Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3750

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2002
Datum publicatie
03-02-2003
Zaaknummer
AWB 01/54322 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische behandeling / PTSS.

Gelet op het beleid van verweerder, gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder, indien is gebleken dat de medische behandeling in een ander land dan Nederland mogelijk is, van belang acht of de betrokken vreemdeling toegang heeft tot dat andere land. In het onderhavige geval staat vast dat eiser in zijn land van herkomst, Somalië, niet kan worden behandeld voor zijn medische klachten en de rechtbank gaat ervan uit dat er geen land is aan te wijzen waar de medische noodzakelijke behandeling kan worden voortgezet en waar eiser ook toegang kan krijgen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.46
Vreemdelingenwet 2000 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nr: AWB 01/54322 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1971, van Somalische nationaliteit, verblijvende te B, eiser,

gemachtigde: mr. J.P. Van Vulpen, advocaat te Haarlem,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duisterhof, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Procesverloop

1. Op 10 december 1998 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een vergunning tot verblijf om redenen van humanitaire aard, in het bijzonder medische redenen. Bij besluit van 24 mei 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 15 juni 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Op 26 april 2001 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie.

Bij besluit van 24 september 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 16 oktober 2001, aangevuld bij brieven van 16 oktober 2001 en 2 oktober 2002, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 2 november 2001 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Op 14 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. Standpunten partijen.

1. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte niet in aanmerking heeft gebracht voor een verblijfsvergunning op medische gronden. Eiser heeft gewezen op de door hem overgelegde medische verklaringen van, onder meer, de instelling voor geestelijke gezondheidszorg De Geestgronden, waaruit blijkt dat eiser wordt behandeld wegens een depressieve stoornis in het kader van een posttraumatische stressstoornis en dat het ontbreken van adequate geestelijke gezondheidszorg in Somalië zijn prognose zeer zou doen verslechteren. Eiser is van mening dat verweerder zich niet op het standpunt kan stellen dat hij kan terugkeren naar Somalië, nu vast staat dat de noodzakelijke medische behandeling aldaar niet kan worden voortgezet. Eiser acht het voorts onaanvaardbaar dat verweerder zich op het standpunt stelt dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor het ondergaan van de medisch noodzakelijke behandeling, omdat de behandeling ook elders kan plaatsvinden. Voor eiser is niet duidelijk naar welk ander land buiten het Schengengebied hij zou moeten gaan voor de medische behandeling. Ter zitting heeft eiser voorts benadrukt dat de medische behandeling die hij thans ondergaat, succesvol verloopt mede omdat hij ingebed is geraakt in de Nederlandse samenleving. Eiser voelt zich thuis in zijn omgeving en verricht werkzaamheden op vrijwillige basis. Dit heeft een positief effect op het verloop van de behandeling. Indien eiser terug zou moeten keren naar Somalië, zouden de positieve effecten weer worden tenietgedaan, aldus eiser, te meer daar de situatie in Somaliland is verslechterd.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het ondergaan van een medische behandeling, omdat uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) blijkt dat Nederland niet noodzakelijk het aangewezen land is voor de behandeling van eiser. Uit hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid waarom het advies van het BMA niet gevolgd zou moeten worden. Uit het advies van het BMA blijkt dat de medisch adviseur kennelijk niet hetzelfde belang hecht aan het continueren van de behandelrelatie als de psycholoog van eiser. Verweerder is voorts van oordeel dat de mate waarin sprake is van inburgering in Nederland, geen aspect is waarmee rekening gehouden wordt bij de beoordeling van aanspraken op een verblijfsrecht in het kader van een aanvraag met als doel medische behandeling. Ten aanzien van het standpunt van eiser dat het niet verantwoord is hem terug te sturen naar Somaliland gelet op de situatie aldaar, merkt verweerder op dat hierover reeds een beslissing is gegeven in de asielprocedure van eiser, die is afgesloten met een uitspraak van de rechtbank. Indien eiser van mening is dat dit oordeel herzien dient te worden, moet hij opnieuw een asielverzoek indienen, aldus verweerder.

III. Overwegingen

1. Blijkens het beroepschrift is het geschil toegespitst op de vraag of het standpunt van verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het ondergaan van een medische behandeling de rechterlijke toets kan doorstaan.

2. Ingevolge artikel 3.46, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de wet, onder een beperking verband houdend met het ondergaan van medische behandeling worden verleend, indien Nederland naar het oordeel van verweerder het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling en de financiering van die medische behandeling naar het oordeel van verweerder deugdelijk is geregeld.

3. In paragraaf B8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) is het beleid van verweerder met betrekking tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor medische behandeling neergelegd.

Onder paragraaf B8/2 staat onder meer het volgende vermeld: de omstandigheid dat Nederland het meest aangewezen land is, kan verband houden met:

- de aard van de ziekte;

- een bijzondere specialisatie hier te lande;

- andere factoren waarvoor behandeling elders voor de betrokkene minder aangewezen is.

4. Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de in geding zijnde verblijfsvergunning omdat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling, gebaseerd op het advies van het BMA van 25 januari 2000. Uit dit advies blijkt dat eiser wordt behandeld wegens een posttraumatische stresstoornis. Volgens het BMA kunnen de klachten van eiser in het land van herkomst niet worden behandeld. De klachten kunnen elders, waar adequate gezondheidszorg aanwezig is, behandeld worden. Volgens het BMA is de behandeling daarom niet strikt aan Nederland gebonden.

5. De rechtbank acht het beleidsuitgangspunt van verweerder dat Nederland niet als het meest aangewezen land voor de medische behandeling is aan te merken indien de medisch noodzakelijke behandeling ook elders kan worden uitgevoerd, in zijn algemeenheid niet kennelijk onredelijk. Uit het beleid dat verweerder voert, valt af te leiden dat bij „behandeling elders“ gedacht wordt aan het land van herkomst van de aanvrager dan wel, in geval de aanvrager eerder een asielprocedure heeft doorlopen, een derde land waar betrokkene eerder heeft verbleven. Verweerder voert in dat laatste geval het beleid dat het medisch advies dan wordt gevraagd om te kunnen beoordelen of overdracht van de betrokken asielzoeker aan dat land mogelijk is (zie Vc B8/6.2, laatste tekstblok). Gelet op dit beleid van verweerder, gaat de rechtbank er van uit dat verweerder, indien is gebleken dat de medische behandeling in een ander land dan Nederland mogelijk is, van belang acht of de betrokken vreemdeling toegang heeft tot dat andere land.

In het onderhavige geval staat vast dat eiser in zijn land van herkomst niet kan worden behandeld voor zijn medische klachten. Voorts is niet gebleken dat verweerder in de asielprocedure van eiser een land van eerder verblijf heeft tegengeworpen, waar medische behandeling mogelijk zou kunnen zijn. Ter zitting heeft verweerder geen antwoord kunnen geven op de vraag welk land in dit geval met „elders “ wordt bedoeld. Gelet hierop gaat de rechtbank er van uit dat in dit geval geen land is aan te wijzen waar de medisch noodzakelijke behandeling kan worden voortgezet en waar eiser ook toegang kan krijgen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, Awb neergelegde beginsel dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het beroep is derhalve gegrond.

7. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Aangezien eiser op basis van een toevoeging procedeert, dient de betaling te geschieden aan de griffier.

8. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

IV. Beslissing

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

6. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 102,10,- (zegge: honderdentwee euro en tien eurocent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2002, door mr. N.O.P. Roché, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Jacobz, griffier.

Afschrift verzonden op: 11 december 2002

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Conc.: NJ

Bp: -

D: B