Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF5915

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
17-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/85131, 02/85135, 02/85140
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Syrië / vrees voor vervolging.

De rechtbank is in navolging van de uitspraak 20020238/1 van 9 juli 2002 van de ABRS van oordeel dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eisers toerekenbaar niet beschikken over documenten, waardoor de oprechtheid van hun asielrelaas op voorhand is aangetast. Verweerder heeft in de bestreden beslissing hieraan evenwel niet de conclusie verbonden dat het asielrelaas van eisers als zodanig ongeloofwaardig is. De rechtbank gaat derhalve uit van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Eiser sub 1 stelt dat hij vanwege een hem toegedichte politieke overtuiging te vrezen heeft voor vervolging door de Syrische autoriteiten. Eiser heeft zich gebaseerd op verschillende bronnen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser sub 1 onder de gegeven omstandigheden op deze wijze op informatie mocht afgaan. Dat de informatie niet afkomstig is uit objectieve en officiële bron, brengt niet mee dat eiser sub 1 hierop niet mocht afgaan. Immers indien eiser sub 1 zou hebben gewacht totdat de Syrische autoriteiten hem officieel zouden hebben meegedeeld dat hij door hen gezocht werd, zou het voor eiser sub 1 wellicht reeds te laat zijn om zich nog aan vervolging te onttrekken. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom van eisers had mogen worden verwacht dat zij zich voor bescherming tot de hogere Syrische autoriteiten hadden gewend. De rechtbank overweegt dat het Syrische regime een in hoge mate repressief karakter heeft en dat bepaald niet zeker is dat de hogere Syrische autoriteiten bereid zullen zijn bescherming te bieden tegen het optreden van lagere elementen binnen het Syrische overheidsapparaat, nog daargelaten de vraag of eisers in de praktijk wel toegang hebben tot deze hogere Syrische autoriteiten. Voorzover al zou moeten worden aangenomen dat de hogere Syrische autoriteiten bereid zullen zijn om eiser sub 1 bescherming te bieden tegen de autoriteiten waarvoor hij te vrezen heeft, is naar het oordeel van de rechtbank tevens van belang dat hiermee tijd gemoeid zal zijn. In die tijd geniet eiser sub 1 geen bescherming tegen negatieve bejegening. Niet is onderzocht en derhalve is onduidelijk wat het effect hiervan zal zijn op de toch al ernstige medische klachten van eiser sub 1. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bestreden beschikking ten aanzien van eiser sub 1 niet zorgvuldig is voorbereid en niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering. Gezien het feit dat de aanvragen van eiseres en eiser sub 2 afhankelijk zijn van die van eiser sub 1 komen ook de ten aanzien van hun gegeven beschikkingen voor vernietiging in aanmerking. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 02/85131 & 02/85135 & 02/85140

UITSPRAAK

inzake: 1. A,

geboren op [...] 1939,

2. B,

geboren op [...] 1941,

3. C

geboren op [...] 1964,

allen van Syrische nationaliteit,

IND dossiernummer 0211.02.8001 & 0211.02.8002,

gemachtigde: mr. F.S. van Nierop, advocaat te Utrecht,

eisers;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. L. Stams,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 2 november 2002 hebben eisers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij beschikkingen van 5 november 2002 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Bij brief van 11 november 2002 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is ter zitting van 13 december 2002 behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Stams.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan. Aangezien verweerder de aanvragen heeft afgewezen in het aanmeldcentrum dient in dat kader tevens beoordeeld te worden of de aanvragen op zorgvuldige wijze binnen 48 uur is afgedaan.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eisers komt op het volgende neer:

Eisers behoren tot de bevolkingsgroep van Syrisch-Orthodoxe christenen en zijn afkomstig uit D. Eiser sub 1 en eiseres sub 2 zijn met elkaar gehuwd. Eiser sub 3 is een jongere broer van eiseres sub 2. Eiser sub 3 lijdt aan het syndroom van Down en sinds het overlijden van zijn ouders hebben eisers sub 1 en sub 2 de zorg voor hem op zich genomen. Verscheidene kinderen van eisers sub 1 en sub 2 wonen in Nederland.

Eiser sub 1 werkte als burgerambtenaar voor het recruteringsbureau van het Syrische leger. Hij was onder meer verantwoordelijk voor het voorleggen van verzoeken om vrijstelling van militaire dienst, om medische redenen, aan een medische commissie.

Met ingang van januari 2002 werd een hoge militair, die tot de Alevitische bevolkingsgroep behoorde, aangesteld als het nieuwe hoofd van het recruteringsbureau. Het bleek eiser dat het nieuwe hoofd corrupt was. Op een bepaald moment vroeg het nieuwe hoofd eiser sub 1 om zijn medewerking te verlenen aan het op valse gronden verlenen van vrijstelling van militaire dienst aan de zoon van een sheik. Eiser sub 1 heeft dit geweigerd.

Van 20 augustus 2002 tot 20 september 2002 had eiser sub 1 ziekteverlof, in verband met een operatie die hij moest ondergaan. Nadat eiser sub 1 eind september 2002 zijn werkzaamheden hervat had, bleek hem op 30 september 2002 dat de zoon van de sheik tijdens de afwezigheid van eiser sub 1 alsnog vrijstelling had gekregen van militaire dienst. Toen eiser sub 1 het dossier van de zoon van de sheik inzag, bleek hem dat het rapport van de medische commissie, op basis waarvan vrijstelling was verleend, vals was; al hoewel het rapport er uiterlijk uitzag als een rapport van de medische commissie, waren de handtekeningen op dit rapport niet de handtekeningen van de artsen van de medische commissie, welke handtekeningen eiser goed kende. Eiser sub 1 is hierop meteen naar het hoofd van het recruteringsbureau gegaan en hij heeft hem met dit rapport geconfronteerd. Hierop vond een woordenwisseling plaats tussen eiser sub 1 en het hoofd. Tijdens deze woordenwisseling liet eiser zich ontvallen dat het rapport vals was en dat hij daarvan melding zou maken bij de militaire veiligheidsdienst.

Op het einde van de werkdag heeft eiser sub 1 het op de zoon van de sheik betrekking hebbende dossier meegenomen naar huis. 's Avonds heeft eiser sub 1 overwogen of hij al dan niet met het dossier naar de militaire veiligheidsdienst zou gaan. Eiser sub 1 beschouwde het enerzijds als zijn plicht om de door hem ontdekte corruptie aan de kaak te stellen, anderzijds was hij bang dat dit ook voor hem negatieve consequenties zou kunnen hebben, gelet op de relaties van het hoofd van het recruteringsbureau met andere officieren binnen het Syrische leger. Na lang wikken en wegen besloot eiser sub 1 die avond om toch met het rapport naar de militaire veiligheidsdienst te gaan.

De volgende ochtend is eiser sub 1 niet naar zijn werk gegaan. Omstreeks 10.00 uur werd er op de deur van de woning van eisers geklopt. Een militair in burgerkleding, die op hetzelfde kantoor werkte als eiser sub 1, was langsgekomen om hem te waarschuwen. Hij vertelde eiser sub 1 dat 's ochtends vroeg een patrouille van de veiligheidsdienst was langsgekomen op kantoor en dat zij de werkplek van eiser sub 1 hadden onderzocht. In een la van het bureau van eiser sub 1 zouden pamfletten van de verboden Communistische Partij gevonden zijn. Eiser sub 1, die niets met de verboden Communistische Partij te maken had, vermoedt dat het hoofd van het recruteringsbureau deze daar heeft gelegd. Nadat hij zich had aangekleed, is hij naar een vriend gegaan. De volgende dag heeft deze vriend hem naar een klooster in het dorp E, vlakbij D, gebracht. Eiser sub 1 heeft daar tot 23 oktober 2002 verbleven.

Ondertussen waren eiseres sub 2 en eiser sub 3 achtergebleven in de woning in D. Op de dag waarop eiser sub 1 vertrokken was, omstreeks 12.00 uur, kwamen drie mannen langs bij de woning van eisers, om eiser sub 1 te zoeken. De mannen hebben de woning doorzocht. Hierbij hebben zij het dossier van de zoon van de sheik, dat eiser sub 1 bij zijn haastige vlucht eerder die morgen op de bank had achtergelaten, gevonden en meegenomen. Gedurende de hierop volgende weken zijn drie keer mannen aan de deur van de woning van eisers geweest om te informeren naar eiser sub 1. Ook merkte eiseres sub 2 dat de woning in de gaten werd gehouden.

Ondertussen had de in Syrië wonende zoon van eisers - die zowel met zijn vader als met zijn moeder in contact was gebleven - in het geheim contact gelegd met een reisagent. Eiser sub 1 is op 23 oktober 2002 naar een plaats vlakbij de Turkse grens gebracht. Eiseres sub 2 en eiser sub 3 zijn eerst op onopvallende wijze naar een zus van eiseres sub 2 gegaan, vanwaar zij verder zijn gegaan naar de plek waar zij eiser sub 1 ontmoetten. De reisagent heeft eisers vervolgens lopend over de Turkse grens gebracht. Vanuit Turkije zijn eisers met hulp van de reisagent verder gereisd naar Nederland, waar zij op 30 oktober 2002 aankwamen.

3.2 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat een van de gronden van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 zich voordoet. Eisers beschikken verwijtbaar niet over voldoende reis- of identiteitspapieren dan wel over andere bescheiden voor de beoordeling van hun asielrelaas, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardheid van hun asielrelaas. Hetgeen eisers hebben aangevoerd is voorts niet toereikend voor vluchtelingschap. Eiser sub 1 baseert de door hem gestelde vrees voor vervolging enkel op hetgeen hij van anderen heeft vernomen in samenhang met zijn eigen vermoedens en speculaties. Hieraan kan niet de conclusie worden ontleend dat eiser daadwerkelijk wordt gezocht. Van eiser sub 1 had voorts mogen worden verwacht dat hij zich voor bescherming tot de hogere Syrische autoriteiten had gewend. Verder blijkt uit de omstandigheid dat eisers in Turkije geen asiel hebben aangevraagd dat zij zich niet in een acute vluchtsituatie bevinden. Eisers gezondheidsklachten kunnen in deze procedure geen rol spelen, aangezien deze niet asielgerelateerd zijn.

3.3 Eisers stellen zich op het standpunt dat eiser sub 1 in Syrië te vrezen heeft voor vervolging. De in Syrië achtergebleven zoon van eisers is er in geslaagd om een afschrift van het ten aanzien van eiser sub 1 uitgevaardigde interne arrestatiebevel te achterhalen. Een vertaling van dit document is in beroep overgelegd. Eiser sub 1 mocht onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs afgaan op wat de militair die hem waarschuwde en zijn echtgenote hem vertelden. Eisers hebben alle stukken waarover zij redelijkerwijs de beschikking konden krijgen overgelegd. Eisers hadden geen paspoorten en de identiteitskaart van eiser sub 1 is overgelegd. Aangezien eiser geen gebruik heeft gemaakt van een officiëel vervoerbedrijf, maar van een mensensmokkelaar, kan hij geen op de reis betrekking hebbende documenten overleggen. Eiser is steeds voornemens geweest om in Nederland asiel aan te vragen. Overigens past Turkije het Vluchtelingenverdrag niet toe op vluchteling van buiten Europa, zoals eisers. Eisers gezondheidsklachten zijn van zodanige aard, dat verwijdering reeds om deze reden in strijd zou zijn met bepaalde in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vraag of hiervan sprake is, ligt in het kader van deze procedure wel ter toetsing voor.

4 Overwegingen

4.1 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Syrië zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000 dient te worden verleend. Eisers zullen daarom aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

4.2 Op grond van artikel 1 (A) Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

De rechtbank is, in navolging van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2002 (nr. 20020238/1; JV 2002/275), van oordeel dat de beoordeling of een asielrelaas geloofwaardig is tot de verantwoordelijkheid van verweerder behoort. Het is niet aan de rechter om deze verantwoordelijkheid van verweerder over te nemen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eisers toerekenbaar niet beschikken over documenten, waardoor de oprechtheid van hun asielrelaas op voorhand is aangetast. Verweerder heeft in de bestreden beslissing hieraan evenwel niet de conclusie verbonden dat het asielrelaas van eisers als zodanig ongeloofwaardig is. Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank derhalve uitgaan van de geloofwaardigheid van het asielrelaas als zodanig.

De rechtbank stelt voorop dat eiser sub 1 de conclusie dat hij te vrezen heeft voor vervolging door de Syrische autoriteiten - vanwege een hem toegedichte politieke overtuiging - heeft gebaseerd op meerdere bronnen, namelijk op informatie van de militair die hem op 1 oktober 2002 thuis kwam waarschuwen en informatie van eiseres sub 2, die de inval in hun woning door leden van de veiligheidsdienst heeft meegemaakt. De rechtbank is van oordeel dat eiser sub 1 onder de gegeven omstandigheden op de op deze wijze verkregen informatie mocht afgaan. Dat deze informatie niet afkomstig is uit objectieve en officiële bron, brengt niet mee dat eiser sub 1 hierop niet mocht afgaan; immers, indien eiser sub 1 zou hebben gewacht totdat de Syrische autoriteiten hem officiëel zouden hebben meegedeeld dat hij door hen gezocht werd, zou het voor eiser sub 1 wellicht reeds te laat zijn om zich nog aan vervolging te onttrekken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts onvoldoende gemotiveerd waarom van eisers had mogen worden verwacht dat zij zich voor bescherming tot de (hogere) Syrische autoriteiten hadden gewend. De rechtbank overweegt in dit verband dat het Syrische regime een in hoge mate repressief karakter heeft en dat bepaald niet zeker is dat de hogere Syrische autoriteiten bereid zullen zijn om eiser sub 1 bescherming te bieden tegen het optreden van (lagere) elementen binnen het Syrische overheidsapparaat, nog daargelaten de vraag of eisers in de praktijk wel toegang hebben tot deze hogere Syrische autoriteiten.

Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de hogere Syrische autoriteiten bereid zullen zijn om eiser sub 1 bescherming te bieden tegen de (lagere) autoriteiten waarvoor hij te vrezen heeft, is naar het oordeel van de rechtbank tevens van belang dat hiermee (mede gelet op de in eisers bureau gevonden communistische pamfletten) de nodige tijd gemoeid zal zijn, gedurende welke eiser sub 1 geen bescherming geniet tegen negatieve bejegening, waaronder mogelijk detentie, door de (lagere) autoriteiten voor wie hij te vrezen heeft. Niet is onderzocht en derhalve is onduidelijk wat het effect hiervan zal zijn op de toch al ernstige medische klachten van eiser sub 1.

De rechtbank komt, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, tot het oordeel dat de bestreden beschikking ten aanzien van eiser sub 1 niet zorgvuldig is voorbereid en niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering. Gezien het feit dat de aanvragen van eiseres sub 2 en van eiser sub 3 afhankelijk zijn van die van eiser sub 1 en de ten aanzien van hen gegeven beschikkingen mede op de beschikking ten aanzien van eiser sub 1 zijn gebaseerd, komen ook de ten aanzien van hen gegeven beschikkingen voor vernietiging in aanmerking.

4.3 Het beroep is derhalve gegrond en de bestreden beschikkingen dienen, wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op de aanvragen te beslissen.

4.4 Gelet op het hiervoor overwogene bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van hun beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvragen dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten, welke begroot worden op € 644,-, te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier op 18 december 2002

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 18 december 2002