Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF4551

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/86499, 02/86501
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Sierra Leone / tegenstrijdigheden eerste en nader gehoor.

Het oordeel van verweerder dat niet geloofwaardig is dat verzoeker door rebellen in Sierra Leone is opgepakt, steunt onder meer op het feit dat verzoeker hiervan in het eerste gehoor geen melding heeft gemaakt. Onder verwijzing naar de uitspraak 200204720/1 van de ABRS van 8 oktober is de voorzieningenrechter evenwel van oordeel dat dit verzoeker niet kan worden tegengeworpen. Het eerste gehoor richt zich immers niet op de asielmotieven van de vreemdeling. De tijdens dat gehoor gestelde vraag naar arrestaties of detenties moet dan ook veeleer worden gelezen in verband met de daaraan vooraf gestelde vraag naar criminele antecedenten en moet los worden gezien van het asielrelaas. In het aanvullend nader gehoor heeft verzoeker verklaard dat hij tijdens het eerste gehoor niet heeft verteld dat hij in Sierra Leone was opgepakt, omdat de gehoormedewerker zei dat hem daar niet naar werd gevraagd. De voorzieningenrechter overweegt dat blijkens het verslag van de gehoren, met name het aanvullend nader gehoor, niet uitgesloten kan worden dat de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden een gevolg zijn van een misverstand tussen de gehoormedewerker en verzoeker. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder verzoeker in de gelegenheid had moeten stellen zich nogmaals uit te laten over gebeurtenissen tijdens zijn gestelde verblijf bij de rebellen. Hiertoe wordt mede in aanmerking genomen dat dit het centrale onderdeel van het asielrelaas betreft, dat verzoeker tijdens de gehoren zowel over de aanval op Koidu als zijn verblijf daarna bij de rebellen en in de bush de nodige details heeft verstrekt en dat het relaas past binnen de Sierra Leoonse context in die periode. Voorts is van belang dat de overige door verweerder in het bestreden besluit gestelde omstandigheden op zichzelf noch in onderlinge samenhang voldoende zijn om reeds daarom te concluderen dat aan het asielrelaas geen geloof kan worden gehecht. Dat verzoeker, behoudens één naam, geen namen van rebellen kan noemen, bevreemdt, maar is op zichzelf niet voldoende voor die conclusie. Hetzelfde geldt ten aanzien van het argument dat verzoeker onvoldoende documenten heeft overgelegd en vage verklaringen over de reis naar Nederland heeft afgelegd, te meer nu verzoekers nationaliteit door verweerder niet in twijfel wordt getrokken. Het besluit is niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand gekomen. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 02/86499 en 02/86501 VRWET

Inzake : A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. J.G.M. van Horne, advocaat te Bergen op Zoom,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder, gemachtigde mr. A.E.W. Buskens, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoeker heeft gesteld dat hij is geboren op [...] 1975 en dat hij de Sierraleoonse nationaliteit bezit. Op 13 november 2002 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 16 november 2002, met toepassing van artikel 3.117 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), in een aanmeldcentrum afwijzend op de aanvraag beslist.

2. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht, ter griffie ontvangen op 16 november 2002, beroep ingesteld. Tevens is een verzoekschrift ingediend om een voorlopige voorziening te treffen.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 december 2002. Verzoeker is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In deze belangenafweging speelt een centrale rol het oordeel van de voorzieningenrechter over de vraag of het bestreden besluit in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Aangezien beroep bij de rechtbank is ingesteld kan de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:86 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Verzoeker heeft bij zijn aanvraag -samengevat- het volgende aangevoerd.

Eind 1995 werd B, waar verzoeker woonde, aangevallen door de rebellen. Nadat verzoeker, zijn ouders, zijn twee zusjes en zijn broertje zich twee weken in hun woning verscholen hadden gehouden, is zijn vader alleen naar Guinee gevlucht. De volgende nacht is verzoeker met zijn moeder, zusjes en broertje het bos in gevlucht. Daar zijn zij opgepakt door een groep rebellen. Verzoekers broertje is door de rebellen in het moeras gegooid en verdronken. Verzoeker moest zijn moeder en zus bij een groep rebellen achterlaten in het bos en heeft hen nooit meer gezien. Hij moest spullen dragen en eten zoeken voor de rebellen. Toen op een moment bommenwerpers kwamen overvliegen kon verzoeker aan de rebellen ontkomen. Na enkele dagen werd hij echter opgepakt door een andere rebellengroep. In 1996 wist verzoeker aan deze rebellen te ontkomen en naar Guinée te vluchten, waar hij zich tot 1999 staande wist te houden, mede met behulp van de UNHCR. In 1999 vielen rebellen uit Sierra Leone en Liberia het gebied aan waar verzoeker verbleef, waarna hij naar Conakry, Guinée, vertrok. Hij werd hier na ongeveer een maand opgepakt door een jongerengroep, die hem overdroeg aan de Guinese militairen. Omdat hij ervan werd verdacht een rebel uit Sierra Leone te zijn, werd hij opgesloten in de Sûreté-gevangenis in Conakry, waar hij verbleef tot 2002. Met behulp van een bewaakster is verzoeker vrijgekomen en heeft hij Guinée kunnen verlaten.

Het verzoekschrift strekt ertoe de uitzetting achterwege te laten. Daartoe is -samengevat- het volgende aangevoerd. Verweerder heeft het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig geacht omdat verzoeker summiere, tegenstrijdige en bevreemdingwekkende verklaringen zou hebben afgelegd. Eiser heeft echter een consistent relaas naar voren gebracht, waarbij hij telkens dezelfde feiten en gebeurtenissen vermeldt. Hetgeen hem is overkomen past geheel in hetgeen bekend is over de situatie in Sierra Leone. Gelet op hetgeen hij heeft meegemaakt is niet uit te sluiten dat verzoeker getraumatiseerd is. In dit verband verwijst verzoeker naar TBV 2002/45 van 8 november 2002, op grond waarvan in het kader van het traumatabeleid geen vestigingsalternatief wordt tegengeworpen. Gelet op het vorenstaande leende de aanvraag zich niet voor afhandeling in een aanmeldcentrum. Tenslotte is verzoeker van mening dat verweerder ten onrechte het categoriale beschermingsbeleid voor Sierra Leone heeft afgeschaft, nu blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 8 juli 2002, alsmede volgens Amnesty International en de UNHCR, de situatie in Sierra Leone nog steeds uiterst onveilig is en de mensenrechten nog steeds op grote schaal worden geschonden.

3. Verweerder heeft met verwijzing naar artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid onder f, Vw 2000 de aanvraag afgewezen. Daartoe is - samengevat - het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft van de reis per boot van Guinée naar Nederland geen enkel formeel of indicatief bewijs overgelegd en heeft hierover evenmin gedetailleerde en verifieerbare verklaringen afgelegd. Voorts had van hem mogen worden verwacht dat hij het pasje van de UNHCR, dat hij in Guinée in zijn bezit had, had meegenomen. Dat verzoeker in 1995/1996 door rebellen in Sierra Leone is vastgehouden is niet geloofwaardig. In de eerste plaats heeft verzoeker, hoewel hij stelt tweemaal te zijn vastgehouden door rebellen, in het eerste gehoor verklaard dat hij, buiten zijn detentie in Guinée, nimmer is gearresteerd of gedetineerd. Voorts wekt bevreemding dat verzoeker, nu hij gedurende een onbekend aantal maanden bij de rebellen zou hebben verbleven, buiten de naam van zijn kapitein geen enkele naam van een rebel weet te noemen en dat hij niet kan aangeven in de nabijheid van welke dorpen hij zich ten tijde van het verblijf bij de rebellen bevond. Tenslotte heeft verzoeker tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het meenemen door de rebellen van zijn moeder en zus en het in het water gooien van zijn broertje.

Nu aldus het asielrelaas niet geloofwaardig moet worden geacht, kan evenmin waarde worden gehecht aan de verklaringen van verzoeker over de dood van zijn broertje. Een eventueel beroep op het traumatabeleid kan reeds hierom niet slagen.

4. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, onder f Vw2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Het oordeel van verweerder dat niet geloofwaardig is dat verzoeker door rebellen in Sierra Leone is opgepakt, steunt onder meer op de omstandigheid dat verzoeker hiervan in het eerste gehoor geen melding heeft gemaakt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 oktober 2002 (JV 2002, 414) is de voorzieningenrechter evenwel van oordeel dat dit verzoeker niet kan worden tegengeworpen. Het eerste gehoor richt zich immers niet op de asielmotieven van de vreemdeling en de tijdens dat gehoor gestelde vraag naar arrestaties/detenties moet dan ook veeleer worden gelezen in verband met de daaraan vooraf gestelde vraag naar criminele antecedenten en moet los worden gezien van het asielrelaas. Bovendien heeft verzoeker in het aanvullend nader gehoor verklaard dat hij tijdens het eerste gehoor niet heeft verteld dat hij in Sierra Leone was opgepakt, omdat de gehoormedewerker hem zei dat hem daar niet naar werd gevraagd.

Verzoeker heeft in de zienswijze verklaard dat hij wel namen van gevangenen heeft genoemd, dat de rebellen hun namen niet bekend wilden maken en dat hij geen namen van dorpen weet te noemen, omdat hij niet eerder in het gebied had verbleven en zij bovendien het grootste deel van de tijd in de bush verbleven. In het aanvullend nader gehoor heeft hij verklaard dat hij de namen van andere rebellen dan Kapitein Junior niet weet, omdat ze allemaal vreemde namen hadden.

Zowel in het nader gehoor als het aanvullend nader gehoor heeft verzoeker verklaard dat zijn broertje door de rebellen in het water is gegooid en dat zijn moeder en zus door een groep rebellen zijn meegenomen. De door verweerder in deze verklaringen geconstateerde tegenstrijdigheden betreffen de volgorde waarin een en ander heeft plaatsgevonden en de vraag of één dan wel beide van zijn zussen zijn meegenomen. De voorzieningenrechter overweegt dat blijkens het verslag van de gehoren, met name het aanvullend nader gehoor, niet uitgesloten kan worden dat de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden een gevolg zijn van een misverstand tussen de gehoormedewerker en verzoeker. In dit verband is van belang dat de zussen van verzoeker in deze onderdelen van de gehoren niet bij hun naam zijn aangeduid, dat er over de tijdspanne en volgorde van de gebeurtenissen niet is doorgevraagd en dat er tijdens het aanvullend nader gehoor kennelijk tussen beide gesprekspartners onbegrip heeft bestaan, gelet op de vraag of verzoeker de vragen tot nu toe begrepen heeft en zijn antwoord daarop ('Ik heb u wel begrepen, maar ik weet niet of u mijn antwoorden heeft begrepen').

De voorzieningenrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder verzoeker in de gelegenheid had moeten stellen zich nogmaals uit te laten over gebeurtenissen tijdens zijn gestelde verblijf bij de rebellen in 1995/1996. Hiertoe wordt mede in aanmerking genomen dat dit het centrale onderdeel van het asielrelaas betreft, dat verzoeker tijdens de gehoren zowel over de aanval op B als zijn verblijf daarna bij de rebellen en in de bush de nodige details heeft verstrekt en dat het relaas past binnen de Sierraleoonse context in die periode.

Voorts is van belang dat de overige door verweerder in het bestreden besluit gestelde omstandigheden op zichzelf noch in onderlinge samenhang voldoende zijn om reeds daarom te concluderen dat aan het asielrelaas geen geloof kan worden gehecht. Dat verzoeker, behoudens één naam, geen namen van rebellen kan noemen, bevreemdt weliswaar, maar is op zichzelf niet voldoende voor die conclusie. Ditzelfde geldt ten aanzien van het argument dat verzoeker onvoldoende documenten heeft overgelegd en vage verklaringen over de reis naar Nederland heeft afgelegd, te meer nu verzoekers nationaliteit door verweerder niet in twijfel wordt getrokken.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand gekomen en dient dit wegens strijd met artikel 3:2 Awb vernietigd te worden.

De overige grieven van verzoeker behoeven om die reden geen bespreking.

6. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 Awb gegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb.

7. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu het verzoek- en beroepschrift in één geschrift zijn ingediend, wordt hiervoor 1 punt toegekend. Gelet hierop zijn de kosten op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoek- en beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb, de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. E. Dijt en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2002, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Post, griffier.

afschrift verzonden op: 11 december 2002

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag.