Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF4485

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-08-2002
Datum publicatie
13-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/20500, 02/20507
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublinclaim / Griekenland / medische behandeling.

Voordat gekeken dient te worden naar de vraag of in Griekenland voldoende gespecialiseerde behandeling voor eiseressen mogelijk is en of zij - als asielzoekers - hiervoor in aanmerking zullen komen, komt de vraag aan de orde of eiseressen gezien hun psychische toestand een overdracht aan Griekenland wel aan kunnen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, hoewel verweerder het Bureau Medische Advisering (BMA) om advies heeft gevraagd, geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht alvorens de bestreden beschikkingen te nemen. Hierbij is van belang dat de vraagstelling waarop het advies van het BMA is gebaseerd niet volledig is, nu verweerder het BMA niet de vraag heeft gesteld wat de te verwachten gevolgen zijn van een overdracht aan Griekenland voor de psychische gesteldheid van eiseressen, terwijl eerder reeds gebleken is dat bij ingrijpende gebeurtenissen - zoals de negatieve beslissing die eiseressen hebben gekregen - een reëel risico bestaat op psychische decompensatie en suïcide-pogingen. Het ligt op de weg van verweerder om hieromtrent nader medisch advies in te winnen, waarbij verweerder recentere medische informatie bij de behandelende specialisten dient op te vragen.

Voorts is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de stelling dat in Griekenland geen specifieke behandeling beschikbaar is. Het oordeel dat volstaan kan worden met algemeen psychiatrische hulp is niet medisch onderbouwd, terwijl de stelling dat, omdat Griekenland ook is toegetreden tot het EVRM aangenomen mag worden dat, ook al voorziet de Griekse nationale wetgeving daarin niet, toch medische hulp geboden zal worden, evenmin is onderbouwd.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikkingen onzorgvuldig zijn voorbereid en derhalve moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 Awb.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 02/20500, Awb 02/20507

UITSPRAAK

inzake: A, geboren op [...] 1968,

B, geboren op [...] 1973,

beiden van Oezbeekse nationaliteit,

IND dossiernummers 0101.21.8016 en 0101.21.8017,

gemachtigde: mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam,

eiseressen;

tegen:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie (Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. drs. R.J.R. Hazen, ambtenaar ten departemente,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 21 januari 2001 hebben eiseressen aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beschikkingen van 27 februari 2002 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd omdat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen.

1.2 Bij brieven van 4 maart 2002 hebben eiseressen beroep ingesteld tegen deze beschikkingen. Het beroep is ter zitting van 16 augustus 2002 behandeld. Eiseressen zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

Daarbij zullen worden betrokken - voor zover aanwezig - de door verweerder ingebrachte feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) alsmede het standpunt van verweerder ter zake de vraag of andere na de beschikkingen opgekomen feiten en omstandigheden aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van deze beschikkingen.

3 Overwegingen

3.1 Een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 wordt afgewezen indien een ander land partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag (artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000).

3.2 Onbetwist is dat eiseressen, alvorens Nederland binnen te reizen, in het bezit waren van een visum afgegeven door de Griekse autoriteiten. Griekenland heeft de door verweerder gelegde claim op grond van de Overeenkomst van Dublin (OVD) gehonoreerd. Griekenland is daarom in beginsel verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoeken.

3.3 Eiseressen hebben aangevoerd dat zij door Griekenland in strijd met het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zullen worden teruggezonden naar het land van herkomst. Een Russische man die zij in Griekenland hebben ontmoet, gaf het advies dat ze beter niet in Griekenland asiel konden aanvragen, omdat zijn dochter na haar asielaanvraag naar Bulgarije zou zijn gestuurd.

3.4 Op grond van artikel 3, vierde lid, OvD behoudt elke lidstaat het recht om een door de vreemdeling ingediend asielverzoek te behandelen. In dat verband voert verweerder het beleid, neergelegd in C1/2.3.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Op grond van dat beleid kan van de bevoegdheid van artikel 3, vierde lid, OvD gebruik worden gemaakt indien concrete aanwijzingen bestaan dat het verantwoordelijke Dublinland de verplichtingen uit hoofde van het EVRM niet naleeft.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het EVRM biedt bescherming tegen terugzending naar het land waar de vreemdeling een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling (refoulement).

Het door verweerder in dit verband gevoerde beleid is niet onredelijk, echter verweerder stelt ten onrechte de eis dat de vreemdeling aantoonbaar uitgeprocedeerd moet zijn en in het verantwoordelijke Dublinland met onmiddellijke uitzetting moet worden bedreigd. Deze eis vloeit niet voort uit het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 7 maart 2000 (JV 2000/103).

Uit dat arrest volgt wel dat sprake moet zijn van een reëel risico dat de vreemdeling door de verantwoordelijke lidstaat in strijd met het EVRM zal worden teruggezonden naar het land van herkomst. De vreemdeling die zich daarop beroept, zal dan ook moeten motiveren en aannemelijk maken dat de verantwoordelijke lidstaat hem in strijd met artikel 3 EVRM zal terugzenden.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen (voldoende) gemotiveerd noch aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.

3.5 Voorts hebben eiseressen samengevat het volgende aangevoerd met betrekking tot hun medische situatie. Het BMA-advies van 12 december 2001 en derhalve ook de bestreden beschikkingen zijn onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Gezien de overgelegde verklaring van de Greek Refugee Council gaat het BMA-advies ten onrechte ervan uit dat de medische hulp zoals geboden door centrum De Vonk ook in Griekenland aanwezig is. Mogelijk is sprake van schending van artikel 3 EVRM wanneer verweerder eiseressen overdraagt naar Griekenland terwijl eiseressen in Griekenland mogelijk niet de voor hen vereiste medische zorg zullen krijgen. Tevens hebben eiseressen genoegzaam aangetoond dat overdracht onder dwang aan Griekenland kan leiden tot een reëel risico van psychische decompensatie. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten recente informatie in verband met de psychische situatie van eiseressen op te vragen. Ter onderbouwing van hun standpunten verwijzen eiseressen naar verschillende gepubliceerde uitspraken.

3.6 De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Voordat gekeken dient te worden naar de vraag of in Griekenland voldoende gespecialiseerde behandeling voor eiseressen mogelijk is en of zij -als asielzoekers- hiervoor in aanmerking zullen komen, komt de vraag aan de orde of eiseressen gezien hun psychische toestand een overdracht aan Griekenland wel aan kunnen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, hoewel verweerder het BMA om advies heeft gevraagd, geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht alvorens de bestreden beschikkingen te nemen. Hierbij is van belang dat de vraagstelling waarop het advies van het BMA is gebaseerd niet volledig is, nu verweerder het BMA niet de vraag heeft gesteld wat de te verwachten gevolgen zijn van een overdracht aan Griekenland voor de psychische gesteldheid van eiseressen, terwijl eerder reeds gebleken is dat bij ingrijpende gebeurtenissen -zoals de negatieve beslissing die eiseressen hebben gekregen- een reëel risico bestaat op psychische decompensatie en suïcide-pogingen. Het ligt op de weg van verweerder om hieromtrent nader medisch advies in te winnen, waarbij verweerder recentere medische informatie bij de behandelende specialisten dient op te vragen.

Voorts is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de stelling dat in Griekenland geen specifieke behandeling beschikbaar is. Het oordeel dat volstaan kan worden met algemeen psychiatrische hulp is niet medisch onderbouwd, terwijl de stelling dat, omdat Griekenland ook is toegetreden tot het EVRM aangenomen mag worden dat, ook al voorziet de Griekse nationale wetgeving daarin niet, toch medische hulp geboden zal worden, evenmin is onderbouwd.

3.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikkingen onzorgvuldig zijn voorbereid en derhalve moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.9 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

3.10 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank aanleiding de Staat aan te wijzen om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseressen.

4. BESLISSING

De rechtbank:

* verklaart het beroep gegrond;

* vernietigt de bestreden beschikkingen van 27 februari 2002;

* draagt verweerder op nieuwe beschikkingen te geven met inachtneming van deze uitspraak;

* veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseressen dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Blomsma en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Doorn-Strookman als griffier op 23 augustus 2002.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 23 augustus 2002