Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:BU7589

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2002
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
AWB 01/66393 VRWET
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000)). Verweerder heeft bij besluit van 7 december 2001, met toepassing van artikel 3.117 Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb2000), in een aanmeldcentrum afwijzend op de aanvraag beslist en ambtshalve besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van het bijzondere beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in China een adequate mogelijkheid tot opvang van eiseres niet ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 71 Vw2000

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 01/66393 VRWET

Inzake : A, eiseres, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr. E.J.M. de Wild, advocaat te 's-Hertogenbosch,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. [gemachtigde], ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiseres heeft gesteld dat zij is geboren op [...] 1987 en dat zij de Chinese nationaliteit bezit. Op 4 december 2001 heeft zij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000) ingediend.

Verweerder heeft bij besluit van 7 december 2001, met toepassing van artikel 3.117 Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb2000), in een aanmeldcentrum afwijzend op de aanvraag beslist en ambtshalve besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van het bijzondere beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

2. Bij schrijven van 8 december 2001 heeft eiseres tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

3. Het beroep en het verzoek zijn gelijktijdig behandeld op 3 januari 2002. Eiseres is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Eizenga (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres). Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Nu dit besluit in een aanmeldcentrum is genomen is tevens van belang of verweerder uit het oogpunt van zorgvuldig onderzoek de aanvraag binnen 48 proces-uren heeft kunnen afwijzen.

2. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat haar vader in augustus 2001 is overleden bij een brand in haar ouderlijke woning. Aangezien haar moeder al eerder was overleden was er vanaf dat moment niemand meer in China die voor haar kon zorgen. Om deze reden is eiseres door een man, B genaamd, naar Nederland gebracht.

3. In beroep is namens eiseres - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is te beslissen omtrent de onthouding van een verblijfsvergunning voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv). Het betreft hier immers een reguliere verblijfsvergunning, op grond waarvan ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) eerst bezwaar gemaakt moet worden bij verweerder.

Voorts behoort de aanvraag van een 13-jarige, zoals eiseres, niet in een AC-procedure te worden afgehandeld, nu deze procedure met aanmerkelijk minder waarborgen is omgeven en de omstandigheden in een AC verre van kindvriendelijk zijn. Het horen van minderjarige kinderen in een AC-procedure is bovendien in strijd met internationale richtlijnen (zoals de UNHCR Guidelines van februari 1997). Ingevolge deze richtlijnen moeten kinderen worden uitgesloten van een versnelde procedure. Verder wordt aangevoerd dat thans nog geen uitspraken zijn gedaan in bodemprocedures over het nieuwe beleid inzake opvang voor Chinese minderjarigen in China, zoals neergelegd in het thema-ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 9 april 2001. Een AC-zaak kan in deze niet dienen als proeftuin.

Tot slot wordt opgemerkt dat verweerder, zich baserend op een algemeen ambtsbericht, ten onrechte heeft aangenomen dat er voor eiseres adequate opvang in China aanwezig is. Per geval zal moeten worden bekeken of er voor de alleenstaande minderjarige vluchteling een feitelijke mogelijkheid tot adequate opvang is. Verweerder heeft in deze nadrukkelijk een onderzoeksplicht.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen aangezien niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag van eiseres is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, onder f, van artikel 31 van de Vw2000.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat het door verweerder ambtshalve genomen besluit om eiseres niet in aanmerking te brengen voor verblijf op grond van het bijzondere beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen vatbaar is voor het maken van bezwaar. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:15, tweede lid, van de Awb zal de rechtbank het beroepschrift voor zover het zich richt tegen dit gedeelte van het besluit aan verweerder doorzenden om het als bezwaarschrift te behandelen.

Eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat zij geen aanspraak maakt op verblijf als verdragsvluchteling. Aan de grief dat verweerder bij het horen in het aanmeldcentrum niet alle regels betreffende minderjarige asielzoekers zoals neergelegd in de UNHCR Guidelines in acht heeft genomen, komt de rechtbank derhalve niet toe, nu die Guidelines zien op personen die stellen verdragsvluchteling te zijn.

Voorts heeft eiseres betoogd dat haar opvang en horen in het aanmeldcentrum niet voldeed aan het bepaalde in de artikelen 3, 19, 20, 22 en 37 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.

De rechtbank laat uitdrukkelijk in het midden of de in die artikelen vervatte bepalingen kunnen worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Zij is van oordeel dat een beroep op artikel 22 afstuit omdat eiseres zichzelf niet als vluchteling beschouwd en een beroep op artikel 37 faalt omdat een aanmeldcentrum geen plaats is waarin een kind van zijn vrijheid is beroofd, aangezien het kind op elk moment zelf kan beslissen het aanmeldcentrum te verlaten. Dat verweerder daaraan gevolgen verbindt voor de beslissing op de asielaanvraag maakt dit niet anders.

Uit de verslagen van het horen van eiseres in het aanmeldcentrum heeft de rechtbank niet kunnen opmaken dat eiseres op enigerlei wijze is geschaad in de belangen die de artikelen 3, 19 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind beogen te beschermen. Eiseres heeft aan verweerder desgevraagd medegedeeld dat de gang van zaken tijdens het horen - samengevat - goed is geweest.

In zoverre eiseres van mening is dat haar asielaanvraag, nu daarin tevens het nieuwe beleid inzake de opvang voor Chinese minderjarigen in China aan de orde is, niet als 'proeftuin' in een AC had mogen worden afgehandeld, wordt overwogen dat er geen wettelijke voorschrift is op grond waarvan op voorhand bepaalde asielaanvragen niet in aanmerking komen voor afdoening in een aanmeldcentrum. Van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder inzake de aanvraag van eiseres had moeten afzien van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 3.117 van het Vb2000 is de rechtbank niet gebleken. Dat eiseres stelt de leeftijd van 13 jaar te hebben is daartoe niet voldoende.

Voorts heeft eiseres nog aangevoerd dat verweerder nader had moeten onderzoeken of er voor haar daadwerkelijk adequate opvang in China aanwezig is. In dat verband wordt het volgende overwogen.

Verweerder voert blijkens hoofdstuk C2, deel 7, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc2000) en artikel 3.56 van het Vreemdelingenbesluit een bijzonder beleid ten aanzien van minderjarige vreemdelingen die bij binnenkomst in Nederland niet worden begeleid of verzorgd door ouders dan wel meerderjarige bloed- of aanverwanten, en die daarom als alleenstaand worden aangemerkt. Indien is vastgesteld dat de minderjarige niet in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling of voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, is voornoemd beleid van toepassing.

Niet in geschil is dat eiseres bij binnenkomst in Nederland alleenstaand en minderjarig was. Derhalve zal beoordeeld zal moeten worden of verwijdering van de minderjarige verantwoord is te achten. In dit kader is van belang of de amv adequate opvang behoeft en of er adequate opvang bij terugkeer beschikbaar is. Ingevolge de Vc2000 (C2, deel 7, onder 5) wordt onder adequate opvang verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren of dorpsgenoten. Opvang in een (particuliere) opvanginstelling is aan te merken als adequaat indien de opvang naar lokale omstandigheden aanvaardbaar is. Indien uit de beschikbare algemene informatie blijkt dat de algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn, mag ervan worden uitgegaan dat er adequate opvang is. Daadwerkelijke plaatsing behoeft ten tijde van de beschikking nog niet geregeld te zijn.

Op 9 april 2001 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een ambtsbericht uitgebracht over de positie van minderjarigen in China (zelfredzaamheid, opvang en terugkeer). Op grond van ter plaatse verricht onderzoek wordt in dit ambtsbericht geconcludeerd dat in China adequate opvang voor Chinese minderjarigen aanwezig is, ongeacht de leeftijd van de Chinese minderjarige vreemdeling.

Naar aanleiding van het vermelde in dit ambtsbericht heeft de Tweede Kamer op 12 juni 2001 ingestemd met een nieuw beleidkader voor de toelating en terugkeer van Chinese amv's naar China. In dit kader is het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2001/34 (hierna: TBV 2001/34) verschenen. Hierin staat vermeld dat het ambtsbericht van 9 april 2001 zeer uitgebreide informatie bevat over de opvangmogelijkheden in China. Indien in een individueel geval betwist wordt dat adequate opvang voor betrokkene aanwezig is, wordt - gelet op de uitgebreide mogelijkheden van adequate opvang - van de betrokkene verwacht dat hij aantoont dat in zijn specifieke geval geen adequate opvang aanwezig is, ofwel dat hij aantoont dat er een reele kans is dat hij geplaatst wordt in een weeshuis of verzorginghuis dat naar lokale maatstaven niet adequaat is.

De rechtbank is van oordeel dat het door verweerder toegepaste beleid de toetsing in recht kan doorstaan. Hiertoe wordt overwogen dat verweerder zich bij het formuleren van dit beleid heeft gebaseerd vorengenoemd ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2001. Zoals reeds eerder door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is overwogen (uitspraken van 12 oktober 2001 en 8 november 2001 in zaak nr. 2001103977/1, resp. 200104464/1), kan een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, voor zover mogelijk onder aanduiding van de bronnen waaraan deze is ontleend.

Het is de rechtbank niet gebleken dat aan het vorenstaande niet wordt voldaan wat betreft het onderhavige ambtsbericht van 9 april 2001. Verweerder mag derhalve bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van het vermelde in het ambtsbericht uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. In dit verband wordt overwogen dat de door eiseres ingebrachte stukken, te weten de bij de gronden van beroep d.d. 21 december 2001 (gedingstuk A7) gevoegde producties ('Position on Refugee Children' van de European Council on Refugees and Exiles van november 1996 en een rapport van Human Rights Watch/Asia inzake Chinese weeshuizen van maart 1996) ouder zijn dan het onderhavige ambtsbericht en derhalve niet als een aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van dit ambtsbericht kunnen worden beschouwd. Ook de overige overgelegde producties (e-mail berichten van [X] en [Y] van 14 december 2001) bieden geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht.

Nu door eiseres niet nader is aangegeven waarom er in haar specifieke geval geen sprake is van een adequate opvangmogelijkheid in China, was er voor verweerder geen aanleiding aanwezig om nader onderzoek naar die opvangmogelijkheden te doen.

Vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in China een adequate mogelijkheid tot opvang van eiseres niet ontbreekt.

Gezien het vorenoverwogene, de artikelen 28 tot en met 31 van de Vw 2000 in aanmerking nemende, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd eiseres in aanmerking te brengen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze beslissing uit het oogpunt van zorgvuldig onderzoek binnen 48 proces-uren kunnen nemen.

6. Het beroep is derhalve ongegrond.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2002, in tegenwoordigheid van drs. F.J.M. van den Berg als griffier.