Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF4546

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
AWB 01/36799
Rechtsgebieden
Strafrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / intensiteit rechterlijke toetsing.

Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Voorzover het asielrelaas wel geloofwaardig is, is het onvoldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op vluchtelingenschap, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser, afkomstig uit Kameroen, ongeloofwaardig is. Verweerder heeft de onderbouwing van zijn standpunt mede gebaseerd op vermeende tegenstrijdigheden dan wel conclusies getrokken die niet worden gedragen door daaraan ten grondslag liggende feiten. De vraag of verweerder op grond van andere feiten zou kunnen besluiten om het relaas ongeloofwaardig te achten wordt buiten beschouwing gelaten omdat de beoordeling van die feiten aan verweerder is voorbehouden. Indien van de geloofwaardigheid van het relaas wordt uitgegaan heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat het relaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/36799 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Kameroense nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. W. Koetsier - van der Kamp, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.Th. Moerkoert, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 23 januari 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 13 april 2001 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 11 mei 2001 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 12 juli 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 6 augustus 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 4 september 2001. Op 6 maart 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 24 mei 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig V.M. Corcelle, tolk in de Franse taal.

II. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

1. Eiser legt aan het beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser behoort tot de Bamileke-stam en is afkomstig uit Yaoundé. Eiser was lid van de Social Democratic Front (SDF), een toegestane partij in Kameroen. In 1996 vonden er stakingen plaats op de universiteit van Yaoundé, waar eiser studeerde. Naar aanleiding van de stakingen richtte eiser met een aantal anderen een studentenorganisatie Mouvement Nationale des Etudiants de Cameroon (MNEC) op, die werd gesteund door de SDF. Zij gingen naar het Ministerie van Onderwijs om de partij te laten legaliseren en kregen de toezegging van de Minister dat dit zou plaatsvinden op 1 oktober 1996. Op 31 september 1996 (de rechtbank leest 30 september 1996) werden drie leiders van de MNEC aangehouden. Toen eiser en anderen naar het politiebureau gingen om te vragen naar de reden van de aanhouding, werden ook zij aangehouden en twee weken gedetineerd. Eiser moest voor de rechter verschijnen, maar toen bleek dat zijn dossier zoek was mocht hij naar huis. Als het dossier weer was gevonden zou hij weer worden opgeroepen, maar dit gebeurde niet.

In mei 1997 vonden er algemene verkiezingen plaats in Kameroen. Eiser was met anderen bezig om de verkiezingen voor te bereiden op de universiteit. Eiser hielp de SDF om mensen van de partij te informeren die toezicht moesten houden op de verkiezingen. Eiser was zelf toezichthouder bij de algemene verkiezingen. In de tussentijd kwamen er politieoproepen voor eiser. Hij werd aangehouden in oktober 1997 en een maand gedetineerd. Hij werd ervan beschuldigd studenten tot oproer aan te zetten. Na zijn vrijlating kreeg hij een meldplicht opgelegd. Hij moest zich drie keer per week melden.

In oktober 1998 kreeg eiser van een lyceum een uitnodiging om les te gaan geven in Buea, de hoofdstad van de provincie Zuidwesten. Hij werd op 6 november 1998 door de politie naar Buea gebracht. Eiser werd bij aankomst gedetineerd in een onbekend huis. In juli 1999 kon eiser ontsnappen met hulp van een bewaker, die contact had gehad met zijn broer C. Eiser dook bij C onder in Douala. Gedurende zijn onderduikperiode is eiser eenmaal naar het huis van zijn schoonouders gegaan om in het bijzijn van een vertegenwoordiger van de burgemeester in het huwelijk te treden. In november 1999 verliet eiser Kameroen. Hij reisde naar Johannesburg en verbleef daar bij een lid van de SDF, D. Op een avond vertelde D dat hij was mishandeld en dat men hem naar eiser had gevraagd. D adviseerde eiser om Zuid-Afrika te verlaten. D stierf op 19 januari 2000. Voor zijn dood stuurde D hem naar een andere man die eiser hielp om uit Zuid-Afrika te vertrekken. Eiser verliet Zuid-Afrika op 21 januari 2000 en reisde per vliegtuig naar Nederland.

2. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij te vrezen heeft voor vervolging bij gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst. Eiser is van mening dat nu hij heeft aangetoond dat hij in 1997 gedetineerd is geweest, ook zijn derde arrestatie aannemelijk moet worden geacht. Na zijn ontsnapping heeft eiser vier maanden ondergedoken gezeten. Hij zag echter geen kans om zijn land eerder te verlaten. De omstandigheid dat bij de huwelijksvoltrekking een vertegenwoordiger van de burgemeester aanwezig was, vormde geen risico voor eiser, want deze persoon was betrouwbaar voor eiser en volledig op de hoogte van de situatie waarin eiser verkeerde.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder acht het relaas van eiser niet geloofwaardig en bovendien onvoldoende zwaarwegend voor vluchtelingschap.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

4. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel worden bij het onderzoek naar de aanvraag de daar genoemde omstandigheden betrokken.

5. Verweerder heeft in het voornemen alsook in het bestreden besluit zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser omtrent zijn derde detentie niet geloofwaardig wordt geacht en dat het voorts niet aannemelijk is dat eiser in het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In het verweerschrift heeft verweerder het vorenstaande nader onderbouwd en toegelicht, door zich primair gemotiveerd op het standpunt te stellen dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is, en subsidiair, voor zover het relaas geloofwaardig is, het onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. De rechtbank zal hierna derhalve eerst toetsen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het relaas van eiser ongeloofwaardig te achten.

6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen, het bestreden besluit, het verweerschrift noch ter zitting heeft gesteld dat het relaas van eiser omtrent de detenties in 1996 en 1997 niet geloofwaardig is. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder in de kennisgeving van het voornemen van 13 april 2001 heeft overwogen dat de derde detentie van eiser niet geloofwaardig wordt geacht, omdat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn relatie tot C, de man die eiser bij zijn ontsnapping heeft geholpen. In het bestreden besluit heeft verweerder deze tegenstrijdigheid niet meer aan eiser tegengeworpen en zich op het standpunt gesteld dat eiser wordt gevolgd in zijn verklaring omtrent zijn relatie tot C.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Verweerder heeft de onderbouwing van zijn standpunt mede gebaseerd op vermeende tegenstrijdigheden (zie overwegingen 8 en 9) dan wel conclusies getrokken welke niet worden gedragen door daaraan ten grondslag liggende feiten (zie overwegingen 10 en 11).

8. Verweerder stelt in het verweerschrift onder 3.6 dat de verklaring van eiser neergelegd in het verslag van het nader gehoor op pagina zes, waar eiser heeft verklaard dat hij niet van de universiteit is verbannen, niet strookt met zijn verklaring op pagina vier van het aanvullend gehoor, waar eiser heeft verklaard dat hem vanaf 1998 werd gezegd dat hij zich niet meer kon inschrijven voor de tweede cyclus. Deze verklaringen zijn evenwel niet tegenstrijdig nu uit het nader gehoor blijkt - hetgeen ook door eiser ter zitting is bevestigd - dat het gestelde omtrent de verbanning van de universiteit ziet op een eerdere periode, namelijk 1996 en wel van een groep studenten waartoe eiser niet behoorde.

9. Verweerder heeft in het verweerschrift onder 3.6 gesteld dat eisers verklaring tijdens het nader gehoor dat hij op uitnodiging naar het Zuidwesten is gegaan, maar toen hij daar aankwam niet wist waar hij les moest geven en weer zou terugkeren (pagina drie van het nader gehoor) niet strookt met zijn verklaring dat hij een formele uitnodiging kreeg om les te gaan geven in Buea en dat hij er door de politie naartoe werd gebracht (pagina negen van het nader gehoor). Deze verklaringen zijn niet inconsistent. Eiser heeft op pagina tien van het nader gehoor verklaard dat hij dacht dat hij eerst zou gaan kijken naar het onderwijscentrum en daarna zou terugkeren. Hij was daar met een politieagent en door deze politieagent werd hij naar een huis, een soort ommuurde plaats, gebracht waar hij tot juli 1999 heeft verbleven.

10. Voorts heeft verweerder in 3.6 van het verweerschrift aangegeven dat eiser op pagina acht van het nader gehoor heeft verklaard dat hij na zijn detentie van oktober 1997 onvoorwaardelijk is vrijgelaten. Eiser heeft evenwel op pagina acht op de vraag: „Werden er voorwaarden gesteld aan uw vrijlating toen u na een maand werd vrijgelaten“ geantwoord: „We laten jullie gaan maar we willen samenwerken met jullie“. Daaruit kan niet worden afgeleid dat eiser heeft verklaard dat hij onvoorwaardelijk zou zijn vrijgelaten. De conclusie die verweerder hieruit trekt, namelijk dat het feit dat eiser onvoorwaardelijk zou zijn vrijgelaten niet strookt met zijn verklaring dat de politie van het ontvangen van de uitnodiging om les te gaan geven in Buea op de hoogte was, omdat hij zich drie keer per week moest melden, wordt derhalve niet door feiten gestaafd.

11. Verweerder heeft in 3.8 van het verweerschrift gesteld dat eiser niet heeft verklaard hoe het kan dat hij zijn rijbewijs nog in oktober 1999 bij de autoriteiten in Yaoundé heeft ingeleverd, derhalve tijdens zijn gestelde onderduikperiode in Douale. Verweerder heeft daartoe verwezen naar pagina vier van het eerste gehoor. Op pagina vier van eerste gehoor heeft eiser evenwel verklaard dat zijn rijbewijs bij het Ministerie van Transport in Yaoundé ligt. Hij moest zijn rijbewijs inleveren in oktober 1999 om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, maar hij had geen mogelijkheid om zijn nieuwe rijbewijs op te halen omdat hij zich niet kon vertonen in Yaoundé daar hij bang was te worden opgepakt. Desgevraagd heeft eiser ter zitting verklaard dat hij tijdens het onderduiken in Douala nimmer naar Yaoundé is gegaan, dat tijdens het gehoor is gevraagd of hij een rijbewijs bij zich had en hij toen heeft geantwoord dat hij dit in oktober 1999 had moeten halen maar dat niet kon. De rechtbank leest de verklaring tijdens het eerste gehoor aldus dat eiser zijn rijbewijs moest inleveren om in oktober 1999 een nieuw rijbewijs te verkrijgen, derhalve dat het rijbewijs reeds eerder dat oktober 1999 bij het Ministerie van Transport in Yaoundé is afgegeven.

12. Gesteld noch gebleken is dat verweerder bij zijn oordeel omtrent de geloofwaardigheid van het relaas de door eiser naar voren gebrachte feiten niet in samenhang heeft beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich mede heeft gebaseerd op vermeende tegenstrijdigheden dan wel conclusies heeft getrokken welke niet gedragen worden door daaraan ten grondslag liggende feiten. Aldus komt vervolgens de vraag op of de beslissing van verweerder omtrent de geloofwaardigheid door de andere, resterende, feiten kan worden gedragen. De rechtbank onthoudt zich van een oordeel over de vraag of verweerder op grond van deze andere feiten zou kunnen besluiten om het relaas ongeloofwaardig te achten. Immers, de basis waarop verweerder zijn beslissing zou kunnen baseren is smaller en de vraag is of verweerder ook op die (smallere) basis tot een zelfde beslissing zou komen. Indien de rechtbank oordeelt of verweerder op grond van de andere, resterende, feiten had kunnen besluiten het relaas niet geloofwaardig te achten, dan geeft de rechtbank een eigen oordeel over de door eiser naar voren gebrachte feiten. De beoordeling van die feiten is echter aan verweerder voorbehouden (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 9 juli 2002, JV 2002, 275). Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het gestelde in artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder zal met inachtneming van het voorgaande opnieuw op het bezwaar moeten beslissen.

13. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van verweerder overweegt de rechtbank het volgende. Indien van de geloofwaardigheid van het relaas wordt uitgegaan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het relaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. Immers uitgaande van het relaas is eiser drie maal gedetineerd geweest, te weten in 1996, in 1997 en in 1999. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze detenties verband hielden met zijn activiteiten voor de MNEC. Deze detenties kenmerkten zich door een toename van duur van de detentie, waaruit geconcludeerd kan worden dat aan de persoon van eiser een steeds belangrijkere rol werd toebedeeld door de autoriteiten. De plicht om zich drie keer per week bij de politie te melden, is ook een uiting daarvan. Na de ontsnapping uit de derde detentie is eiser ondergedoken en heeft hij het land verlaten. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij het land heeft verlaten nadat hij van zijn partij SDF had vernomen dat zijn veiligheid niet meer kon worden gegarandeerd.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,-,

wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de

griffier.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2002, door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.E. van Duinen, griffier.

Afschrift verzonden op: 13 december 2002

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.