Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF5281

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
AWB 01/16268 OVERIO H, 00/1719
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Irak / taalanalyse / contra-expertise.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder de conclusie dat eiser niet uit Irak afkomstig is, heeft kunnen baseren op de uitgevoerde taalanalyses ten aanzien van eiser en zijn broer. Op zichzelf kan het laten uitvoeren van een taalanalyse als een goede en geoorloofde methode worden beschouwd in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit c.q. het land van herkomst van een vreemdeling. In dit geval echter hebben eiser en zijn broer een drietal contra-expertises ingebracht, waarmee de conclusies van de door verweerder ingeschakelde taalanalisten ter discussie zijn komen te staan. De rechtbank heeft het noodzakelijk geacht om de taalanalyses voor te leggen aan een deskundige en deze deskundige een aantal vragen te stellen. Op de vraag van de rechtbank, of in het Bahdini zoals dit wordt gesproken in Zakho ook Syrische woorden voorkomen, heeft de deskundige geantwoord dat het onderscheid tussen Syrische en Iraakse uitdrukkingen taalkundig niet eenduidig is en dat bovendien de dialectgrenzen van het Koerdisch en Arabisch niet samenvallen met de Syrisch-Iraakse staatsgrens. Niet onaannemelijk is dat er uitdrukkingen uit de Syrische varianten van het Arabisch of het Koerdisch voorkomen in het Koerdisch van Zakho. De deskundige wijst er daarnaast op dat het nogal voor de hand ligt dat eisers taalgebruik Syrische invloeden vertoont, nu eiser naar zijn zeggen jarenlang in Syrië heeft gewoond. Op de tweede vraag van de rechtbank of de conclusie van de door verweerder ingeschakelde taalanalisten wordt gedragen door hetgeen ten aanzien van de Syrische woorden in de analyses is vastgesteld, antwoordt de deskundige ontkennend. Verweerder heeft deze conclusies niet of nauwelijks weerlegd. De rechtbank acht de door de deskundige aangedragen argumenten overtuigend en neemt zijn conclusies over. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder zijn standpunt dat eiser niet uit Irak afkomstig is, niet heeft kunnen baseren op de door hem gebruikte taalanalyses. De bestreden beslissing kan niet in stand blijven omdat deze mede, en zelfs in belangrijke mate, is gebaseerd op de gewraakte taalanalyses. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 8:60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 01/16268 OVERIO H (beroepszaak)

AWB 00/1719 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1974, van gestelde Iraakse nationaliteit, eiser/verzoeker, verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. J. de Jong, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Bervoets, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij de beschikking van 26 oktober 1999 is de aanvraag van eiser om hem toe te laten als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. De beschikking strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Het hiertegen ingediende bezwaar van 29 november 1999 is bij beschikking van 23 maart 2001 ongegrond verklaard. Tegen deze laatste beschikking heeft eiser op 18 april 2001 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 10 februari 2000 heeft eiser verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaarschrift is beslist. Bij brief van 25 april 2001 heeft de rechtbank aan eiser laten weten dat, aangezien reeds op het bezwaarschrift is beslist, het petitum van het verzoek om voorlopige voorziening wordt opgevat als strekkende tot een verbod van uitzetting, zolang nog niet op het ingediende beroepschrift is beslist.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 18 september 2001. Ter zitting is de behandeling van deze zaak geschorst, teneinde de onderhavige zaak gevoegd te behandelen met de zaak van eisers broer. De voortgezette behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden door de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats op 15 november 2001. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

1.5 Bij brief van 20 december 2001 heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend en aan partijen het voornemen bekend gemaakt om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Vervolgens heeft de rechtbank bij brief van 17 januari 2002 aan partijen het voornemen voorgelegd om dhr. dr. M.M. Leezenberg als deskundige te benoemen. Bij deze brief zijn het curriculum vitae van dr. Leezenberg en de conceptvragen aan de deskundige aan partijen voorgelegd, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze ten aanzien van dit voornemen naar voren te brengen.

1.6 Nadat de reacties van partijen waren ontvangen heeft de rechtbank op 28 maart 2002 dr. M.M. Leezenberg als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Bij brief van 5 juli 2002 heeft de rechtbank het voorlopig deskundigenrapport aan partijen toegestuurd en hen in de gelegenheid gesteld hierop een schriftelijke reactie te geven. De ontvangen reacties van partijen zijn door de rechtbank bij brief van 15 augustus 2002 toegezonden aan de deskundige, aan wie is verzocht een schriftelijke reactie te geven op hetgeen door partijen naar voren is gebracht. Nadat de gevraagde reactie van de deskundige was ontvangen heeft de rechtbank, met toestemming van partijen zonder nadere zitting, het onderzoek in deze zaak gesloten en uitspraak bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden en de voordien geldende Vreemdelingenwet (hierna: Vw oud) ingetrokken. Nu het primaire besluit en het bestreden besluit bekend zijn gemaakt voor 1 april 2001, is ingevolge de artikelen 118 en 119 Vw zowel op de behandeling van de aanvraag en het bezwaar alsmede ten aanzien van de mogelijkheid enig rechtsmiddel aan te wenden het voor 1 april 2001 geldende recht van toepassing.

Het bestreden besluit dient in verband met de aan de rechtbank opgedragen ex tunc-toetsing materieel te worden getoetst aan het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit, zij het dat op grond van artikel 83 Vw feiten en omstandigheden in de beoordeling betrokken kunnen worden die na het nemen van het besluit zijn opgekomen.

2.2 Ingevolge artikel 15, eerste lid, Vw (oud) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw (oud) wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan, onder meer indien zij is gegrond op omstandigheden ten tijde van de bestreden beschikking die, hetzij op zichzelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.

2.3 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw (oud) kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het door verweerder bij de toepassing van dit artikellid gevoerde beleid is vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc oud).

2.4 De kern van het asielrelaas van eiser is het volgende. Eiser is een Koerdische moslim, geboren in Zakho in Noord-Irak. Toen eiser vijf jaar oud was is hij met zijn ouders naar Mosul in Centraal-Irak verhuisd. Van 1988 tot november 1998 heeft eiser met zijn ouders illegaal in Syrië verbleven, maar in 1998 heeft eiser twee maanden in Zakho gewerkt als automonteur voor de KDP. In november 1998, terug in Syrië, werd eiser benaderd door een man van de inlichtingendienst, die hem opdracht gaf een bom onder een auto te plaatsen en deze naar Irak te brengen. Eiser weigerde dit, waarna hij zeven dagen gevangen is gehouden en gemarteld. Eiser werd verteld dat hij, als hij de opdracht zou vervullen, geld zou krijgen, alsmede een Syrische nationaliteitsverklaring, een nieuwe auto en een huis. Eiser stemde uiteindelijk toe omdat hij het niet langer volhield in de gevangenis en tekende een formulier waarin stond dat hij akkoord ging. Vervolgens werd hij vrijgelaten. Op 18 november 1998 zou eiser op het kantoor van de veiligheidsdienst moeten verschijnen, maar in plaats daarvan is hij ondergedoken. Op 19 november 1998 kwam eisers vader naar hem toe, die vertelde dat er mensen naar hun huis waren gekomen en naar eiser hadden gevraagd. Op 22 november 1998 kwam eisers vader met een reisagent naar hem toe, die een vals paspoort had geregeld en eiser hielp het land te verlaten.

2.5 In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat hij afkomstig is uit Irak en de Iraakse nationaliteit bezit ongeloofwaardig is. Eiser heeft geen originele documenten overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Ten aanzien van eiser is verder een taalanalyse verricht door het Bureau Taalanalyse. Uit het rapport van de taalanalist van 26 augustus 1999 blijkt dat eiser eenduidig afkomstig is uit Syrië. De taalanalist heeft bij zijn conclusie meegewogen dat eiser niets specifieks over zijn woonplaats in Irak kon vertellen, wat bovendien blijkt uit het rapport van het nader gehoor. De broer van eiser, B, heeft eveneens medewerking verleend aan een taalanalyse, en ook die heeft uitgewezen dat hij eenduidig afkomstig is uit Syrië. Deze broer van eiser heeft verklaard altijd in Irak te hebben gewoond, zodat Syrische taalinvloeden door verblijf in Syrië - zoals, naar hij verklaart, bij eiser het geval zou zijn - moeten worden uitgesloten. Nu de afkomst en nationaliteit van eiser ongeloofwaardig worden geacht, wordt evenmin geloof gehecht aan eisers asielrelaas en is een inhoudelijke beoordeling daarvan achterwege gelaten.

2.6 Eiser heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat de taalanalyse in deze zaak niet als doorslaggevend kan worden beschouwd, aangezien de Syrische taalinvloeden in het taalgebruik van eiser goed verklaarbaar zijn. Hij heeft namelijk van zijn veertiende tot zijn vierentwintigste jaar in Syrië gewoond. Daarbij is eisers familie afkomstig uit een dorp vlakbij de Syrische grens, waardoor eiser al een zeker Syrisch accent had. Eisers broer spreekt een Iraaks dialect uit Mosul.

2.7 De taalanalyse ten aanzien van eiser heeft verweerder laten uitvoeren in het Bahdini door het Bureau taalanalyse van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De conclusie van dit rapport (d.d. 26 augustus 1999) is dat eiser een Syrische vorm van Bahdini spreekt. Die conclusie is gebaseerd op de constatering dat klanken in bepaalde door eiser gesproken woorden typerend zijn voor het Koerdisch uit Qamishlu, in het Bahdini van eiser veel Arabische woorden zitten, een aantal woorden specifiek zijn voor het Syrisch Arabisch en een paar uitdrukkingen specifiek zijn voor Syrische dialecten en niet voor Iraakse.

2.8 Eiser heeft een contra-expertise (d.d. 17 oktober 2001) laten uitvoeren in het Koerdisch door dhr. Imamoglu. Volgens diens rapport is zeventig procent van het Koerdisch van eiser Iraaks uit het Shengal-gebied. Sommige woorden die hij gebruikt bestaan niet in Irak en wel in Syrië, mogelijk zijn die woorden afkomstig uit het Arabisch met een veranderde toon. Meer dan vijfentwintig procent van eisers woorden zijn Arabische woorden die in Syrië worden gebruikt. Een bepaalde uitdrukking is specifiek voor Koerden uit Irak, deze komt niet voor in Syrië. De conclusie van het rapport van dhr. Imamoglu is dat eiser afkomstig is uit Irak, met Syrisch-Arabische invloed en dat eiser waarschijnlijk heeft gewoond in een gebied waar veel Arabische taal wordt gebruikt.

2.9 Ten aanzien van de broer van eiser heeft verweerder - op voorstel van eiser - tweemaal een taalanalyse laten uitvoeren door het Bureau Taalanalyse van de IND. Uit het rapport van de eerste taalanalyse, d.d. 21 februari 2000, gericht op Bahdini en Arabisch, blijkt dat betrokkene een Koerdisch dialect spreekt dat in Syrië kan worden geplaatst. Zijn Arabisch is een vorm van het modern standaard Arabisch. Sommige woorden die hij gebruikt worden niet in het Iraaks Bahdini gebruikt en zijn typerend voor het Syrische Bahdini. Betrokkene spreekt blijkens het rapport Arabisch met een Syrische dialectinvloed, zijn moedertaal is Syrisch Bahdini. De conclusie van het rapport is dat betrokkene eenduidig uit Syrië afkomstig is.

De tweede taalanalyse van het Bureau Taalanalyse, van 20 juli 2000, is uitgevoerd in het Arabisch. In het rapport wordt vastgesteld dat betrokkene in bepaalde woorden Syrische of Koerdische klanken heeft. Meestal gebruikt hij Standaard Arabische woorden, maar ook Syrische woorden. Zijn grammatica is Standaard Arabisch, met kenmerken uit het Syrisch Arabisch. De taalanalist constateert dat Arabisch niet zijn moedertaal is, echter wel opvallend goed voor een Koerd. Waarschijnlijk heeft hij een tijd in Zuid-Irak gewoond. De conclusie van het rapport is dat betrokkene eenduidig uit Syrië afkomstig is.

2.10 Door de broer van eiser zijn twee contra-expertises overgelegd. De eerste contra-expertise, d.d. 31 mei 2000, is uitgevoerd door dhr. Mirani. In deze contra-expertise wordt erop gewezen dat in Mosul een ander dialect wordt gesproken dan in Dohuk en dat dichtbij de grens taalinvloeden van een ander land normaal zijn. Koerden afkomstig uit gebieden nabij de Syrische grens hebben een eigen dialect dat niet hetzelfde is als Koerdisch Bahdini uit bijvoorbeeld Duhok. Zelfs binnen Duhok bestaan verschillende dialecten. Verder wordt vastgesteld dat de uitspraak van betrokkene Koerdisch is en dat bepaalde woorden in de taalanalyse van verweerder, d.d. 21 februari 2000, ten onrechte zijn aangeduid als Syrisch Bahdini, terwijl Iraakse stammen deze woorden hetzelfde uitspreken. De conclusie van de contra-expertise is dat betrokkene een Koerd is uit Noord-Irak (de provincie Mosul).

Uit het rapport van de tweede contra-expertise, d.d. 17 oktober 2001, uitgevoerd door de al genoemde dhr. Imamoglu, blijkt het volgende. De taal die betrokkene spreekt wordt gebruikt in Irak, in het Shengal-gebied in de provincie Mosul. Vele van zijn woorden worden in Syrië gebruikt, maar ook in Irak. Bepaalde letters kan betrokkene niet uitspreken omdat deze niet Koerdisch zijn, waaruit blijkt dat hij niet Arabisch is. Betrokkene spreekt een Iraaks dialect uit Mosul.

2.11 Het onderhavige geschil heeft zich toegespitst op de vraag of verweerder zijn conclusie dat eiser niet uit Irak afkomstig is, heeft kunnen baseren op de uitgevoerde taalanalyses ten aanzien van eiser en zijn broer. Om die vraag te kunnen beantwoorden heeft de rechtbank het noodzakelijk geacht om de taalanalyses voor te leggen aan een deskundige en deze deskundige een aantal vragen te stellen.

2.12 Met het voornemen om dr. M.M. Leezenberg, werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam en deskundig op het gebied van algemene taalwetenschap, in het bijzonder de Koerdische taal en cultuur, als deskundige te benoemen en deze vragen voor te leggen heeft eiser ingestemd.

2.13 Verweerder twijfelde aan de geschiktheid van deze deskundige, maar deze reactie was uitsluitend ingegeven door de veronderstelling dat de rechtbank Leezenberg zou vragen zelf een nieuwe taalanalyse te verrichten. Verder zijn door verweerder geen bezwaren aangedragen over Leezenbergs benoeming. Aangezien de rechtbank (slechts) beoogde om Leezenberg de bestaande taalanalyses voor te leggen en hem een aantal - algemene - vragen te stellen over het Bahdini en waar en op welke wijze dit gesproken wordt, heeft de rechtbank vastgesteld dat de situatie die verweerder tot twijfel heeft gebracht zich hier niet voordoet.

2.14 De rechtbank heeft dan ook (in beide geschillen) met gebruikmaking van de bevoegdheid gegeven in artikel 8:60, eerste lid, Awb, op 28 maart 2002 dr. Leezenberg als deskundige benoemd waarbij de volgende opdracht is gegeven.

"De rechtbank verzoekt de deskundige om de overgelegde stukken te bestuderen en aan de hand daarvan de volgende vragen te beantwoorden.

1. Welke waarde moet worden gehecht aan de stelling van eisers dat in het Bahdini zoals dit wordt gesproken in Zakho Syrische woorden voorkomen?

2. Bent u van mening dat de conclusie van de door verweerder ingeschakelde taalanalisten omtrent de afkomst van eisers kan worden gedragen door hetgeen ten aanzien van deze Syrische woorden in de taalanalyse is vastgesteld?

3. Heeft u voorts nog opmerkingen naar aanleiding van de aan u overgelegde stukken?"

2.15 Op 1 juli 2002 heeft dr. Leezenberg zijn rapportage inzake het deskundigenonderzoek aan de rechtbank toegezonden. In dit rapport is onder meer het volgende opgenomen.

"Dat er "Syrische woorden" (of beter gezegd, uitdrukkingen uit de Syrische varianten van het Arabisch of het Koerdisch) in het Koerdisch van Zakho (gelegen vlak bij het drielandenpunt Irak, Syrie, en Turkije) voorkomen, is een a priori zeker niet onaannemelijke, maar taalkundig weinig precieze uitspraak. Het onderscheid tussen "Syrische" en "Iraakse" uitdrukkingen is taalkundig allerminst eenduidig. Het is zonneklaar dat de dialectgrenzen van het Koerdisch en Arabisch niet samenvallen met de Syrisch-Iraakse staatsgrens; bovendien wordt de spreiding van de verschillende dialecten verder gecompliceerd door decennia van (al dan niet vrijwillige) migratie, sporen van de traditionele nomadische stammenstructuur, en niet in de laatste plaats door regeringsbeleid in zowel Syrië, Irak, als Turkije, dat tot onder meer deportatie of grootschalige gedwongen vlucht naar buurlanden heeft geleid. Op diverse plaatsen in zowel Syrië als Irak valt voorts een complexe interactie tussen diverse varianten van het Koerdisch en Arabisch, en soms nog andere talen, waar te nemen.

......

De op 26 augustus 1999 opgestelde IND-taalanalyse zegt zich op A's Koerdisch te richten, maar gaat in werkelijkheid voornamelijk over de Arabische leenwoorden in zijn taalgebruik (9 van de 12 gegeven voorbeelden). Het rapport stelt dat A's taalgebruik veel Arabische leenwoorden bevat, en stelt dat hij uit een gebied "onder sterke Arabische invloed" afkomstig moet zijn; maar er zijn diverse van zulke gebieden. Een vergelijkbare taalcontactsituatie, waar het Arabisch de dominante taal is, heerst (of heerste) in grote delen van noord-Irak, zoals ook Mosul; en ook Sinjar is jarenlang blootgesteld aan een sterke arabiseringspolitiek. Typisch Syrisch is volgens het rapport A's gebruik van /u/ in plaats van /i/; maar hij doet dit alleen in Arabische leenuitdrukkingen en niet aantoonbaar in het Koerdisch. Feitelijk doet het rapport daarom bar weinig controleerbare uitspraken over A's Koerdische dialect. ......

......

De IND-taalanalyse van 31-01-2000 vermengt, nogal slordig, observaties ten aanzien van B's Koerdisch en Arabisch. De bewering dat hij "Syrisch Koerdisch" spreekt wordt gestaafd door welgeteld slechts zes Koerdische lexicale voorbeelden, en niet door fonetische of morfologische argumenten. Of deze lexicale voorbeelden op zichzelf doorslaggevend zijn valt overigens te betwijfelen: de contra-expertises betwisten enkele van deze punten, en verschillende Koerdische dialectanalyses en woordenboeken (o.a. Chyet (n.d.)) geven in dit opzicht niet altijd eenduidige informatie. ......

......

Het lijkt me, gegeven de gepresenteerde gegevens, waarschijnlijk dat de C's [A en B, red.] inderdaad uit een gebied in Irak, grenzend aan Syrië, afkomstig zijn. Maar ondubbelzinnige of onweerlegbare aanwijzingen dat ze inderdaad uit Sinjar, of überhaupt uit enig specifiek gebied aan welke zijde van de grens dan ook, afkomstig zijn zie ik in geen enkele van de gepresenteerde analyses."

2.16 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.17 Voorop staat dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij afkomstig is uit Irak en dat hij een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst.

2.18 Verweerder meent dat eiser hierin niet is geslaagd. Zoals blijkt uit de bestreden beschikking berust verweerders oordeel dat het relaas niet geloofwaardig is mede op de hiervoor beschreven, in opdracht van verweerder uitgevoerde taalanalyse ten aanzien van eiser en de op voorstel van eiser uitgevoerde taalanalyses ten aanzien van zijn broer. Weliswaar heeft verweerder eiser daarnaast steeds tegengeworpen dat verifieerbare informatie over de reisroute ontbreekt en eiser zeer weinig weet over de plaats waar hij vandaan komt, maar verweerder heeft desondanks aanleiding gezien ook het resultaat van de taalanalyses ten grondslag te leggen aan de bestreden beslissing. Verweerders oordeel kan dan ook niet los worden gezien van die taalanalyses, een standpunt dat verweerder overigens ook niet met zoveel woorden heeft ingenomen.

2.19 Het resultaat van de taalanalyses is door eiser aangevochten. Op zichzelf kan, op grond van vaste jurisprudentie, het laten uitvoeren van een taalanalyse als een goede en geoorloofde methode worden beschouwd in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit c.q. het land van herkomst van een vreemdeling. In dit geval echter hebben eiser en zijn broer een drietal contra-expertises geproduceerd waarvan de conclusies tegengesteld zijn aan die van de door verweerder ingeschakelde deskundigen. De conclusies van de door eiser en zijn broer ingeschakelde deskundigen zijn behoorlijk onderbouwd en verweerder heeft geen wezenlijke bezwaren ingebracht tegen de deskundigheid van de opstellers van deze contra-expertises. De conclusies van de door verweerder ingeschakelde taalanalisten zijn hiermee ter discussie komen te staan.

2.20 Dat eiser een Koerdisch dialect spreekt dat in Syrië geplaatst kan worden blijkt volgens de door verweerder gebruikte, ten aanzien van eiser zelf gemaakte analyse uit het feit dat hij:

-de Arabische woorden die hij gebruikt op zijn Syrisch uitspreekt,

-Syrisch Arabische woorden en constructies gebruikt,

-woorden gebruikt die typerend zijn voor Syrisch Bahdini en niet het Iraaks Bahdini.

2.21 Volgens eiser komen in het Bahdini zoals dit wordt gesproken in Zakho ook Syrische woorden voor. Op de eerste vraag van de rechtbank, of deze stelling juist is, heeft Leezenberg geantwoord dat het onderscheid tussen Syrische en Iraakse uitdrukkingen taalkundig niet eenduidig is en dat bovendien de dialectgrenzen van het Koerdisch en Arabisch niet samenvallen met de Syrisch Iraakse staatsgrens. Aangezien Zakho tot het grensgebied behoort, is het volgens Leezenberg inderdaad niet onaannemelijk dat er uitdrukkingen uit de Syrische varianten van het Arabisch of het Koerdisch voorkomen in het Koerdisch van Zakho. Leezenberg wijst er daarnaast op dat het nogal voor de hand ligt dat eisers taalgebruik Syrische invloeden vertoont, nu eiser naar zijn zeggen jarenlang in Syrië heeft gewoond.

2.22 Op de tweede vraag van de rechtbank of de conclusie van de door verweerder ingeschakelde taalanalisten wordt gedragen door hetgeen ten aanzien van de Syrische woorden in de analyses is vastgesteld, antwoordt Leezenberg ontkennend.

Samengevat zegt Leezenberg hierover dat een goede taalanalyse zich niet tot woorden beperkt, maar ook een systematisch onderzoek doet naar morfologie en fonetiek. In de onderhavige analyses ontbreekt dit. Verder had de analist die eisers taal bestudeerde, gelet op de complexiteit van de met elkaar in contact staande dialecten van de grensregio en het feit dat eiser zegt lange tijd in Syrië te hebben gewoond, (ook) moeten onderzoeken of eisers taalgebruik Iraaks-Arabische en Iraaks-Koerdische elementen bevat. Dit is evenmin gebeurd. Anders gezegd kan volgens Leezenberg uit het enkele feit dat eiser woorden, klanken of uitdrukkingen gebruikt die in Syrië voorkomen, in de gegeven situatie niet worden afgeleid dat hij niet afkomstig is uit Irak.

Over de eerste analyse ten aanzien van de broer van eiser, die niet in Syrië heeft gewoond, oordeelt Leezenberg dat deze methodologisch onzorgvuldig is: een "typisch Syrische constructie" - aldus de analyse - is volgens Leezenberg niet typisch Syrisch en evenmin is de geconstateerde verbastering van Arabisch, anders dan in het rapport wordt gesteld, typerend voor Syrische Koerden. De bevindingen van de tweede analyse, namelijk dat de broer van eiser modern standaard Arabisch spreekt met Syrisch Arabische invloeden én kenmerken van het Arabisch zoals dat wordt gesproken in Zuid Irak, rechtvaardigen volgens Leezenberg helemaal niet de conclusie van het rapport dat hij "eenduidig behoort tot de taalgemeenschap van Syrië".

2.23 De hiervoor weergegeven conclusies van Leezenberg zijn door verweerder niet of nauwelijks weerlegd. Verweerder bestrijdt niet dat nu het om een grensgebied gaat bij de analyse grote voorzichtigheid betracht moet worden, noch dat aan methodologie van de analyses de door Leezenberg gesignaleerde, hiervoor opgesomde gebreken kleven.

Verweerder voert aan dat het juist de Arabische leenwoorden zijn die goede indicaties opleveren met betrekking tot de geografische inbedding van het Koerdisch dat iemand spreekt, maar hiermee wordt het gemotiveerde betoog van Leezenberg waarom dit hier niet geval is, niet overtuigend weersproken. Verweerder wijst er verder op dat Leezenberg geen enkele vorm presenteert van de spraak van eisers die ondubbelzinnig op herkomst uit Irak wijst, maar verweerder miskent daarmee dat Leezenberg niet is ingeschakeld om zelf een taalanalyse te verrichten, maar slechts om de bestaande analyses te beoordelen.

2.24 De rechtbank acht, gelet op al het voorgaande, de door Leezenberg aangedragen argumenten overtuigend en neemt zijn conclusies over. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder zijn standpunt dat eiser niet uit Irak afkomstig is, niet heeft kunnen baseren op de door hem gebruikte taalanalyses.

2.25 Verweerder beoogt in beroep de betekenis van de gebruikte analyses te relativeren door te benadrukken dat het gaat om de vraag: is de vreemdeling in staat om zijn bewering aangaande zijn herkomst te onderbouwen tijdens een speciaal hiervoor georganiseerd gesprek waarvan hem het doel duidelijk is uitgelegd? Verweerder wijst er in dit verband op dat in het deskundigenrapport niet wordt ingegaan op het feit dat eiser ook tijdens het gesprek voor de taalanalyse niet in staat was om gedetailleerde en juiste informatie te verschaffen over het beweerde gebied van herkomst. Verweerder ziet er echter aan voorbij dat de deskundige niet is gevraagd om zich over dit punt uit te laten en hij hierover als deskundige ook geen oordeel kan geven. Wat er verder ook zij van eisers kennis van de gestelde plaats van herkomst, de bestreden beslissing kan, zoals hiervoor is overwogen, niet in stand blijven omdat deze mede, en zelfs in belangrijke mate, is gebaseerd op de gewraakte taalanalyses. De conclusie moet dan ook zijn dat het besluit niet berust op een deugdelijke motivering.

2.26 Het beroep is mitsdien gegrond. Verweerder heeft artikel 7:12 Awb, waarin het vereiste van een deugdelijke motivering is neergelegd, geschonden.

2.27 Het bestreden besluit kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen een daartoe te stellen termijn.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

2.28 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

2.29 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit voor het beroep vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na het verslag deskundigenonderzoek, wegingsfactor 1). Voor de procedure ter verkrijging van een voorlopige voorziening zijn de kosten vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1; nu het verzoekschrift tezamen met het beroep is behandeld, bestaat geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van dat verzoek ter zitting). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van deze bedragen te geschieden aan de griffier.

2.30 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad tweemaal € 22,69 dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiser te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 22,69

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322.-onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

3.8 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 22,69

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzitter en voorzieningenrechter en mrs. E. de Greeve en G.F.H. Lycklama à Nijeholt, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens, en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2002, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vos als griffier.

Afschrift verzonden op: 24 december 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.