Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF7198

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/43081, 02/43092
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvang / bevoegdheid rechtbank.

Hetgeen in de uitspraak AWB 02/16699 van 24 mei 2002 is overwogen leidt ertoe dat de COA niet een op rechtsgevolg gericht besluit kan nemen in de zin van de Awb. Gezien de wet- en regelgeving en de instructie van de staatssecretaris van Justitie is er voor het COA geen enkele ruimte voor een beoordeling van schrijnende humanitaire omstandigheden in het kader van de toetsing op grond van artikel 64 Vw 2000 of uitzetting achterwege moet blijven omdat het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of een van zijn familieleden, niet verantwoord is om te reizen. Deze beoordelingsruimte ligt geheel bij de IND. Het COA behoort de daartoe strekkende verzoeken van de IND te volgen. De rechtbank is derhalve kennelijk onbevoegd, zodat aanleiding bestaat het onderzoek met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:54, geldigheid: 2002-06-14
Vreemdelingenwet 2000 64, geldigheid: 2002-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2002/282

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Nevenzittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

Registratienummer: 02/43081 en 02/43092

Datum uitspraak: 14 juni 2002

Uitspraak

ingevolge artikel 8:54, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de zaak van

A,

geboren op [...] 1940,

B,

geboren op [...] 1941,

van Armeense nationaliteit,

eisers ,

gemachtigde mr. C.G.J.M. Lucassen,

tegen

HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA),

gevestigd te Rijswijk,

verweerder.

Het procesverloop

Op 17 februari 1998 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf gedaan. Bij besluiten van 7 augustus 2000, bekendgemaakt op 23 augustus 2000, heeft de Staatssecretaris van Justitie de aanvragen niet ingewilligd.

Eisers hebben daartegen bij bezwaarschrift van 18 september 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 5 februari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie het bezwaar van 18 september 2000 ongegrond verklaard.

Het daartegen gerichte beroep is bij uitspraak van 24 mei 2002 ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 maart 2002 hebben eisers een beroepschrift ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan, gericht tegen de weigering om te beslissen op het verzoek om continuering van de opvang door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Voor zover beroep is ingesteld, is dat geregistreerd onder de nummers 02/19448 en 02/19453. Voor zover een voorlopige voorziening is verzocht, is dit geregistreerd onder de nummers 02/19443 en 02/19446. Bij uitspraak van 24 mei 2002 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek afgewezen en met toepassing van artikel 8:86 van de Awb verklaart dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het beroep.

Tevens hebben eisers bij brief van 14 maart 2002 een beroepschrift ingediend en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan, gericht tegen de weigering om te beslissen op het verzoek tot continuering van de opvang door het COA. Voor zover beroep is ingesteld, is dat geregistreerd onder de nummers 02/43081 en 02/43092. Voor zover een voorlopige voorziening is verzocht, is dit geregistreerd onder de nummers 02/43094 en 02/43096.

De beoordeling

1. In artikel 8:54 van de Awb is, onder meer, bepaald, dat de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank te verschijnen, het onderzoek kan sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is.

2. Hetgeen bij uitspraak van 24 mei 2002 (registratienummers 02/19443, 02/19446, 02/19448 en 02/19453, bijgevoegd) is overwogen, leidt ertoe dat de COA niet een op rechtsgevolg gericht besluit kan nemen in de zin van de Awb. Gezien de wet- (en regel)geving en de instructie van de Staatssecretaris van Justitie (Stcrt. 4 februari 2000, nr.25, p.9) is er voor het COA geen enkele ruimte voor een beoordeling van schrijnende humanitaire omstandigheden in het kader van de toetsing op grond van artikel 64 van de Vw 2000 of uitzetting achterwege moet blijven omdat het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of een van zijn familieleden, niet verantwoord is om te reizen. Deze beoordelingsruimte ligt geheel bij de IND. Het COA behoort de daartoe strekkende verzoeken van de IND te volgen.

3. De rechtbank is derhalve kennelijk onbevoegd, zodat aanleiding bestaat het onderzoek met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart dat de rechtbank onbevoegd is.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank op grond van artikel 8:55 in samenhang met 6:7 van de Awb. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Afschrift verzonden: 17 juni 2002