Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF4483

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-08-2002
Datum publicatie
13-02-2003
Zaaknummer
AWB 02/62200
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / zienswijze / geloofwaardigheid asielrelaas.

Het door de rechtshulp gedane verzoek om verlenging van de termijn om een zienswijze in te dienen is afgewezen onder verwijzing naar artikel 3.117 Vb 2000. eiser, afkomstig uit Wit-Rusland, stelt dat de termijn van drie proces-uren voor het indienen van een zienswijze in casu niet als redelijk kan worden beschouwd. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 39, tweede lid, Vw 2000 en in artikel 3.117, tweede lid, Vb 2000 is bepaald op drie procesuren. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er voor verweerder geen ruimte voor het maken van uitzonderingen op dan wel het verlengen van deze termijn.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet langer op dat standpunt kan stellen dat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, omdat eiser toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit en reisroute te kunnen vaststellen. Immers in beroep heeft eiser kopieën overgelegd van zijn lidmaatschapskaart van de BNF en van de eerste pagina van zijn paspoort. Ter zitting stelt verweerder dat het asielrelaas als ongeloofwaardig moet worden beschouwd. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder tot deze wijziging van standpunt ten nadele van eiser kon komen. De rechtbank ziet aanleiding om de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser uit te gaan. De rechtbank merkt op dat geen ambtsbericht ten aanzien van de situatie in Wit-Rusland beschikbaar is en uit de wel beschikbare algemene informatie blijkt dat de situatie in Wit-Rusland niet rooskleurig is. De rechtbank is van oordeel dat extra zorgvuldigheid moet worden betracht bij behandeling van deze aanvraag.

Verweerder stelt dat de gebeurtenissen niet specifiek op de persoon van eiser waren gericht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze conclusie niet heeft mogen trekken, gelet op de verklaringen van eiser. Uit die verklaringen en een rapport van Amnesty International omtrent de situatie in Wit-Rusland in 2001 leidt de rechtbank af dat eiser wel degelijk in de specifieke aandacht van de Wit-Russische autoriteiten staat.

Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij pas later is vertrokken. De rechtbank acht het aannemelijk dat de situatie voor eiser pas in een latere fase zodanig ernstig was dat hij besloot te vertrekken. In de bestreden beschikking wordt opgemerkt dat eiser geen bescherming bij de autoriteiten heeft gevraagd in verband met de mishandelingen bij zijn aanhoudingen. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij wel naar de politie is geweest om aangifte te doen van een mishandeling op straat en heeft daarover een document overgelegd. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat, nu eiser wel heeft geprobeerd aangifte te doen van mishandeling door autoriteiten, hij verder geen pogingen heeft gedaan de bescherming van de autoriteiten tegen mishandelingen door de autoriteiten in te roepen. De rechtbank concludeert dat verweerder in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld door de aangekondigde zienswijze niet af te wachten en ziet aanleiding het beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 Awb. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 02/62200

UITSPRAAK

inzake: A, geboren op [...] 1980,

Burger van Wit-Rusland,

IND dossiernummer 0208.10.8005,

gemachtigde: mr. Y.G.F. Coenders, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Arnhem, eiser;

tegen:

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. A.L. de Mik,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 10 augustus 2002 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij beschikking van 13 augustus 2002 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Bij brief van 13 augustus 2002 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is ter zitting van 23 augustus 2002 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het aanmeldcentrum dient in dat kader tevens beoordeeld te worden of de aanvraag op zorgvuldige wijze binnen 48 uur is afgedaan.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiser komt op het volgende neer.

Eiser is sinds juli 2000 lid van de BNF (Wit-Russische Volks Front) en heeft vanaf 26 april 2001 problemen ondervonden in verband met zijn activiteiten. Eiser is diverse malen aangehouden bij demonstraties en bijeenkomsten, maar hij werd na een aantal uur weer vrijgelaten. Tijdens het verblijf op het politiebureau is eiser regelmatig mishandeld. In totaal is eiser acht keer veroordeeld tot een administratieve boete.

Op 15 augustus 2001 en 1 oktober 2001 is eiser voor zijn huis in elkaar geslagen, onder meer door politie-agenten, als gevolg waarvan hij zich in het ziekenhuis heeft moeten laten behandelen. Eiser heeft van de eerste mishandeling aangifte gedaan, maar hem werd medegedeeld dat geen strafrechtelijke vervolging zou plaatsvinden.

Eiser heeft namens zijn partij als waarnemer gefungeerd bij de presidentsverkiezingen op 9 september 2001, waarbij hij enkele onregelmatigheden heeft gemeld. In verband hiermee is eiser aangehouden op 10 september 2001.

Op 26 april 2002 is een strafzaak tegen eiser geopend wegens het meedoen aan een niet door de autoriteiten goedgekeurde bijeenkomst.

Op 24 juli 2002 is eiser voor de laatste maal aangehouden en is zijn paspoort ingenomen. Hij heeft een verklaring getekend, inhoudende dat hij zich beschikbaar zou houden voor het onderzoek en dat hij het land niet zou verlaten. Op 7 augustus 2002 zou weer een rechtszitting plaatsvinden en zou hij wederom worden veroordeeld tot een administratieve boete.

Eiser heeft op 29 juli 2002 besloten te vluchten omdat de leider van de partij hem vertelde dat hij nu in levensgevaar was. Bovendien wilde hij eerst zijn universitaire opleiding afronden. Op 29 juli 2002 heeft eiser Wit-Rusland op illegale wijze verlaten.

3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat geen enkel vermoeden bestaat dat eiser in het land van herkomst gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag.

Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd om zijn nationaliteit en reisroute te kunnen vaststellen, hetgeen hem kan worden aangerekend. Hierdoor is de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid hiervan.

Niet is gebleken dat de acties van de autoriteiten specifiek op de persoon van eiser waren gericht, nu ook andere leden van de partij werden aangehouden. Bovendien werd eiser na oplegging van een boete telkens vrijgelaten. Het enkele lidmaatschap van het Witrussische Volksfront is onvoldoende om tot vluchtelingschap te concluderen, nu deze partij legaal is en niet is gebleken dat eiser een bestuurlijke dan wel andere belangrijke functie vervulde.

Dat eiser is aangehouden in verband met zijn rapportages over verkiezingsfraude kan niet leiden tot vluchtelingschap, nu eiser een wettelijk opgedragen taak heeft uitgeoefend.

Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij Wit-Rusland heeft verlaten nadat de leider van de partij hem had verteld dat hij na de strafzaak zijn leven niet zeker zou zijn. Deze informatie is niet afkomstig uit een objectieve bron. Eiser heeft daarnaast verklaard dat hij met het vertrek heeft gewacht om op 12 juni 2002 zijn diploma te kunnen behalen.

Eiser heeft in de mishandeling door de autoriteiten geen aanleiding gezien Wit-Rusland te verlaten en heeft geen bescherming van hogere autoriteiten gezocht. Dat dit geen zin zou hebben omdat er een totalitair regime is, berust op vermoedens van de zijde van eiser.

Bovendien zijn de problemen van eiser begonnen op 26 april 2001 en is hij pas op 29 juli 2002 vertrokken. In dit kader merkt verweerder nog op dat het bevreemding wekt dat al op 30 mei 2002 een aanbevelingsbrief ten behoeve van eiser door de BNF is opgesteld.

De mishandelingen van eiser kunnen niet worden geschaard onder een van de categorieën genoemd in Vc2000 C1/4.2.2. en bovendien heeft eiser verklaard in deze mishandelingen geen aanleiding te hebben gezien zijn land van herkomst te verlaten.

3.3 Eiser stelt zich op het volgende standpunt.

Het door rechtshulp gedane verzoek om verlenging van de termijn om een zienswijze in te dienen is door verweerder afgewezen onder verwijzing naar artikel 3.117 Vb, hetgeen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het geven van uitstel staat niet in de weg aan de voortgang van de procedure. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2002 (Jv 2002, 220) en 31 mei (200201812). Het verzoek om uitstel behelsde eveneens een verzoek om heroverweging van het voornemen en niet is gebleken dat verweerder zich heeft bezonnen op hetgeen in het voornemen is opgenomen. Bovendien bepaalt artikel 39, tweede lid, Vw dat de zienswijze binnen een redelijke termijn kan worden ingebracht. De gebruikelijke termijn van drie uur kan in het onderhavige geval niet als redelijk worden gezien, gelet op de omvang van het nader gehoor en de noodzaak om landeninformatie te vergaren. Hierbij wordt nog opgemerkt dat verweerder het noodzakelijk heeft geacht om aanvullende vragen te stellen.

Eiser heeft verklaard dat zijn paspoort is ingenomen door de autoriteiten, hetgeen door verweerder niet wordt betwist. Zijn oude paspoort, dat hij is verloren, was niet meer geldig en kan dus niet worden beschouwd als een geldig nationaliteitsbewijs. Eiser is wel in het bezit van een identiteitsbewijs, waarvan de authenticiteit door verweerder niet in twijfel wordt getrokken.

Voor zover het ontbreken van documenten niet verschoonbaar moet worden geacht, wijst eiser erop dat dit slechts een omstandigheid is die bij de beoordeling wordt betrokken en die nooit de enige reden kan zijn om het asielverzoek af te wijzen.

De aanhoudingen van eiser waren wel degelijk op de persoon van eiser gericht.

Eiser legt algemene informatie over van Amnesty International, te weten het Annual Report 2002 en een rapport van mei 2002, getiteld 'Trodden underfoot: peaceful protest in Belarus'.

Aanvullend heeft eiser nog het volgende naar voren gebracht.

Hem wordt tegengeworpen dat de informatie dat hij na het opstarten van de strafzaak een gevangenisstraf zou krijgen of zou verdwijnen niet afkomstig is uit objectieve bron. Deze stelling van de leider van de BNF wordt bevestigd door de informatie van Amnesty International. Eiser moet ook worden beschouwd als een politieke opposant en niet enkel als demonstrant.

Eiser heeft verklaard dat hij de autoriteiten wel om bescherming heeft gevraagd tegen de mishandeling door die autoriteiten, maar dat deze zaak niet in behandeling is genomen.

Uit de verklaringen van eiser blijkt dat pas in juli 2002 is vertrokken, omdat er in april 2002 een strafzaak tegen hem is geopend en hij op 28 juni 2002 werd bedreigd door de politie met verdwijning.

De datering van de brief van de voorzitter van de partij is vermoedelijk onjuist, nu eiser deze brief pas medio juli 2002 heeft ontvangen. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij na een oneerlijk proces zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie tot vijftien dagen.

Eiser legt informatie over van de International Helsinki Federation van 25 april 2002 en een bericht uit de Washington Post van 19 augustus 2002.

Aanvullend heeft eiser een kopie van zijn originele lidmaatschapskaart van het Volksfront, die zich niet in het dossier bevindt ondanks dat de kaart wel aanwezig was, overgelegd en een per fax ontvangen kopie van de eerste pagina van zijn Witrussische paspoort, dat is ingenomen door de autoriteiten.

4 Overwegingen

4.1 Eiser heeft aangegeven dat de termijn van drie proces-uren die beschikbaar is voor het indienen van een zienswijze in het onderhavige geval niet als redelijk is aan te merken.

De rechtbank is van oordeel dat nu de redelijke termijn als bedoeld in artikel 39, tweede lid, Vw2000 in artikel 3.117, tweede lid, Vb2000 is bepaald op drie proces-uren, er voor verweerder geen ruimte bestaat voor het maken van uitzonderingen op, dan wel het verlengen van deze termijn.

Eiser heeft tevens aangevoerd dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door zonder zienswijze een beslissing te nemen.

Zoals meermalen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is geoordeeld (onder meer in de uitspraak van 3 mei 2002, JV 2002, 220) ligt het op de weg van de rechtshulpverlener om tijdig en gemotiveerd aan verweerder, die immers verantwoordelijk is voor het verloop van de procedure, kenbaar te maken dat meer tijd nodig is voor het uitbrengen van de zienswijze dan daarvoor in de regelgeving is voorzien. Geeft de rechtshulpverlener dit niet te kennen, dan kan verweerder in beginsel ook zonder dat na drie proces-uren een zienswijze is uitgebracht, de beschikking binnen de termijn van 48 proces-uren geven. De verantwoordelijkheid van verweerder voor een zorgvuldige besluitvorming vergt echter wel dat hij zich bezint op zijn voornemen de aanvraag via de 48-uurs-procedure af te wijzen, gegeven de omstandigheid dat geen zienswijze voorligt. De nadien in rechte voorgedragen gronden kunnen er onder omstandigheden blijk van geven dat de besluitvorming niet zorgvuldig is geweest.

4.2 Nu in onderhavige geen zienswijze is ingediend, dient beoordeeld te worden of kennisneming van een zienswijze noodzakelijk was voor een zorgvuldige besluitvorming op de aanvraag.

4.3 De rechtbank oordeelt als volgt.

Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Wit-Rusland zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000 dient te worden verleend. Eiser zal daarom aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

Op grond van artikel 1 (A) Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

4.4 Verweerder heeft in de bestreden beschikking aangegeven dat nu eiser toerekenbaar onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit en reisroute te kunnen vaststellen, de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand is aangetast en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid hiervan. Nu eiser in beroep kopieën heeft overgelegd van zijn lidmaatschapskaart van de BNF en van de eerste pagina van zijn paspoort, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet langer op genoemd standpunt kan blijven stellen.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het relaas van eiser als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, hetgeen een volstrekt ander uitgangspunt is dan waarvan het besluit uitgaat. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder tot deze wijziging van standpunt ten nadele van eiser kon komen. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser omtrent zijn asielmotieven uit te gaan.

4.5 De rechtbank merkt op dat geen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken ten aanzien van de situatie in Wit-Rusland beschikbaar is. Uit de wel beschikbare algemene informatie blijkt dat de situatie in Wit-Rusland niet rooskleurig is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat extra zorgvuldigheid moet worden betracht bij behandeling van de onderhavige aanvraag.

Verweerder heeft zich in de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat de gebeurtenissen niet specifiek op de persoon van eiser waren gericht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze conclusie niet heeft mogen trekken, gelet op de verklaringen van eiser, waaruit blijkt dat hij meermalen is aangehouden, twee keer is mishandeld, zijn moeder op zijn gedrag is aangesproken en hij heeft gerapporteerd over de omstandigheden gedurende de verkiezingen. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser wel degelijk in de specifieke aandacht van de Wit-Russische autoriteiten staat. De rechtbank baseert dit oordeel mede op het rapport van Amnesty International omtrent de situatie in Wit-Rusland in 2001, waaruit blijkt dat organisaties die de verkiezingen observeerden, door de autoriteiten worden gedwarsboomd.

Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij pas is vertrokken nadat de leider van de partij hem had medegedeeld dat hij zijn leven niet meer zeker was, welke informatie niet uit objectieve bron afkomstig is, en hij heeft verklaard te hebben gewacht met zijn vlucht tot hij zijn opleiding had afgerond. Uit het door eiser overgelegde rapport van Amnesty International uit mei 2002 ("Trodden underfoot: peaceful protest in Belarus") blijkt dat personen die werden beschuldigd van betrokkenheid bij een niet toegestane demonstratie zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van 10 tot 15 dagen. Gelet op deze algemene informatie acht de rechtbank aannemelijk dat de situatie voor eiser pas in juli 2002 zodanig ernstig was dat hij besloot te vertrekken.

In de bestreden beschikking wordt opgemerkt dat eiser geen bescherming bij de autoriteiten heeft gevraagd in verband met de mishandelingen bij zijn aanhoudingen. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij op 23 augustus 2001 naar de politie is geweest om aangifte te doen van een mishandeling op straat, waarbij ook politie-agenten betrokken waren, en dat hem begin september 2001 werd medegedeeld dat geweigerd werd een strafzaak op te starten. Eiser heeft hiervan ook een document overgelegd. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat, nu eiser wel heeft geprobeerd aangifte te doen van mishandeling door autoriteiten, hij verder geen pogingen heeft gedaan de bescherming van de autoriteiten tegen mishandelingen door de autoriteiten in te roepen.

De rechtbank concludeert derhalve dat verweerder in strijd met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld door de aangekondigde zienswijze niet af te wachten en ziet aanleiding het beroep gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.6 Er bestaat een aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5 BESLISSING

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van 13 augustus 2002;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag zal beslissing met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 644 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier op 30 augustus 2002.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 30 augustus 2002