Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF5874

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2002
Datum publicatie
17-03-2003
Zaaknummer
AWB 02/91763
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / gronden.

De vreemdeling, afkomstig uit Sri Lanka, is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000. Namens de vreemdeling is betoogd dat hem per 4 november 1992 een vtv is verleend, die laatstelijk tot 4 november 1995 is verlengd. Voorts stelt de vreemdeling dat verweerder hem niet op de voet van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 in bewaring heeft kunnen stellen, nu de zinsnede in die bepaling die luidt "tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e en m" zich daartegen verzet. De rechtbank verwerpt deze wetsuitleg. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder de vreemdeling per 22 januari 1996 als mob heeft aangemerkt. Komend vanuit Duitsland heeft de vreemdeling op 23 maart 1998 voor een tweede keer een asielaanvraag ingediend. Die aanvraag is op 14 oktober 2002 afgewezen. Uit het artikelsgewijze deel van de nota naar aanleiding van het verslag volgt dat de bewaring op grond van artikel 57, tweede lid (thans artikel 59), beperkt moet worden tot illegalen en vreemdelingen die voor het eerst een aanvraag hebben ingediend; dat blijkt ook uit de nota van wijziging waarbij de onderhavige tenzij-clausule is voorgesteld. Nu vaststaat dat de vreemdeling na de expiratie van de C-status Nederland heeft verlaten, dient zijn aanvraag van 23 maart 1998 te worden aangemerkt als een eerste aanvraag om toelating. Een andere wetsuitleg zou meebrengen dat artikel 59, tweede lid, Vw 2000 niet zou kunnen worden toegepast ten aanzien van vreemdelingen die Nederland hebben verlaten en aan wie op enig moment in het verleden een vtv is verleend. Dat dit met de tenzij-clausule is beoogd, heeft de rechtbank niet uit de wetshistorie kunnen afleiden. Daaraan doet niet af dat ten aanzien van die laatstgenoemde categorie vreemdelingen, inbewaringstelling op de voet van artikel 59, eerste lid, Vw 2000, mogelijk is. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

beroep vrijheidsontnemende maatregel

Reg.nr : AWB 02/91763 VRWET

Inzake : A, crv nummer 1002003972, verblijvende op het politiebureau te Middelburg, hierna te noemen de vreemdeling,

gemachtigde mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. R.H. Visser, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1971 en de Sri Lankaanse nationaliteit te hebben.

2. Bij kennisgeving op grond van artikel 94 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000), ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 9 december 2002, heeft verweerder de rechtbank bericht dat de vreemdeling met ingang van 6 december 2002 de maatregel van bewaring is opgelegd. Krachtens die bepaling wordt de vreemdeling na de ontvangst van deze kennisgeving geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel.

3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 16 december 2002. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, Vw2000.

2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

3. De vreemdeling is in verband met de beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op 6 december 2002 om 8.00 uur ontslagen uit de Penitentiaire Inrichting te Alphen aan den Rijn. De vreemdeling is vervolgens in het kader van de Vreemdelingenwet overgebracht naar een plaats voor verhoor, zijnde het politiebureau te Middelburg, alwaar de vreemdeling om 12.20 uur die dag arriveerde.

De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat de staandehouding van de vreemdeling ex artikel 50, eerste lid, Vw op onrechtmatige wijze is toegepast. Hij heeft gesteld dat de vreemdeling eerst om 12.20 uur op de plaats van voor verhoor ex artikel 50, derde lid, Vw2000 is aangekomen en dat derhalve aangenomen moet worden dat de periode van 8.00 uur tot 12.20 uur de vrijheidsontneming van de vreemdeling is gebaseerd op het bepaalde in artikel 50, eerste lid, Vw. Laatstgenoemde artikel is echter bedoeld voor een zeer korte periode en niet bedoeld om iemand langere tijd de vrijheid te ontnemen. Bovendien geeft artikel 50, eerste lid, Vw ook geen titel voor vrijheidsontneming, maar slechts de bevoegdheid om de dwangmiddelen van lid 2 en 3 toe te passen direct aansluitend op de staandehouding, aldus de gemachtigde.

De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal dat van de overbrenging van de vreemdeling naar het politiebureau te Middelburg is opgemaakt blijkt dat de overbrenging heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, derde lid, Vw2000. Een staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, Vw2000 heeft niet plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht (enkel) toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 50, derde lid, Vw2000 en heeft de overbrenging en ophouding van de vreemdeling rechtmatig plaatsgevonden. Zij stelt vast dat gebleken was dat de identiteit van de vreemdeling onmiddellijk kon worden vastgesteld en dat eveneens was gebleken dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft. Voorts strekt, blijkens de wetgeschiedenis, artikel 50, derde lid, Vw2000 ertoe een rechtstitel te geven voor het vervoer van de vreemdeling na expiratie van een strafrechtelijke detentie en voor het horen van een vreemdeling met het oog op de uitzetting. Daarnaast wijst de rechtbank nog op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2002 (200106222/1) waarin is geoordeeld dat in gevallen waarin tot overbrenging en ophouding ingevolge artikel 50, derde lid, Vw2000 wordt overgegaan niet valt in te zien welk redelijk doel gediend zou kunnen worden met een daaraan voorafgaande staandehouding als bedoeld in artikel 50, eerste lid. Tevens is in deze uitspraak geoordeeld dat artikel 50, derde lid, Vw2000 geen bijzondere eisen stelt aan de overbrenging naar een plaats bestemd voor verhoor en dat de duur van de periode van overbrenging door de Vw2000 niet wordt gemaximeerd. In de onderhavige zaak heeft de rechtbank geen grond om te oordelen dat de overbrenging van de vreemdeling onaanvaardbaar lang heeft geduurd

4. Voorts is namens de vreemdeling betoogd dat aan hem per 4 november 1992 een vergunning tot verblijf (zgn. C-status) is verleend, welke laatstelijk tot 4 november 1995 is verlengd. Derhalve heeft verweerder hem niet op de voet van artikel 59, tweede lid, in bewaring kunnen stellen, nu de zinsnede in die bepaling die luidt "tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e en m" zich daartegen verzet.

In het onderhavige geval verwerpt de rechtbank deze wetsuitleg.

Zij heeft vastgesteld dat de verweerder de vreemdeling per 22 januari 1996 heeft aangemerkt als "met onbekende bestemming vertrokken". Komende vanuit Duitsland heeft de vreemdeling op 23 maart 1998 voor een tweede keer een asielaanvraag ingediend, welke aanvraag op 14 oktober 2002 is afgewezen.

Uit het artikelsgewijze deel van de nota naar aanleiding van het verslag (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 200) volgt dat de bewaring op grond van artikel 57, tweede lid (thans artikel 59), beperkt moet worden tot illegalen en vreemdelingen die voor het eerst een aanvraag hebben ingediend (zogenaamde "eerste toelaters"), vgl. ook de nota van wijziging waarbij de onderhavige "tenzij-clausule" is voorgesteld (TK 1999-2000, 26 732, nr. 8, p. 9, punt 25). Nu vaststaat dat de vreemdeling na de expiratie van de C-status Nederland heeft verlaten, dient zijn aanvraag van 23 maart 1998 te worden aangemerkt als een eerste aanvraag om toelating. Een andere wetsuitleg zou meebrengen dat artikel 59, tweede lid, Vw 2000, niet zou kunnen worden toegepast ten aanzien van vreemdelingen die Nederland metterwoon hebben verlaten en aan wie op enig moment in het verleden een vergunning tot verblijf is verleend. Dat zulks met de "tenzij-clausule" is beoogd heeft de rechtbank niet uit de wetshistorie kunnen afleiden. Hieraan doet niet af, dat ten aanzien van die laatstgenoemde categorie vreemdelingen, inbewaringstelling op de voet van artikel 59, eerste lid, Vw 2000, mogelijk is.

5. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde van de vreemdeling dat de vreemdeling 10 dagen in een politiecel verblijft en dat een wijziging van de tenuitvoerlegging van de bewaring bevolen dient te worden wijst de rechtbank op hetgeen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 27 september 2002 (kenmerk 200204172.1) heeft overwogen. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de zitting van de rechtbank de vreemdeling 10 dagen in een politiecel verblijft en dat derhalve de 10-dagentermijn (nog) niet is overschreden. Niet is gebleken dat eerder elders een plaats beschikbaar was waar de bewaring ten uitvoer kon worden gelegd, zodat er geen grond is om te oordelen dat het verblijf van de vreemdeling in een politiecel onrechtmatig is. Overigens merkt de rechtbank op dat nu de vreemdeling op 17 december 2002 wordt uitgezet sprake is van een omstandigheid die een langer verblijf in een politiecel rechtvaardigt.

6. Nu de vreemdeling op 17 december 2002 wordt uitgezet is er geen grond om de gemachtigde in zijn standpunt te volgen dat er geen zicht op uitzetting zou bestaan.

7. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

8. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen.

9. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

IV. RECHTSMIDDEL

Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd.

Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Voor zover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open.

Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2002, in tegenwoordigheid van W.M. Colpa, griffier.

afschrift verzonden op: