Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF6794

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-12-2002
Datum publicatie
03-04-2003
Zaaknummer
AWB 01/50122
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nova.

Eiseres, met de Jemenitishce nationaliteit, heeft op 30 augustus 2000 een herhaalde aanvraag ingediend. Beoordeeld dient te worden of zich na het eerdere in rechte onaantastbare besluit van 19 juni 2000 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval nu de door eiseres naar voren gebrachte feiten reeds in de eerdere procedure naar voren hadden kunnen worden gebracht. In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die de in het nationale recht neergelegde procedureregels kunnen omzeilen.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummer: Awb 01/50122

Datum uitspraak: 31 december 2002

UITSPRAAK op het beroep in het geschil tussen:

A

geboren op [...] 1984,

van Jemenitische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. Dost, advocaat te Arnhem,

en

De Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. S.D.M. Michaël, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2000 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres van 16 juli 2000 afgewezen. Eiseres heeft hiertegen geen rechtsmiddel ingesteld.

Op 30 augustus 2000 heeft eiseres een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan.

Bij besluit van 17 januari 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eiseres geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Eiseres heeft daartegen bij bezwaarschrift van 1 maart 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 september 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het was gericht tegen de niet-verlening van een verblijfsvergunning asiel. Eiseres werd ambtshalve in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling".

Bij brief van 2 oktober 2001 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 juni 2002, waar eiseres en haar gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Motivering

2.1 De rechtbank stelt voorop dat zij, in navolging van de meervoudige kamer van deze rechtbank in haar uitspraken van 22 oktober 2002 (onder meer Awb 01/45982) van oordeel is, dat eiseres belang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep. Het beroep is derhalve ontvankelijk.

2.2 Blijkens de Memorie van toelichting bij artikel 4:6 Awb dient een belanghebbende die buiten het geval van bezwaar en beroep wenst dat een bestuursorgaan terugkomt van een onherroepelijke beslissing en daarvoor een nieuwe aanvraag indient, nieuwe feiten en omstandigheden aan te dragen die (a) bij de behandeling van de eerste aanvraag geen rol hebben kunnen spelen, en (b) van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven. Het bestuursorgaan is alsdan verplicht de betekenis daarvan te onderzoeken en, zo het de (herhaalde) aanvraag niet kan inwilligen, te motiveren waarom de aangevoerde nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.

2.3 Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan, voor zover van belang, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.4 Het toetsingskader in deze zaak wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 Awb, mede bezien in verband met het bepaalde in voormeld artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Beoordeeld kan dan ook slechts worden of zich na het eerdere in rechte onaantastbare besluit van 19 juli 2000 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die (a) bij de behandeling van de eerste aanvraag geen rol hebben kunnen spelen, en (b) van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven.

2.5 Eiseres heeft - kort samengevat - het navolgende aangevoerd.

In de eerdere procedure is onvoldoende naar voren gekomen dat de vader van eiseres lid was van de Socialistische partij en dat zij vreesde daardoor ook in de problemen te komen.

Het lidmaatschap van de vader van eiseres van de oppositie in Jemen dient te worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van vluchtelingschap. In Jemen worden leden van de socialistische partij actief vervolgd. Het is - aldus eiseres - aannemelijk dat ook minderjarige kinderen van leden van de oppositie in de problemen komen.

Voorts heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eiseres geen gevaar loopt het slachtoffer te worden van bloedwraak. Eiseres betwist de stelling van verweerder in voornoemd besluit van 19 juli 2000 dat zij de bescherming van de Jemenitische autoriteiten kan inroepen. Zij verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank van 11 oktober 2000 (Awb 00/364) en een Duits rapport van het Bundesamt für die Anerkennung Ausländischer Flüchtlinge uit juli 1999. Evenmin heeft verweerder een overweging gewijd aan het gegeven dat eiseres zich als vrouw niet zal kunnen staande houden in Jemen en dat zij een reëel risico loopt te worden misbruikt. Eiseres loopt derhalve een reëel risico te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. (EVRM)

2.6 De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hetgeen door eiseres is aangevoerd niet kan worden beschouwd als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorengenoemde zin. Hiertoe overweegt de rechtbank het navolgende.

Niet valt in te zien dat eiseres niet reeds ten tijde van het eerste asielverzoek had kunnen aanvoeren dat zij als minderjarig kind van een oppositielid gegronde vrees voor vervolging zou hebben. In dit verband wijst de rechtbank er overigens op dat uit het verslag van het in het kader van de eerdere aanvraag afgenomen nader gehoor blijkt dat de rapporteur voor dat gehoor aan eiseres heeft medegedeeld dat zij in vrijheid kan spreken, dat al het besprokene vertrouwelijk zal worden behandeld en dat het belangrijk is dat zij geen gegevens betreffende haar asielaanvraag achterhoudt. De enkele omstandigheid dat eiseres ten tijde van de asielaanvraag nog minderjarig was, leidt niet tot een ander oordeel.

Met verweerder oordeelt de rechtbank voorts dat de stelling van eiseres dat zij geen bescherming van de Jemenitische autoriteiten kan inroepen tegen een negatieve bejegening van de familie Al Jabri, evenmin is aan te merken als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. In dit verband is van belang dat eiseres dit ook reeds tijdens het eerste asielverzoek had aangevoerd. Reeds toen is gebleken dat eiseres bij de Jemenitische autoriteiten geen aangifte had gedaan van de haar ten deel vallende negatieve bejegening. Het voornoemd rapport van het Bundesamt für die Anerkennung Ausländischer Flüchtlinge valt evenmin aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, nu dit rapport dateert van vóór het voornoemd besluit van 19 juli 2000. Niet valt in te zien dat eiseres dit niet reeds ten tijde van de eerste asielaanvraag over had kunnen leggen. Nu de door eiseres overgelegde uitspraak van deze rechtbank van 11 oktober 2000 grotendeels is gestoeld op het genoemde Duitse rapport leidt die uitspraak reeds hierom niet tot een ander oordeel.

2.7 Het asielmotief dat eiseres zich als alleenstaande vrouw niet in Jemen zou kunnen handhaven, zoals naar voren gebracht in bezwaar, is geen nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, reeds omdat eiseres dit asielmotief in de eerste procedure naar voren had kunnen en moeten brengen.

2.8 Gelet op het vorenstaande is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, die bij de behandeling van de eerste aanvraag geen rol hebben kunnen spelen en van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven.

2.9 Voorzover eiseres beoogt te stellen dat de toepassing van artikel 4:6 Awb tot gevolg heeft dat de afwijzing van de aanvraag in strijd komt met het verbod van artikel 3 EVRM, overweegt de rechtbank onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer van 5 maart 2002, in zaak nr. 200200237/1, en 6 november 2002, in zaak nr. 200205002/1, het navolgende.

Een vreemdeling die om bescherming vraagt moet in de regel voldoen aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, welke er toe dienen de nationale autoriteiten in staat te stellen aanvragen om een verblijfsvergunning op een ordelijke wijze af te doen. Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan de noodzaak bestaan om deze regels niet tegen te werpen. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

2.10 Gelet op al het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.R. Borgerhoff Mulder en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2002 in tegenwoordigheid van mr. B. Klunder als griffier.

Afschrift verzonden op: 3 januari 2003

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.