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk "de Dierenbescherming", "het BPRC" en "de Staat".

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 december 2002 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. De Dierenbescherming stelt zich de bescherming van dieren in de ruimste zin van het woord ten doel.

1.2. Het BPRC heeft ten doel het (doen) beheren, het (doen) exploiteren, het financieren, het steunen, het (doen) instandhouden van een primatencentrum en het (doen) verrichten van onderzoek op primaten alsmede al hetgeen hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

1.3. Het BPRC ontvangt van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) een algemene bijdrage in de exploitatie van haar primatencentrum.

1.4. Teneinde proeven op dieren mogelijk te maken is het BPRC op 6 juni 1995 door de toenmalige Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in het bezit gesteld van een vergunning ex artikel 2 van de Wet op de dierproeven (WOD).

1.5. Het BPRC heeft een zogenaamde Dierexperimentencommissie (DEC) ingesteld, die door de Minister van VWS is erkend. Deze commissie adviseert het BPRC over dierproeven.

1.6. Op 8 december 2000 heeft de toenmalige Minister van OC&W de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) advies gevraagd over de noodzaak van het primatencentrum van het BPRC voor biomedisch onderzoek in het algemeen en de volksgezondheid in het bijzonder. De KNAW heeft advies uitgebracht op 18 april 2001.

1.7. Het BPRC voert op dit moment, in opdracht van de Europese Commissie (die het onderzoeksprogramma vooraf heeft getoetst en ook een deel van de financiering op zich neemt) en in samenwerking met - onder meer - het Leids Universitair Medisch Centrum, een onderzoek uit naar de veiligheid en effectiviteit van een door hem ontwikkeld - mogelijk - vaccin tegen het hepatitis C-virus. Het is voornemens daarbij proeven te gaan uitvoeren op

- onder meer - (zes) chimpansees.

1.8. Op 26 augustus 2002 heeft de toenmalige Minister van VWS bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal een voorstel ingediend tot wijziging van de WOD. Dit wetsvoorstel strekt ertoe dierproeven waarbij gebruik wordt gemaakt van - onder meer - chimpansees te verbieden (artikel 10e van dat voorstel). Artikel II, tweede lid, van het wetsvoorstel luidt als volgt:

"Artikel 10e van de Wet op de dierproeven geldt niet voor proeven met gebruikmaking van chimpansees (pan troglodytes) ten behoeve van onderzoek naar een vaccin tegen hepatitis-C, waarvan de uitvoering is begonnen vóór 1 januari 2003".

1.9. Op 18 september 2002 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het BPRC ontheffing verleend van het verbod (op het onder zich hebben van aantoonbaar in gevangenschap geboren en gefokte primaten) zoals vervat in artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet.

1.10. Het wetsvoorstel tot wijziging van de WOD is in november 2002 in de Tweede Kamer besproken.

1.11. Bij brief van 29 november 2002 heeft de KNAW de Minister van OC&W haar standpunt aangaande het geplande onderzoek met chimpansees nogmaals kenbaar gemaakt.

1.12. Op 6 december 2002 heeft de DEC van het BPRC positief geadviseerd over de voorgenomen vaccinatie en besmetting van chimpansees. Bij haar advies heeft de DEC de opinies van twee onafhankelijke deskundigen betrokken, inhoudende dat het onderzoek dat het BPRC voornemens is uit te voeren wetenschappelijk en maatschappelijk relevant en noodzakelijk is. Het advies van de DEC van het BPRC en de rapporten van voornoemde deskundigen zijn geheim.

1.13. Op 16 december 2002 respectievelijk op 18 december 2002 hebben twee leden van de Tweede Kamer (Terpstra van de VVD en Van Velzen van de SP) vragen gesteld aan de Minister van OC&W en de Staatssecretaris van VWS over dierproeven op chimpansees. De vragen van kamerlid Terpstra zijn op 16 december 2002 door voornoemde Staatssecretaris beantwoord.

1.14. Op haar website (www.dierenbescherming.nl) heeft de Dierenbescherming het volgende persbericht geplaatst (hierna: het persbericht):

"Dierenbescherming spant kort geding aan tegen BPRC en overheid

De Dierenbescherming spant een kort geding aan tegen het BPRC, het apenonderzoekscentrum in Rijswijk, en de ministeries van Volksgezondheid en Onderwijs.

Inzet is een verbod op de voorgenomen proeven met zes chimpansees, die nog voor 1 januari 2003 besmet zullen worden met hepatitis C.

Volgens de Dierenbescherming is het voorgenomen experiment met de apen wetenschappelijk totaal onnodig en in strijd met het besluit van het kabinet om per 1 januari 2003 de proeven op chimpansees te stoppen vanwege ethische redenen. Het kort geding dient donderdag 19 december om 10.00 uur in het gerechtshof in Den Haag".

1.15. Over de noodzaak en het belang van het door het BPRC uit te voeren onderzoek is door vele binnenlandse en buitenlandse deskundigen en door tal van (internationale) organisaties gerapporteerd.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

De Dierenbescherming vordert in conventie - zakelijk weergegeven -:

primair:

1. het BPRC, op straffe van een dwangsom, te verbieden onderzoek te verrichten aan primaten, althans aan chimpansees;

2. de Staat te veroordelen om het BPRC onverwijld op te dragen het onderzoek met betrekking tot het hepatitis C-vaccin aan primaten - chimpansees - te staken en gestaakt te houden,

subsidiair:

de Staat te veroordelen om het BPRC onverwijld op te dragen het onderzoek met betrekking tot het hepatitis C-vaccin aan primaten - chimpansees - te staken en gestaakt te houden totdat de Tweede Kamer zich heeft uitgesproken over de noodzaak van onderzoek met betrekking tot de zes aan de orde zijnde chimpansees.

Daartoe voert de Dierenbescherming het volgende aan.

Het besmetten van de zes chimpansees met het hepatitis C-virus is in strijd met de WOD en mitsdien onrechtmatig jegens de Dierenbescherming. De DEC van het BPRC is niet aan te merken als een objectieve en onafhankelijke commissie in de zin van de WOD. Zij houdt haar verslagen, de namen van haar leden, haar onderzoekingen en de daaruit verkregen gegevens, ten onrechte, geheim. Het BPRC voldoet voorts niet aan de eis van individualisering, als gevolg waarvan niet getoetst kan of het BPRC handelt conform de in de WOD neergelegde eis dat de dieren in de inrichting gefokt moeten zijn dan wel afkomstig zijn van een andere inrichting waarin, uitsluitend of in hoofdzaak met het oog op dierproeven of wetenschappelijk onderzoek, dieren worden gefokt of tot zodanige doeleinden worden gebruikt en dus of de chimpansees die het BPRC voor de proef wil gebruiken ook de chimpansees zijn voor wie het voorbehoud in het wetsvoorstel tot wijziging van de WOD geldt. De voorgenomen proef is wetenschappelijk niet relevant, nu chimpansees zodanig van mensen verschillen dat extrapolatie van de verkregen gegevens nagenoeg onmogelijk is. Een voorspelling over de werkzaamheid en veiligheid van het vaccin tegen een variabel virus als het hepatitis C-virus kan niet gedaan worden, zeker nu slechts zes chimpansees gebruikt worden in het onderzoek. Indien de proef al medisch zinvol zou zijn, dan zijn er voorts goede alternatieven beschikbaar in het buitenland, waaronder de Verenigde Staten van Amerika. Het aan de orde zijnde onderzoek kan voorts ook worden uitgevoerd middels een reageerbuismethode. Er bestaan, getuige het absoluut verbod dat gaat gelden en de vele rapporten van deskundigen, zwaarwegende ethische argumenten tegen het doen van proeven met chimpansees. Dat er sprake zou zijn van een essentiële noodzaak om deze argumenten opzij te zetten, welke noodzaak bijvoorbeeld zou kunnen bestaan in het afwenden van een gevaar voor de volksgezondheid, is op dit moment onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd. De Minister van VWS dient in ieder geval, in vervolg op tegenover de, op dit punt zeer kritische, Tweede Kamer gedane toezeggingen, objectieve deskundigen om hun oordeel te vragen en dat oordeel aan de Tweede Kamer voor te leggen. Gezien het voorgaande dient de voorgenomen proef verboden te worden.

De Dierenbescherming heeft een spoedeisend belang bij het vragen van voormelde voorzieningen, nu het BPRC er ieder moment toe kan overgaan de litigieuze besmetting uit te voeren. De gevolgen van deze ingreep zijn onomkeerbaar, nu de betreffende chimpansees na de besmetting de rest van hun leven in afzondering zullen moeten doorbrengen.

De Staat voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken.

Het BPRC voert eveneens gemotiveerd verweer en vordert in reconventie, zakelijk weergegeven, de Dierenbescherming te veroordelen:

1. aan de advocaat van het BPRC een volledige lijst te verstrekken met namen en adressen van alle personen en instellingen aan wie het hierboven aangehaalde persbericht is verzonden;

2. aan alle op voornoemde lijst genoemde personen en instellingen een persbericht te zenden met daarin de in de conclusie van eis in reconventie opgenomen tekst;

3. op haar website op exact dezelfde locatie en in dezelfde vorm als waar(in) zij voornoemd persbericht heeft gepubliceerd, de tekst conform het onder 2. gevorderde te publiceren,

alles op straffe van een dwangsom.

Daartoe voert het BPRC het volgende aan.

Het door de Dierenbescherming opgestelde persbericht bevat tal van onjuistheden en is onrechtmatig jegens het BPRC. Ten onrechte stelt de Dierenbescherming dat de zes chimpansees nog vóór 1 januari 2003 besmet zullen worden. Daarvan is geen sprake. Voorts gaat de Dierenbescherming er aan voorbij dat er een wetsvoorstel is voorgelegd aan de Tweede Kamer met daarin een verbod op het doen van proeven op - onder meer - chimpansees (en het Kabinet op dat punt dus geen besluit heeft genomen), in welk voorstel bovendien een uitzondering is gemaakt voor het onderhavige experiment.

De Dierenbescherming dient het persbericht en het bericht op haar website dan ook te corrigeren. Bij een correctie heeft het BPRC een spoedeisend belang. Het BPRC wordt regelmatig geteisterd door activisten, die op zijn terrein vernielingen aanrichten en bedreigen uiten jegens zijn personeelsleden. Door onjuiste informatie te verspreiden over zijn activiteiten, die veel emoties oproepen, draagt de Dierenbescherming bij aan een atmosfeer waarin derden, met name activisten op het gebied van de rechten van dieren, overgaan tot het uitvoeren van onaanvaardbare acties. De Dierenbescherming had zich hiervan bewust moeten zijn.

De Dierenbescherming voert gemotiveerd verweer tegen de reconventionele vordering, welk verweer, voorzover nodig, hierna zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

In conventie

3.1. Ter beoordeling ligt allereerst voor de vraag of de Dierenbescherming een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, hetgeen door haar wordt bepleit, maar door - met name - het BPRC wordt betwist.

3.2. Van een spoedeisend belang kan, volgens vaste jurisprudentie, worden gesproken indien enerzijds onverwijld handelen geboden is en anderzijds de loop van en de beslissing in een bodemprocedure niet kunnen worden afgewacht.

3.3. Ter zitting is gebleken dat het BPRC op dit moment doende is bij de betreffende chimpansees zogenaamde nulwaardeonderzoeken uit te voeren, zijnde onderzoeken op bij die chimpansees afgenomen bloed en weefsel, zulks teneinde hun conditie vast te stellen. In februari 2003 zullen de chimpansees het door het BPRC ontwikkelde - mogelijke - vaccin tegen hepatitis C toegediend krijgen. Indien een hierop te volgen tussentijdse evaluatie en toetsing door de DEC van het BPRC positief uitvalt, zullen de chimpansees in oktober 2003 aan het hepatitis

C-virus worden blootgesteld.

3.4. Uit de dagvaarding alsmede uit de toelichting van de Dierenbescherming ter zitting kan worden afgeleid dat haar bezwaren zich richten op de laatste fase van het door het BPRC reeds gestarte onderzoek, te weten de daadwerkelijke besmetting van de chimpansees met het hepatitis C-virus. Nu deze fase van het onderzoek, indien deze al worden uitgevoerd, eerst aanbreekt in oktober 2003, kan niet worden gezegd dat de Dierenbescherming een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.

3.5. De vraag of thans voldoende wetenschappelijke onderbouwing aanwezig is om te kunnen oordelen dat een onderzoek als het BPRC verricht en wenst te verrichten uit het oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid relevant en noodzakelijk is, waarover ook nog geen definitief politiek oordeel is geveld, kan, gelet op het voorgaande, in het midden blijven. Die vraag kan zonodig later, in de alsdan bestaande situatie, aan de voorzieningenrechter voorgelegd worden.

3.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen. Wellicht ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het wenselijk is dat de discussie in de Tweede Kamer over artikel II van het wetsvoorstel tot wijziging van de WOD binnen afzienbare tijd afgerond wordt. De voorzieningenrechter geeft het BPRC en de Staat voorts in ernstige overweging om het advies van de DEC van het BPRC en de rapporten van de door die DEC ingeschakelde buitenlandse deskundigen te publiceren, zulks ter vergroting van het draagvlak voor het door het BPRC voorgenomen onderzoek.

3.7. De Dierenbescherming zal, als de in het ongelijk gestelde partij in conventie, worden veroordeeld in de kosten van dit geding

In reconventie

3.8. Beoordeeld dient te worden of de Dierenbescherming door publicatie van een persbericht onrechtmatig heeft gehandeld jegens het BPRC en wel in zodanige mate dat daarop rectificatie van dat bericht moet volgen.

3.9. Voor rectificatie is ingevolge het bepaalde in artikel 6:167 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts ruimte als er sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard.

3.10. In het persbericht van de Dierenbescherming wordt vermeld dat zes chimpansees nog vóór 1 januari 2003 zullen worden besmet met het hepatitis

C-virus. Zoals in conventie is overwogen, is deze mededeling onjuist. De mededeling in het persbericht dat met het onderzoek in strijd wordt gehandeld met het besluit van het kabinet om per 1 januari 2003 proeven met chimpansees te stoppen, is voorts een onjuiste weergave van de huidige stand van zaken met betrekking tot de wetgeving op het gebied van dierproeven. Bij de Tweede Kamer is immers een wetsvoorstel tot wijziging van de WOD in behandeling, in welk voorstel een uitzondering is gemaakt voor het onderzoek waarmee het BPRC al een aanvang heeft gemaakt.

3.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Dierenbescherming onrechtmatig jegens het BPRC heeft gehandeld. Dat het BPRC als gevolg hiervan schade lijdt en in de toekomst zal lijden, is voorts voldoende aannemelijk gemaakt. Bij de lezers van het persbericht zal, naar moet worden aangenomen, de indruk zijn ontstaan dat het BPRC is betrokken bij activiteiten die in strijd zijn met een reeds genomen besluit om proeven met chimpansees te verbieden.

3.12. Gezien het voorgaande is er grond voor een rectificatie van het persbericht van de Dierenbescherming. Aantekening verdient dat de laatste zin van de door het BPRC gevorderde tekst niet in de veroordeling wordt overgenomen, nu de voorzieningenrechter zich in dit vonnis niet heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van het onderzoek van het BPRC. De vordering om een lijst te verstrekken met de namen van personen en instellingen aan wie het persbericht is toegezonden, is evenzeer toewijsbaar. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Er zal voorts worden bepaald dat de aan de Dierenbescherming op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zulks mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.13. De Dierenbescherming zal, als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Wegens nauwe samenhang met het verweer in conventie, zullen deze kosten worden begroot op nihil.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt de Dierenbescherming in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van het BPRC begroot op € 896,--, waarvan € 193,-- aan griffierecht, en aan de zijde van de Staat eveneens begroot op € 896,--, waarvan € 193,-- aan griffierecht.

In reconventie:

Veroordeelt de Dierenbescherming binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan de advocaat van het BPRC een lijst te verstrekken met namen en adressen van personen en instellingen aan wie het persbericht is verzonden.

Veroordeelt de Dierenbescherming binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan alle op voornoemde lijst genoemde personen en instellingen een persbericht te zenden met de navolgende inhoud:

"De Dierenbescherming heeft een persbericht doen uitgaan met de navolgende tekst:

"Dierenbescherming spant kort geding aan tegen BPRC en overheid

De Dierenbescherming spant een kort geding aan tegen het BPRC, het apenonderzoekscentrum in Rijswijk, en de ministeries van Volksgezondheid en Onderwijs.

Inzet is een verbod op de voorgenomen proeven met zes chimpansees, die nog voor 1 januari 2003 besmet zullen worden met hepatitis C.

Volgens de Dierenbescherming is het voorgenomen experiment met de apen wetenschappelijk totaal onnodig en in strijd met het besluit van het kabinet om per 1 januari 2003 de proeven op chimpansees te stoppen vanwege ethische redenen. Het kort geding dient donderdag 19 december om 10.00 uur in het gerechtshof in Den Haag".

De voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 3 januari 2003 vastgesteld dat de verspreiding van dit persbericht onrechtmatig is jegens het BPRC. Onjuist is de stelling dat zes chimpansees nog vóór 1 januari 2003 besmet zullen worden met hepatitis C. Voorts is onjuist de stelling dat het bedoelde experiment in strijd is met een besluit van het kabinet om per 1 januari 2003 de proeven op chimpansees te stoppen vanwege ethische redenen. Van een dergelijk kabinetsbesluit is geen sprake".

Veroordeelt de Dierenbescherming binnen 24 uur na betekening van dit vonnis op haar website op exact dezelfde locatie en in dezelfde vorm als waar(in) zij voornoemd persbericht heeft gepubliceerd, de hiervoor weergegeven tekst te publiceren.

Bepaalt dat de Dierenbescherming voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft aan (één van) voormelde bevelen te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 10.000,--, met een maximum van € 100.000,--.

Bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.12 is vermeld.

Veroordeelt de Dierenbescherming in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van het BPRC begroot nihil.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 3 januari 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

JB