Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF7236

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-09-2002
Datum publicatie
14-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/68446 COA, 02/68439 COA, 02/68440
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang / beëindiging verstrekkingen / bevoegdheid COA.

Verzoekers hebben een verzoek gedaan tot het continueren van de opvang en de verstrekkingen. Verweerder heeft op deze aanvragen geen besluit genomen.

De voorzieningenrechter is onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRS van 14 juni 2002 van oordeel dat verweerder in de beoordeling van de aanvraag van verzoekers tot voortzetting van de verstrekkingen heeft miskend dat er, waar het verzoekers betreft, bijzondere omstandigheden waren, zodat in dit geval het COA bevoegd is tot het nemen van een besluit met betrekking tot opvang en verstrekkingen van verzoekers. Beroep gegrond, toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de zitting van 10 september 2002 inhoudende mondelinge

U I T S P R A A K

op grond van artikel 8:67 en 8:70 j° 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

reg. nr.: AWB 02/68446 COA, AWB 02/68372 BEPTDN, AWB 02/68440 COA

AWB 02/68433 BEPTDN, AWB 02/68439 COA, AWB 02/68371 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1955 en B, geboren op [...] 1963, alsmede hun kinderen C, geboren op [...] 1984 en D, geboren op [...] 1987, allen burgers van de Federale Republiek Joegoslavië, verblijvende in het AZC te Heemskerk, verzoekers,

gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries, advocaat te Alkmaar,

tegen:

het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), verweerder,

gemachtigde: mr. B. Huijts, ambtenaar bij het COA.

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 30 mei 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, de verzoeken om een voorlopige voorziening om uitzetting achterwege te laten totdat op het bezwaar is beslist, afgewezen en het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vreemdelingenwet 1965 (hierna Vw 1965) tegen de niet-inwilliging van de aanvragen om toelating als vluchteling ongegrond verklaard. De gemachtigde van verzoekers heeft verweerder bij brief van 17 juli 2002, aangevuld bij brief van 30 augustus 2002, verzocht om continuering van de verstrekkingen (waaronder het bieden van opvang aan verzoekers) op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, meer in het bijzonder medische redenen. Verweerder heeft vervolgens op 3 september 2002 aan verzoekers bericht dat het recht op opvang van rechtswege geëindigd is. Tevens is in deze brief aan verzoekers bericht dat door verweerder aan de politie is doorgegeven dat zij tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers kunnen overgaan.

Op 5 september 2002 heeft de gemachtigde van verzoekers beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het niet (tijdig) beslissen door verweerder op de aanvraag van verzoekers van 17 juli 2002. De gemachtigde van verzoekers heeft op dezelfde datum de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt verweerder op te dragen de verstrekkingen (waaronder opvang) niet te beëindigen en niet over te gaan tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers zolang niet is beslist op het beroep (AWB 02/68446 COA en AWB 02/68372 BEPTDN). Tevens heeft de gemachtigde van verzoekers op dezelfde datum verzocht een (mondeling) verbod uit te vaardigen tot de ontruiming van de woonruimte van verzoekers tot de uitspraak op het voornoemde verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 02/68440 COA en AWB 02/68433 BEPTDN).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2002. Verzoekers zijn aldaar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

DICTUM

De voorzieningenrechter verklaart het beroep (AWB 02/68446 COA en AWB 02/68372 BEPTDN) gegrond en bepaalt dat verweerder binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit dient te nemen naar aanleiding van de aanvraag van verzoekers van 17 juli 2002.

Voorts wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 02/68439 COA en AWB 02/68371 BEPTDN) toe en draagt verweerder op het onthouden van (medewerken aan) ontruimen van de woonruimte van en voortzetting van de verstrekkingen aan verzoekers totdat vier weken zijn verstreken na het nemen van een besluit over de verstrekkingen (hieronder begrepen opvang).

Verweerder wordt met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, Awb als in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 644,-.

Het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 02/68440 COA en AWB 02/68433 BEPTDN) wijst de voorzieningenrechter af.

MOTIVERING

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep (AWB 02/68439 COA, AWB 02/68371 BEPTDN en AWB 02/68446 COA, AWB 02/68372 BEPTDN)

De voorzieningenrechter ziet in het onderhavige geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 Awb tegelijk met de beslissing omtrent de voorlopige voorziening uitspraak te doen in de hoofdzaak, geregistreerd onder nummer AWB 02/68446 COA en AWB 02/68372 BEPTDN.

De aanvraag van verzoekers van 17 juli 2002 strekt ertoe de opvang van en de verstrekkingen aan verzoekers te continueren. Vast staat dat door verweerder geen besluit op deze aanvraag is genomen. Allereerst zal de vraag dienen te worden beantwoord of verweerder bevoegd is een dergelijk besluit te nemen.

De Wet COA geeft aan verweerder een bevoegdheid beslissingen te nemen met betrekking tot de opvang en de verstrekkingen. Met verweerder (en verwijzend naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juni 2002, JV 2002, 244) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het COA, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet bevoegd is tot het nemen van een besluit met betrekking tot opvang en verstrekkingen indien de beëindiging hiervan van rechtswege voortvloeit uit een uitspraak van de president gedaan onder toepassing van artikel 33b Vw 1965. De voorzieningenrechter is echter met verzoekers van oordeel dat in de beoordeling van de aanvraag van verzoekers tot voortzetting van de verstrekkingen verweerder heeft miskend dat er waar het verzoekers betreft bijzondere omstandigheden waren. Verweerder heeft ten onrechte geen acht geslagen op de persoonlijke - waaronder de medische - situatie van verzoekers. Op grond van deze bijzondere omstandigheden bestond voor verweerder een bevoegdheid een beslissing te nemen over de opvang en de verstrekkingen van verzoekers.

Nu op 17 juli 2002 de aanvraag om continuering van de verstrekkingen (hieronder begrepen opvang) bij verweerder is ingediend en verweerder ten tijde van het instellen van het beroep nog geen beslissing op de aanvraag had genomen dient te worden beoordeeld of verweerder reeds had moeten beslissen op de aanvraag. Verweerder diende ingevolge artikel 4:13, eerste lid, Awb binnen een redelijke termijn een beslissing op de aanvraag te nemen. Nu ten tijde van indiening van het beroep gericht tegen het niet (tijdig) beslissen van 5 september 2002 ruim zeven weken was verstreken sedert de indiening van de aanvraag, en verweerder verzoekers op 3 september 2002 had bericht dat aan de politie was doorgegeven dat zij tot ontruiming van de woning van verzoekers kon overgaan, stelt de voorzieningenrechter vast dat daarmee de redelijke termijn was verstreken en dat verweerder in gebreke is gebleven een besluit te nemen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:2 Awb is het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld met een besluit en hebben verzoekers derhalve tegen het niet tijdig nemen van het besluit door verweerder (gelet op artikel 3a Wet COA) beroep kunnen instellen. Onder deze omstandigheden zal het beroep gegrond worden verklaard. De voorzieningenrechter ziet aanleiding, gelet op alle omstandigheden en een afweging van de belangen van verzoekers en verweerder, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening (AWB 02/68440 COA en AWB 02/68433 BEPTDN)

De gevraagde voorziening strekt er toe een (mondeling) verbod uit te vaardigen tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en verwijdering van verzoekers uit het AZC tot de uitspraak op het voornoemde verzoek om een voorlopige voorziening. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de voorzieningenrechter heden op de voorlopige voorziening heeft beslist.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. N. Jacobsz mr. M. Lolkema

griffier rechter

afschrift verzonden op: 1 oktober 2002

Tegen de uitspraak -voor zover het de uitspraak op beroep betreft- staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.