Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF7166

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-12-2002
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/87534, 02/87535 COA M V9
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opvang / niet tijdig beslissen / medische situatie.

De aanvragen van verzoekers om toelating als vluchteling zijn afgewezen. Verzoekers hebben bezwaar ingediend en hebben verzocht om een voorlopige voorziening. De president heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en met toepassing de bezwaarschriften ongegrond verklaard. Verzoekers is medegedeeld dat hun vertrektermijn is verlopen, dat hun recht op opvang van rechtswege is geëindigd en dat zij verwijderbaar zijn geworden. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische behandeling. Op grond van deze aanvraag verblijven verzoekers rechtmatig in Nederland. Verzoekers hebben zowel de minister als het COA verzocht besluiten te nemen, strekkende tot continuering van de verstrekkingen. Vervolgens hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van beslissingen op de door verzoekers bij de minister ingediende aanvragen om toepassing van het in TBV 2001/31 neergelegde beleid en hebben zij terzake een voorlopige voorziening ingediend. Verzoekers hebben tegen het uitblijven van besluiten door het COA beroep ingesteld. Tussen partijen is niet in geding dat verzoekers in een noodsituatie verkeren. De minister stelt dat ten tijde van de indiening van de bezwaarschriften nog geen sprake was van een niet tijdig beslissen. De minister heeft aangevoerd dat hem een redelijke termijn moet worden gegund om op de aanvragen te beslissen, in het bijzonder vanwege de tijd die gemoeid is met het ter beoordeling van de aanvragen noodzakelijke inwinnen van medisch advies. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister dit terecht stelt. De voorzieningenrechter is evenzeer van oordeel dat de vraag welke termijn redelijk kan worden geacht niet kan worden beantwoord zonder acht te slaan op de concrete omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter is meer in het bijzonder van oordeel dat de aard van de problematiek waarop TBV 2001/31 ziet meebrengt dat verweerder met de nodige spoed een beslissing op de aanvragen dient te nemen, opdat wordt voorkomen dat de opvangvoorzieningen worden beëindigd in gevallen waarin dit uit medisch oogpunt niet verantwoord is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom ten aanzien van verzoeker niet met de nodige spoed een besluit ten aanzien van de toepassing van TBV 2001/31 kan worden genomen. Niet valt in te zien waarom de minister in eerste instantie niet kan volstaan met het raadplegen van een politiearts, zoals ten aanzien van de toepassing van artikel 64 Vw 2000 is voorzien in hoofdstuk A4/7.1 Vc 2000. Toewijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

zittinghoudende te Maastricht

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

in verbinding met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 7.1

van het Vreemdelingenbesluit 2000

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 02/87534 en 02/87535 COA M V9

Inzake : A, verzoeker, en B, verzoekster, (gezamenlijk aangeduid als verzoekers)

Gemachtigde, mr. F.A.G.M. Landerloo,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder.

Gemachtigde, mr. R.J.F.M.P. Wouters, ambtenaar ten departemente

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brieven van 12 november 2002 hebben verzoekers bij verweerder aanvragen ingediend als bedoeld in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV 2001/31), strekkende tot continuering van de aan hen krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) verstrekte voorzieningen.

Bij brieven van 20 november 2002 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op voornoemde aanvragen. Bij faxberichten van gelijke datum hebben verzoekers voorts de voorzieningenrechter verzocht terzake voorlopige voorzieningen te treffen, strekkende tot continuering van voornoemde verstrekkingen.

Bij gelijkluidende brieven van 27 november 2002 hebben verzoekers de gronden van de verzoeken ingediend.

De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 18 december 2002. Verzoekers en verweerder zijn verschenen bij voornoemde gemachtigden.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij de in het kader van artikel 8:81 van de Awb te verrichten toetsing zal de voorzieningenrechter zich een voorlopig oordeel vormen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers om hierna te vermelden redenen een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen.

2. Verzoekers, afkomstig uit Armenië, hebben op 1 augustus 1999 aanvragen om toelating als vluchteling ingediend. Verweerder heeft deze aanvragen bij besluiten van 10 oktober 2000 niet ingewilligd. Tegen deze besluiten hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat hun uitzetting achterwege zal worden gelaten gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Bij uitspraak van 19 februari 2002 (registratienummers AWB 01/2288 en 01/2294 VRWET) heeft de voorzieningenrechter de verzoeken afgewezen. Voorts heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 33b van de Vw 1965 de bezwaarschriften van verzoekers ongegrond verklaard.

Bij brief van 26 juni 2002 heeft verweerder de korpschef van de politieregio Zeeland bericht dat ingevolge voornoemde rechterlijke uitspraak geen beletselen meer bestaan tegen verwijdering van verzoekers uit Nederland. Bij brief van 25 oktober 2002 heeft het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) aan verzoekers meegedeeld dat hun vertrektermijn is verlopen, dat hun recht op opvang van rechtswege is geëindigd en dat zij verwijderbaar zijn geworden. Voorts is hun meegedeeld dat de ontruiming van hun woonruimte op korte termijn zal plaatsvinden. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat de daadwerkelijke ontruiming van de woonruimte van verzoekers was voorzien voor 19 november 2002.

Vervolgens hebben verzoekers bij brieven van 12 november 2002 zowel verweerder als het COA verzocht besluiten te nemen, strekkende tot continuering van de verstrekkingen krachtens de Rva 1997. Tegen het uitblijven van een beschikking op deze aanvragen door het COA hebben verzoekers bij faxberichten van 20 november 2002 beroep ingesteld en tevens verzoeken om voorlopige voorziening aanhangig gemaakt, strekkende tot continuering van de Rva-verstrekkingen. Deze beroepen en verzoeken hebben verzoekers bij faxberichten van 20 november ingetrokken, onder de mededeling dat abusievelijk de verkeerde rechtsgang was gekozen.

Vervolgens hebben verzoekers bij faxberichten van 20 november 2002 de reeds in rubriek I vermelde bezwaarschriften en verzoekschriften ingediend. Voorts hebben verzoekers bij faxberichten van 20 november 2002 opnieuw beroep ingesteld tegen het uitblijven van besluiten van het COA op de aanvragen van 12 november 2002.

Reeds uit deze gang van zaken blijkt dat de behandeling van voornoemde verzoeken om voorlopige voorziening, terzake waarvan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie als verwerend orgaan optreedt, en voornoemde beroepen, terzake waarvan het COA als verwerend orgaan optreedt, niet los van elkaar kunnen worden gezien. In het vervolg van deze uitspraak zal dan ook zowel de argumentatie van verweerder als die van het COA aan de orde komen.

3. Uit de gedingstukken komt naar voren dat verzoeker op 3 juli 2002 bij verweerder een aanvraag heeft ingediend om een verblijfsvergunning met als doel "het ondergaan van medische behandeling; arbeid niet toegestaan". Op grond van deze aanvraag, waarop ten tijde van de zitting nog geen besluit was genomen, verblijven verzoekers rechtmatig in Nederland. Uit een tweetal door verzoekers overgelegde schriftelijke verklaringen van psychiater L. de Smet, blijkt voorts dat verzoeker lijdt aan ernstige psychische beperkingen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers meegedeeld dat verzoeker vanwege zijn psychische beperkingen op dat moment was opgenomen op een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Tussen partijen is niet in geding dat verzoekers in een noodsituatie verkeren die op zichzelf aanleiding kan zijn tot heroverweging van de beëindiging van de Rva-verstrekkingen.

4. Verweerder heeft ter zitting –zakelijk weergeven- aangevoerd dat ten tijde van de indiening van de bezwaarschriften van 20 november 2002 nog geen sprake was van een niet tijdig beslissen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, zodat de bezwaarschriften niet-ontvankelijk zijn en de verzoeken om voorlopige voorziening moeten worden afgewezen. Verweerder heeft hiertoe aangevoerd dat hem een redelijke termijn moet worden gegund om op de aanvragen te beslissen, welke termijn ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift op 20 november 2002 nog niet verstreken kon worden geacht. Verweerder heeft in dit verband meer in het bijzonder gewezen op de tijd die gemoeid is met het ter beoordeling van de aanvragen noodzakelijke inwinnen van medisch advies.

5. Het COA heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2002 op grond van het bepaalde in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en het hierop gebaseerde besluit tot wijziging van de Rva 1997 van 27 maart 2001 (Stcrt. 29 maart 2001, 63) van rechtswege meebrengt dat de opvangvoorzieningen van verzoekers zijn geëindigd en dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat het COA terzake geen enkele zelfstandige beslissingsbevoegdheid meer toekomt. Het COA heeft in dit verband meer in het bijzonder verwezen naar de Memorie van Toelichting bij artikel 3a van de Wet COA, waarin onder meer staat vermeld dat de beëindiging van de verstrekkingen zelf geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept, en dus ook geen besluit is, en evenmin kan worden aangemerkt als een handeling in de zin van artikel 3a, tweede lid, van de Wet COA. Zulks betekent, aldus het COA, dat tegen de beëindiging van de verstrekkingen geen afzonderlijk beroep op de vreemdelingenrechter mogelijk is, zodat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Naar het oordeel van het COA zou in het geval van verzoekers slechts aanleiding bestaan de opvangvoorzieningen te continueren, indien verweerder met toepassing van voornoemd TBV 2001/31 vanwege de medische beperkingen van verzoeker zou besluiten verzoekers voor continuering van de opvang in aanmerking te brengen.

6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich, mede gelet op het bepaalde in artikel 4:13, eerste lid, van de Awb, terecht op het standpunt heeft gesteld dat hem een redelijke termijn moet worden gegund om op de aanvragen van verzoekers te beslissen. De voorzieningenrechter is echter evenzeer van oordeel dat de vraag welke termijn redelijk kan worden geacht niet kan worden beantwoord zonder acht te slaan op de concrete omstandigheden van het te beoordelen geval. De voorzieningenrechter is meer in het bijzonder van oordeel dat de aard van de problematiek waarop TBV 2001/31 ziet – het, bij wijze van uitzondering, continueren van de opvang op grond van medische omstandigheden – meebrengt dat verweerder met de nodige spoed een beslissing op de aanvragen dient te nemen, opdat wordt voorkomen dat de opvangvoorzieningen worden beëindigd in gevallen waarin dit uit medisch oogpunt niet verantwoord is.

7. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het COA zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de huidige wettelijke regeling meebrengt dat het COA in beginsel geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van het beëindigen van de opvang en dat het, mocht daar in bijzondere gevallen aanleiding toe bestaan, eerst tot continuering van de opvang kan overgaan, nadat verweerder een daartoe strekkend besluit heeft genomen. Naar ook ter ziting is besproken, kan er echter niet aan voorbij worden gegaan dat in de Memorie van Toelichting bij artikel 3a van de Wet COA (TK, vergaderjaar 1999-2000, 26975, nr. 3, blz. 11), nadat is vooropgesteld dat tegen de beëindiging geen afzonderlijk beroep op de vreemdelingenrechter mogelijk is, tevens het volgende is vermeld:

"Doorgaans zal afzonderlijk beroep tegen de van rechtswege intredende gevolgen ook niet nodig zijn. Zoals in de toelichting op artikel 25 (thans artikel 45; aantekening rechtbank) van de Vreemdelingenwet 2000 is aangegeven, zal doorgaans tussen het moment waarop de handeling feitelijk wordt verricht (beëindiging van de verstrekkingen van de vreemdeling) niet te veel tijd verstrijken. In dat geval heeft de rechter zich uitgesproken over het bestreden besluit en de daaruit volgende rechtsgevolgen. Uit een oogpunt van rechtsbescherming kan het aannemen van een nieuw besluit tot beëindiging van de verstrekkingen echter noodzakelijk zijn. Denkbaar is, dat er bij wijze van uitzondering door tijdsverloop opnieuw en oordeel nodig is over bijvoorbeeld de beëindiging van de verstrekkingen vanwege een relevante wijziging in de omstandigeden van de vreemdeling, waardoor een nieuw rechtsgevolg kan worden aangenomen."

Gelet op deze passage is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook de wetgever van oordeel is dat zich uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen waarin het COA, in afwijking van het uitgangspunt dat aan de wettelijke regeling van de meeromvattende beschikking als bedoeld in artikel 45 van de Vw 2000 ten grondslag ligt, een zelfstandige beslissingsbevoegdheid tot continuering van de opvang toekomt. Tegen een daartoe strekkend besluit, of tegen het uitblijven van zo'n besluit, staat beroep bij de vreemdelingenrechter open. De voorzieningenrechter hecht er echter aan te benadrukken dat de wettelijke regeling van de meeromvattende beschikking meebrengt dat deze situatie zich slechts in zeer bijzondere gevallen kan voordoen en dat ook in die situaties als uitgangspunt dient te gelden dat continuering van de opvang in beginsel moet kunnen worden herleid tot een daartoe strekkende beslissing van verweerder.

8. Met inachtneming van het voorgaande overweegt de voorzieningenrechter voorts als volgt.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2002, die, zoals hiervoor is vermeld, tevens een meeromvattende beschikking als bedoeld in artikel 45 van de Vw 2000 inhoudt, eerst op 15 april 2002 aan verzoekers is verzonden. Dit zou betekenen dat de wettelijke vertrektermijn van 28 dagen voor verzoekers zou zijn verlopen op 13 mei 2002. Blijkens de brief van het COA d.d. 25 oktober 2002 aan de korpschef van Zeeland zou de feitelijke beëindiging van de opvang plaatsvinden in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 13 november 2002. De voorzieningenrechter stelt vast dat aldus tussen het tijdstip waarop de wettelijke vertrektermijn voor verzoekers was verstreken en het tijdstip waarop de feitelijke beëindiging van de opvang werd voorzien, geruime tijd is verstreken.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geding is dat zich in het geval van verzoeker bijzondere omstandigheden voordoen, in die zin dat hij lijdt aan een ernstige psychische stoornis. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting acht de voorzieningenrechter voorts aannemelijk dat de toestand van verzoeker in de loop van het jaar verder is verslechterd.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat noch door verweerder, noch door het COA ter zitting is betwist dat de situatie waarin verzoekers verkeren mogelijk aanleiding is om tot continuering van de opvang over te gaan, maar dat verweerder zich op het standpunt stelt hiertoe nog niet te hebben kunnen besluiten omdat de desbetreffende procedure niet in zo'n kort tijdsbestek kon worden afgerond en het COA om de onder punt 7 vermelde reden heeft gemeend hier niet toe te mogen besluiten. Met name van de zijde van het COA is voorts ter zitting betoogd dat een situatie als de onderhavige, waarin in noodgevallen niet met de nodige spoed in continuering van de opvang kan worden voorzien, het gevolg is van een wettelijke lacune, waarin mogelijk door het vormen van jurisprudentie kan worden voorzien.

9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van verzoeker niet met de nodige spoed een besluit ten aanzien van de toepassing van TBV 2001/31 kan worden genomen. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat niet is gebleken dat verweerder al concrete stappen had gezet ter verkrijging van een medisch advies over verzoeker. Dat, zoals het COA heeft aangevoerd, verzoekers het desbetreffende aanvraagformulier niet volledig zouden hebben ingevuld, maakt dit niet anders, nu verweerder zelf zich in het geheel niet op deze omstandigheid heeft beroepen. Verweerder heeft zich daarentegen vooral beroepen op de omstandigheid dat het inwinnen van een advies bij het Bureau Medische Advisering (BMA) de nodige tijd vergt. Daar staat echter tegenover, naar ter zitting ook van de zijde van het COA is gesuggereerd, dat niet valt in te zien waarom verweerder in eerste instantie niet kan volstaan met het raadplegen van een politiearts, zoals ten aanzien van de toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 is voorzien in de in onderdeel A4/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) beschreven procedure, die blijkens punt 3 van TBV 2001/31 van overeenkomstige toepassing is op aanvragen als de onderhavige. Nu de bezwaarschriften van verzoekers naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aldus kans van slagen hebben, is er aanleiding de verzoeken om voorlopige voorziening op de hierna nader aan te geven wijze toe te wijzen.

10. Gelet op hetgeen in punt 7 is vermeld heeft voorts de rechtbank in de uitspraak met registratienummers AWB 02/87536 en 02/87537 COA M V geoordeeld dat het COA zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hem in het geheel geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van de continuering van de opvang, zodat de beroepen tegen het uitblijven van beslissingen op de tot het COA gerichte aanvragen van 12 november 2002 gegrond moeten worden geacht. Aldus zijn zowel verweerder als het COA gehouden alsnog op de aanvragen van 12 november 2002 te beslissen. Mede gelet op hetgeen onder punt 7 is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het, ook in geval van noodsituaties als die waarin verzoekers verkeren, in beginsel aan verweerder is om het voortouw te nemen bij de besluitvorming over continuering van de opvang. Als deze besluitvorming echter niet kan worden afgewacht, ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het COA, als het orgaan dat het meest direct wordt geconfronteerd met de situatie van betrokkene, om, in afwachting van nadere besluitvorming van verweerder, toepassing te geven aan zijn onder punt 7 van deze uitspraak beschreven uitzonderlijke bevoegdheid.

11. Op grond van het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder, bij wijze van voorlopige voorziening, op te dragen binnen twee weken na de datum waarop deze uitspraak is bekendgemaakt, een beslissing te nemen op de aanvragen van 12 november 2002.

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van de verzoeken redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,- (1 punt voor de gelijkluidende verzoekschriften met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat de veroordeling tot vergoeding van de proceskosten terzake van het verschijnen ter zitting reeds in het kader van de uitspraak met registratienummers AWB 02/87536 en 02/87537 COA M V heeft plaatsgevonden.

III. BESLISSING:

De voorzieningenrechter:

1. wijst de verzoeken toe;

2. bepaalt dat verweerder binnen twee weken na de datum waarop deze uitspraak is bekendgemaakt, beslissingen neemt op de aanvragen van 12 november 2002;

3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekers dient te vergoeden;

4. gelast dat voornoemde rechtspersoon het door verzoekers betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M.H.L.E. Habets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2002 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Habets w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 9 januari 2003

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.