Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF7229

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-09-2002
Datum publicatie
14-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/65913 COA A, 02/31526
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang / meeromvattende beschikking / bevoegdheid COA.

Verweerder stelt dat het beëindigen van de opvang van rechtswege voortvloeit uit de meeromvattende beschikking van de staatssecretaris van Justitie. Hieraan ligt derhalve geen besluit van het COA ten grondslag, aldus verweerder. Verzoeker heeft verweerder verzocht een beslissing te nemen over het continueren van de opvang. Vervolgens heeft verzoeker beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. De Wet COA geeft verweerder de bevoegdheid beslissingen te nemen met betrekking tot de verstrekkingen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze bevoegdheid niet heeft indien de beëindiging van de voorzieningen van rechtswege voortvloeit uit een meeromvattende beschikking van de (inmiddels) minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. In casu is aan verzoeker pas na de meeromvattende beschikking in zijn asielprocedure opvang verleend. Verweerder heeft derhalve de bevoegdheid om een beslissing over de opvang en de verstrekkingen te nemen. Beroep gegrond, toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers 3a
Vreemdelingenwet 2000 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:84 jo artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 3a Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/65913 COA A

AWB 02/31526 COA A

inzake: A (alias A), geboren op [...] 1956, naar gesteld zonder nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen: het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder,

gemachtigde: mr. R. van Duffelen, juridisch medewerker bij het COA.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoeker heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie bij brief van 18 juli 2001 verzocht hem opvang te verlenen omdat hij een ernstige vorm van diabetes heeft en kampt met schizofrenie. De IND heeft verzoeker bij brief van 20 juli 2001 bij verweerder aangemeld om opvang te verlenen. Verweerder heeft op dezelfde datum besloten verzoeker in de opvang op te nemen en andere verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA (in het vervolg: verstrekkingen) toe te kennen.

2. Bij brief van 12 april 2002 heeft verzoeker verweerder verzocht om de opvang en verstrekkingen te continueren dan wel binnen twee dagen een gemotiveerde beschikking inzake beëindiging hiervan te nemen, aangezien de vreemdelingendienst hem mondeling had bericht dat zijn woning in het Asielzoekerscentrum op 10 mei 2002 zou worden ontruimd.

3. Bij beroepschrift van 24 april 2002 heeft verzoeker beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 12 april 2002. Verzoeker heeft op dezelfde datum de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot een verbod aan verweerder om hem uit de opvang te verwijderen en de verstrekkingen te beëindigen.

4. Bij brief van 2 mei 2002 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat de IND zou worden verzocht te adviseren of de omstandigheden die destijds tot opvang hadden geleid zich nog altijd voordeden. Verweerder heeft voorts meegedeeld de vreemdelingendienst te zullen verzoeken niet tot ontruiming van de woning van verzoeker over te zullen gaan totdat het betreffende advies was gegeven. Verzoeker heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening van 24 april 2002 ingetrokken.

5. Bij brief van 26 augustus 2002 heeft verweerder aan verzoeker bericht dat de ontruiming van zijn woning op 5 september 2002 plaats zou vinden.

6. Verzoeker heeft op 27 augustus 2002 wederom een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, strekkende tot een verbod aan verweerder hem uit de opvang te verwijderen en de verstrekkingen te beëindigen.

7. Op 29 augustus 2002 heeft de rechtbank het verweerschrift ontvangen.

8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. In dit geding gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten. Verzoeker heeft op 15 april 2001 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel ingediend. Op dezelfde datum is aan hem de toegang tot Nederland geweigerd en hem de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 6 Vw 2000 opgelegd. Bij beschikking van 18 april 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie de aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 17 mei 2001 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, is het beroep van verzoeker tegen deze afwijzende beschikking ongegrond verklaard en zijn verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Op 19 juli 2001 is de vrijheidsontnemende maatregel van verzoeker opgeheven, waarna verzoeker in de opvang is opgenomen.

2. De Staatssecretaris van Justitie heeft het Bureau Medische Advisering van het Ministerie van Justitie op 6 september 2001 verzocht om advies over de vraag of eiser in staat is tot reizen. Bij nota van 31 oktober 2001 heeft het Bureau Medische Advisering, voor zover hier van belang, het volgende gesteld:

"Medisch gezien lijdt betrokkene aan Suikerziekte (ontregeling van het bloedsuikergehalte), Hoge Bloeddruk, Schizofrenie (een ernstige chronische psychiatrische aandoening) en pijnklachten aan de schouders. Betrokkene staat onder behandeling en controle van de huisarts en de Riagg. (...) [M]edisch gezien kan betrokkene in staat worden geacht om te kunnen reizen, indien niet psychotisch. (...) Voor, tijdens en direct na de reis dient betrokkene te beschikken over zijn medicatie. Voortzetting van de ingestelde behandeling is op de plaats van bestemming noodzakelijk. In verband hiermee is een schriftelijke medische overdracht gewenst."

3. Bij brieven van 8 mei 2002 heeft verzoeker verweerder en de Staatssecretaris van Justitie verzocht duidelijkheid te verschaffen over de vraag welk bestuursorgaan bevoegd was te beslissen over (continuering van) de opvang. Bij brief van 13 mei 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie verzoeker bericht dat het al dan niet beëindigen van de opvang onder de bevoegdheid van het COA valt.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het eindigen van de opvang van rechtswege voortvloeit uit de meeromvattende beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 18 april 2002, en hieraan derhalve geen besluit van het COA ten grondslag ligt. Artikel 45 Vw 2000 bepaalt dat in het geval een vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden de opvangvoorzieningen van de betrokken vreemdeling na 28 dagen eindigen. Verweerder heeft derhalve geen enkele bevoegdheid om te beslissen de opvang van verzoeker te continueren.

Weliswaar is verzoeker naar aanleiding van het verzoek d.d. 20 juli 2001 van de IND alsnog opvang verleend, doch dit vloeide enkel voort uit het feit dat verzoeker naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie vanwege zijn gezondheidstoestand op dat moment niet kon reizen. Op grond van artikel 64 Vw 2000 werd het vertrek van verzoeker derhalve tijdelijk opgeschort. In de nota van het Bureau Medische Advisering van 31 oktober 2001 is geadviseerd dat verzoeker medisch gezien in staat moet worden geacht om te reizen. Bij brief van 16 juli 2002 heeft de IND verweerder laten weten dat verzoeker weer rechtmatig verwijderbaar was. Derhalve herleefde hiermee de situatie van vóór de opschorting van het vertrek van verzoeker, en traden de rechtsgevolgen van de meeromvattende beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 18 april 2002 weer in.

Nu aan verweerder derhalve geen enkele beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het al dan niet continueren van de opvang toekomt, zijn zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

2. Verzoeker is van mening dat aan verweerder wel een bevoegdheid tot het beslissen op de aanvraag van 12 april 2002 toekomt. Het beëindigen van de opvang en de verstrekkingen zal derhalve ook niet plaats kunnen vinden zonder beschikking van verweerder. Voorts zal verweerder een beëindiging van de opvang en de verstrekkingen niet kunnen baseren op het feit dat verzoeker in staat is om te reizen, nu verzoeker steeds in staat is geweest te reizen en in de medische situatie van verzoeker geen wijziging is gekomen sinds zijn inreis in Nederland en het moment van de beslissing van verweerder hem tot de opvang toe te laten.

IV. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, wanneer tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter indien hij van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze situatie zich voordoet en zal onmiddellijk uitspraak doen naar aanleiding van het ingestelde beroep.

2. Ingevolge artikel 6:2 Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijk gesteld. Ingevolge artikel 3a Wet COA zijn op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA - voor zover hier van belang - afdeling 3 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit als hier bedoeld staat derhalve beroep op deze rechtbank open.

3. De aanvraag van verzoeker van 12 april 2002 strekt ertoe de opvang en de verstrekkingen te continueren dan wel een afwijzende beschikking te nemen. Vast staat dat geen beschikking is genomen. Allereerst zal de vraag dienen te worden beantwoord of verweerder bevoegd is een dergelijke beschikking te nemen.

De Wet COA geeft aan verweerder de bevoegdheid beslissingen te nemen met betrekking tot de opvang en de verstrekkingen. Met verweerder (en verwijzend naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juni 2002, JV 2002, 244) is de rechtbank van oordeel dat het COA, bijzondere omstandigheden daargelaten, niet bevoegd is tot het nemen van een beschikking met betrekking tot opvang en verstrekkingen indien de beëindiging hiervan van rechtswege voortvloeit uit een meeromvattende beschikking van de Staatssecretaris van Justitie dan wel de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie. Een dergelijke situatie doet zich hier echter niet voor. Daarvoor is redengevend dat de beslissing van de Staatssecretaris van Justitie van 18 april 2001 niet als rechtsgevolg het beëindigen van opvang en verstrekkingen kon hebben, nu verzoeker de toegang tot Nederland was ontzegd, een vrijheidsontnemende maatregel was opgelegd en voor hem derhalve nimmer een recht op opvang dan wel verstrekkingen heeft bestaan. Eerst op 20 juli 2001, derhalve na het besluit van 18 april 2001, is aan eiser opvang verleend en hebben de verstrekkingen een aanvang genomen. Derhalve bestond in de onderhavige zaak voor verweerder wel een bevoegdheid een beslissing te nemen over de opvang en de verstrekkingen van verzoeker.

4. Nu verweerder bevoegd was te beslissen op de aanvraag van 12 april 2002 dient te worden beoordeeld, gelet op het feit dat het beroep is ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van verweerder, of verweerder reeds had moeten beslissen. Ingevolge artikel 4:13 Awb dient, bij het ontbreken van een wettelijke beslistermijn, een beschikking te worden gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Nu de aanvraag van verzoeker op 12 april 2002 was verzonden is de voorzieningenrechter van oordeel, gelet op het feit dat aangekondigd was dat op 10 mei 2002 ontruiming van de woning van verzoeker zou plaatsvinden, dat de redelijke beslistermijn voor verweerder op 24 april 2002 was verstreken. Verweerder had derhalve voor 24 april op de aanvraag dienen te beslissen.

5. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en aan verweerder zal worden opgedragen binnen vier weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag van 12 april 2002.

6. De voorzieningenrechter merkt hierbij overigens om proceseconomische redenen op dat verweerder zich in dit nog te nemen besluit niet op het standpunt zal kunnen stellen dat alleen het advies van het Bureau Medische Advisering van 31 oktober 2001 voldoende grondslag is voor beëindiging van de opvang, nu uit het dossier voldoende is gebleken dat verzoeker niet in de opvang is opgenomen vanwege het feit dat hij niet kan reizen. Dat het Bureau Medische Advisering in een advies op 31 oktober 2001 heeft gesteld dat verzoeker kan reizen is derhalve op zichzelf genomen onvoldoende om de opvang bij een nieuw te nemen besluit te beëindigen.

7. De voorzieningenrechter wijst voorts het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. Verweerder wordt opgedragen zich te onthouden van (medewerking aan) ontruiming van de woonruimte van verzoeker en de verstrekkingen aan verzoeker voort te zetten totdat vier weken zijn verstreken na het nemen van een besluit op de aanvraag van verzoeker van 12 april 2002.

8. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:84, vierde lid, jo artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

9. Op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op € 966.- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het optreden ter zitting, waarde per punt € 322.-).

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter

1. verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond;

2. vernietigt het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig nemen van een besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van 12 april 2002 dient te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst het verzoek toe, en draagt verweerder op zich te onthouden van (medewerking aan) ontruiming van de woonruimte van verzoeker en opvang van en de verstrekkingen aan verzoeker voort te zetten totdat vier weken zijn verstreken na het nemen van een besluit op de aanvraag van 12 april 2002.

5. veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 966.- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2002 door mr. M. Lolkema, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Heringa, griffier.

Afschrift verzonden op: 17 september 2002

Bp:-

D: B

Tegen deze uitspraak - voor zover het de uitspraak op het beroep betreft - staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag). Ingevolge artikel 69, eerste lid,

Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.