Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF6030

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-09-2002
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
AWB 01/3998 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/3998 WW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 18 oktober 2000 heeft verweerder (SFB Uitvoeringsorganisatie) eiser meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet over de periode van 8 november 1995 tot en met 30 april 1996, en dat de reeds uitbetaalde voorschotten ten bedrage van ƒ 9.227,31 van eiser worden teruggevorderd.

Bij besluit van 7 november 2001 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat is besloten dat eiser geen recht heeft op een WW-uitkering vanwege het feit dat hij een benadelingshandeling heeft gepleegd.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 13 november 2001, ingekomen bij de rechtbank op 14 november 2001, beroep ingesteld.

De gronden zijn later ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 12 september 2002 ter zitting aan de orde gesteld.

Partijen zijn (met bericht vooraf) niet ter zitting verschenen.

Motivering

Blijkens de stukken is eiser van 21 april 1992 tot en met 30 april 1996 als voeger werkzaam geweest bij [bedrijf] BV te [vestingsplaats], verder te noemen [bedrijf]. Na een periode van arbeidsongeschiktheid is eiser met ingang van 8 november 1995 arbeidsgeschikt verklaard. Eiser heeft echter zijn werkzaamheden niet meer hervat. [bedrijf] heeft het salaris niet doorbetaald. Op 8 februari 1996 heeft eiser bij verweerder een aanvraag om een uitkering krachtens de WW (ingaande 8 november 1995) ingediend. In afwachting van de beslissing op die aanvraag zijn aan eiser voorschotten uitgekeerd.

Bij verzoekschrift van 15 april 1996 heeft [bedrijf] de kantonrechter te Alphen aan den Rijn verzocht de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen zo spoedig mogelijk te ontbinden. Eiser, die heeft gesteld dat de verstandhouding met zijn werkgever als gevolg van een samenstel van omstandigheden inmiddels ernstig was verslechterd, maar die anderzijds heeft volgehouden dat hij vanaf 8 november 1995 beschikbaar was voor werk, heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

De kantonrechter heeft bij beschikking van 18 april 1996 de arbeidsovereenkomst per 30 april 1996 ontbonden, en ter zake van die ontbinding ten laste van [bedrijf] aan eiser een vergoeding toegekend van ƒ 12.376,52 bruto.

Eiser heeft vervolgens een loonvordering ingesteld, onder meer betrekking hebbende op de periode van 8 november 1995 tot 1 mei 1996. [bedrijf] heeft die vordering betwist. Bij vonnis van 20 oktober 1998, voor zover hier van belang, heeft de kantonrechter te Alphen aan den Rijn [bedrijf] veroordeeld om aan eiser over de periode in kwestie een bedrag van ƒ 11.000,- netto te betalen. Tegen dit vonnis is door [bedrijf] hoger beroep ingesteld.

De rechtbank Den Haag heeft op 16 februari 2000 vonnis gewezen, en daarbij onder meer een comparitie van partijen gelast. Bij gelegenheid van die comparitie hebben eiser en [bedrijf] een schikking getroffen ter beëindiging van hun geschil, en zijn daarbij overeengekomen dat [bedrijf] aan eiser een bedrag van ƒ6000,- netto betaalt.

Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat eiser zijn aanspraak op (volledige) doorbetaling van loon vanaf 8 november 1995 heeft prijsgegeven, zodat uitkering over de periode vanaf 8 november 1995 tot 1 mei 1996 dient te worden geweigerd wegens het plegen van een benadelingshandeling, en reeds uitbetaalde voorschotten dienen te worden teruggevorderd.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij zich steeds beschikbaar heeft gehouden vanaf 8 november 1995. Doordat de procedure in een schikking is geëindigd is het tegendeel niet komen vast te staan, aldus eiser. Hooguit zou hem kunnen worden verweten dat hij de onzekerheid heeft laten voortbestaan door het treffen van een schikking. Eiser stelt dat uitsluitend sprake kan zijn van een benadelingshandeling indien de kans dat een procedure meer zou hebben opgeleverd, reëel zou zijn geweest.

Op grond van artikel 24, zesde lid, van de WW is de werknemer verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit artikel is niet begrepen een gedraging als bedoeld in artikel 25.

Gelet op de afspraken die daarover tijdens de schikking in het kader van de loonvorderingsprocedure zijn gemaakt, kan het bedrag van ƒ6000,- dat eiser uiteindelijk heeft ontvangen, evenals het bedrag van ƒ11.000,- netto dat door de kantonrechter was toegekend (maar waar de werkgever zich kennelijk niet mee kon verenigen) niet anders dan als een loonbetaling worden aangemerkt. Een dergelijke loonbetaling heeft normaliter consequenties voor het recht op de WW-uitkering.

Dit betekent, mede gelet op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 12 mei 1998, gepubliceerd in RSV 1998/247), dat in dit geval alleen dan van een benadelingshandeling jegens verweerder zou kunnen worden gesproken, indien de kans dat eiser, in geval van doorzetten van de loonvorderingsprocedure, meer dan ƒ6000,- zou hebben ontvangen, als overwegend positief moet worden ingeschat.

Uit het vonnis van de rechtbank van 16 februari 2000, gewezen voordat eiser en [bedrijf] er uiteindelijk bij gelegenheid van een comparitie in slaagden om een minnelijke regeling te bereiken, blijkt dat de bewijslast met betrekking tot de door eiser in die procedure gestelde bereidheid om zijn werkzaamheden per 8 november 1995 te hervatten - eiser was te verstaan gegeven dat hij op die datum weer arbeidsgeschikt was - op eiser rustte. Daarbij is betekenis gehecht aan het gegeven dat [bedrijf] had bestreden dat eiser reeds in een eerder stadium te kennen was gegeven dat van zijn diensten geen gebruik meer zou worden gemaakt. Hoewel de rechtbank in genoemd vonnis heeft overwogen dat aan het desbetreffende bewijs geen al te hoge eisen behoeven te worden gesteld, aangezien [bedrijf] al tot twee keer toe een ontslagvergunning voor eiser had aangevraagd, en [bedrijf] ook overigens duidelijk te kennen had gegeven dat zij van eiser afwilde, kan anderzijds niet worden staande gehouden dat eiser hoogstwaarschijnlijk evenveel aan achterstallig salaris zou hebben ontvangen als hem op basis van het vonnis van de kantonrechter was toegekend. De kans dat eiser meer dan ƒ6000,- zou hebben ontvangen, indien geen schikking was bereikt en [bedrijf] het hoger beroep zou hebben doorgezet, acht de rechtbank dubieus, en kan zeker niet als overwegend positief worden ingeschat.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat eiser uit eigen beweging een loonvordering heeft ingesteld, zodat niet kan worden staande gehouden dat eiser zijn aanspraken ten nadele van verweerder heeft verwaarloosd. Dat hij vervolgens in het - door de werkgever ingestelde - hoger beroep akkoord is gegaan met een schikking, kan hem niet worden tegengeworpen. Naar de rechtbank aanneemt moest eiser er immers rekening mee houden dat hij minder zou krijgen dan ƒ11.000,- , en wellicht zelfs helemaal niets.

Hieruit volgt dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op de door hem gehanteerde grond op het standpunt heeft gesteld dat eiser jegens hem een benadelingshandeling heeft gepleegd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Met het oog op de door verweerder te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser merkt de rechtbank wellicht ten overvloede nog op dat aan de hand van het door eiser te ontvangen bedrag van ƒ6000,- , afgezet tegen zijn reguliere loon, gelet op artikel 16, eerste lid, van de WW, geen andere conclusie mogelijk is dan dat eiser werkloos was. Verweerder dient de eiser nog toekomende uitkering te verrekenen met de verstrekte voorschotten.

De rechtbank ziet tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemakte proceskosten. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 322,-,

waarbij is uitgegaan van professionele rechtsbijstand in de vorm van een beroepschrift, in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 7 november 2001;

bepaalt dat verweerder binnen acht weken een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

bepaalt dat de rechtspersoon het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 27,23, vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.J. Waterbolk en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.P. Jadoenathmisier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: