Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3739

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
AWB 02/41753 MVV
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv / verruimde gezinshereniging / belangenafweging.

Referente heeft verzocht om afgifte van een mvv ten behoeve van haar moeder. Op de aanvraag is afwijzend beslist.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat sprake is van gezinsleven tussen volwassenen. In situaties waarin in verband met een relatie tussen volwassenen de bescherming van artikel 8 EVRM wordt ingeroepen moet in elk geval sprake zijn van ‘evidence of further elements of dependency involving more than the normal emotional ties’. Bij de beoordeling van de vraag of aan eiseres verblijf op grond van artikel 8 EVRM moet worden toegestaan, moet verweerder een verdergaande belangenafweging maken tussen enerzijds verweerders belang bij handhaving van het restrictief toelatingsbeleid en anderzijds het belang van eiseres en referente bij uitoefening van hun familie- en gezinsleven. Het bereiken van een ‘fair balance’ tussen deze belangen staat daarbij voorop. Allereerst staat de vraag ter beantwoording of sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Niet is gebleken dat verweerder in dit kader alle door eiseres aangevoerde bijzondere omstandigheden voldoende zorgvuldig heeft onderzocht, en daar rekening mee heeft gehouden. De door verweerder aangevoerde omstandigheden zijn op zichzelf ontoereikend voor het standpunt dat niet van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie kan worden gesproken. Verweerder heeft miskend dat van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie onder omstandigheden ook sprake kan zijn als de gezondheidstoestand van de betrokken familieleden er toe kan leiden dat uitoefening van het gezinsleven buiten Nederland blijvend onmogelijk is. In een dergelijke situatie dient verweerder zich ook rekenschap te geven van de gevolgen van een niet-inwilligend besluit. Niet is gebleken dat verweerder onder ogen heeft gezien dat eiseres - bij gelijkblijvende omstandigheden - medio 2003 mogelijk een voor inwilliging vatbaar beroep op het ouderenbeleid kan doen. Uit het voorgaande volgt dat ook de toegespitste belangenafweging, als in het kader van artikel 8 EVRM vereist, ten onrechte achterwege is gebleven. Het bestreden besluit ontbeert derhalve in tweeërlei opzicht een deugdelijke motivering. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.24
Vreemdelingenwet 2000 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/41753 MVV

inzake: A, geboren op [...] 1938, van Somalische nationaliteit, wonende te Yaroowe, Somaliland, eiseres,

gemachtigde: mr. drs. A.J.G. Tijhuis,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. A.A.K. Sol, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. B, geboren op [...] 1974 te Mogadishu, verder te noemen referente, heeft op 22 juni 2000 bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland verzocht om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres, haar moeder. Bij besluit van 29 maart 2001, bekend gemaakt op 12 juni 2001, heeft verweerder afwijzend op deze aanvraag beslist. Tegen deze beslissing is namens eiseres bij bezwaarschrift van 23 juni 2001 bezwaar gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 2 mei 2002 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 28 mei 2002 is namens eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 20 augustus 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 8 november 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2002. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door C, dochter van eiseres en zuster van referente, en bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

1. Referente heeft Somalië in 1991 verlaten. Sinds mei 2000 heeft zij de Nederlandse nationaliteit.

2. Blijkens een zich in het dossier bevindend uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie is referente op 19 oktober 1999 te Amsterdam gehuwd met D.

3. Ter ondersteuning van de stelling dat zij arbeidsongeschikt is, heeft referente een arbeidsongeschiktheidsverklaring van 17 januari 2000 overgelegd.

4. Ter ondersteuning van de stelling dat referente ziek is en dat zij niet naar Somalië kan reizen, is een op 27 maart 2000 gedateerde verklaring overgelegd van een interniste in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam.

5. Ter ondersteuning van de stelling dat eiseres ongehuwd is, heeft zij een echtscheidingscertificaat overgelegd van 15 mei 1997.

6. Ter ondersteuning van de stelling dat referente geld heeft overgemaakt naar eiseres, zijn twee verklaringen overgelegd van de Stichting Humanitaire Hulp aan Somalië. De verklaringen zijn gedateerd op 2 juli 2001 en betreffen de jaren 1998 en 1999. Ter ondersteuning van dezelfde stelling is een verklaring overgelegd van de Stichting Dahabshiil Humanitrianaid in Somalië gedateerd op 8 juli 2001. Deze verklaring betreft de jaren 2000 en 2001.

7. Ter ondersteuning van de stelling dat referente heeft getelefoneerd met eiseres zijn telefoonnotities overgelegd over de jaren 2000, 2001 en 2002.

8. Ter ondersteuning van de stelling dat zich in Somalië geen kinderen van eiseres bevinden is een niet vertaalde verklaring van de Somalische autoriteiten overgelegd gedateerd op 18 september 2000.

9. Ter ondersteuning van de stelling dat eiseres ziek is, is een in het Engels gestelde en ongedateerde verklaring overgelegd van een arts in Somaliland.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde mvv. Eiseres kan geen geslaagd beroep doen op het beleid inzake verruimde gezinshereniging. De feitelijke gezinsband tussen eiseres en referente is verbroken. Referente heeft sinds haar vertrek uit Somalië een nieuw gezin gesticht waarvan eiseres geen deel uitmaakt. Aan het feit dat eiseres niet een nieuw gezin heeft gevormd kan niet het gewicht worden toegekend dat eiseres daaraan gehecht zou willen zien. Niet is gebleken dat eiseres moreel en financieel afhankelijk is van referente. Het telefonisch contact en de geldoverboekingen over de periode 1993 tot 1998 zijn niet met documenten onderbouwd. Referente heeft pas in 2000 serieuze pogingen ondernomen om eiseres naar Nederland te laten komen. Achterlating van eiseres is niet van onevenredige hardheid. Niet is aangetoond dat eiseres niet meer voor zichzelf kan zorgen. Niet is gebleken dat er voor eiseres geen, naar plaatselijke maatstaven gemeten, aanvaardbaar leven is weggelegd. Referente kan eiseres vanuit Nederland financieel steunen. Niet is aangetoond dat eiseres in Somalië geen familie meer heeft. Aangenomen wordt dat eiseres een sociaal netwerk van vrienden en kennissen heeft waarop zij kan terugvallen.

Ter beoordeling van de door eiseres aangevoerde medische klachten dient zij een aparte aanvraag in het kader van medische behandeling in te dienen.

2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de gevraagde mvv heeft geweigerd. Daartoe voert zij het volgende aan. De feitelijke gezinsband is niet verbroken. Eiseres heeft immers geen nieuw gezin gesticht. Het feit dat referente een nieuw gezin heeft gesticht doet daar niet aan af. Eiseres is moreel en financieel afhankelijk van referente. Ter onderbouwing van de stelling dat referente geld heeft gestuurd naar eiseres zijn twee verklaringen overgelegd van de Stichting Humanitaire Hulp aan Somalië. De verklaringen zijn gedateerd op 2 juli 2001 en betreffen de jaren 1998 en 1999. Ter ondersteuning van dezelfde stelling is een verklaring overgelegd van de Stichting Dahabshiil Humanitrianaid in Somalië gedateerd op 8 juli 2001. Deze verklaring betreft de jaren 2000 en 2001. De bedragen die zijn overgemaakt zijn wel degelijk substantieel. Het telefonisch contact tussen referente en eiseres kan niet worden aangetoond daar gebeld is met telefoonkaarten waarvan zij de aankoopbewijzen niet heeft bewaard. Het is immers niet gebruikelijk zulke bewijzen te bewaren. Ter onderbouwing van de stelling dat er telefonisch contact is geweest heeft referente telefoonspecificaties overgelegd over de jaren 2000, 2001 en 2002. Achterlating van eiseres is van onevenredige hardheid. Eiseres is in 1997 gescheiden. In Somalië bevinden zich geen kinderen van eiseres meer. Ter onderbouwing van deze stelling wordt een verklaring van de Somalische autoriteiten overgelegd.

Verweerder hanteert een drogredenering door te stellen dat voor eiseres naar plaatselijke maatstaven gemeten een aanvaardbaar leven is weggelegd en dat haar situatie niet in betekenende mate verschilt van die van vele van haar landgenoten. Daarmee is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.

Niet gesteld kan worden dat eiseres zich sinds het vertrek van referente heeft weten staande te houden. Verweerder had rekening dienen te houden met het feit dat familiebanden in Somalië een andere betekenis hebben. Eiseres beschikt niet over een sociaal netwerk.

In Somalië ontbreekt de benodigde medische zorg. Referente wist niet dat voor medische zorg een aparte procedure bestaat. Het feit dat eiseres medische problemen heeft is steeds naar voren gebracht, maar vóór het bestreden besluit heeft verweerder haar niet gewezen op het feit dat er een aparte procedure voor gevolgd moest worden. Ter onderbouwing van de stelling dat eiseres ziek is heeft zij op 29 oktober 2001 een ongedateerde medische verklaring overgelegd waaruit blijkt dat zij een hoge bloeddruk, een nierbekkenontsteking en galstenen heeft. Zonder behandeling, die volgens de medische verklaring in Somalië niet mogelijk is, zijn deze aandoeningen volgens eiseres levensbedreigend. Zowel het primaire besluit als het bestreden besluit is genomen buiten de daarvoor door de wet gestelde redelijke termijn. Niet valt in te zien dat hiervoor een goede grond aanwezig is. Verweerder heeft immers geen feitelijke onderzoeken ingesteld. Verweerder heeft gedurende de hoorzitting bij eiseres de verwachting gewekt dat zij binnen twee tot acht weken een besluit tegemoet zou kunnen zien. Een negatief advies zou binnen twee weken genomen worden. Toen een besluit binnen deze termijn achterwege bleef, heeft referente een aantal malen telefonisch navraag gedaan en op 21 april 2002 verzocht om een spoedig besluit. Toen het besluit op zich liet wachten is referente er in het licht van de opmerkingen van de voorzitter van de ambtelijke commissie van uit gegaan dat een positief besluit genomen zou worden.

Het bestreden besluit strijdt tenslotte met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op de Nederlandse staat rust een positieve verplichting daar er in verband met de ziekte van referente een objectieve belemmering bestaat het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Ter onderbouwing van de stelling dat referente ziek is en dat zij niet naar Somalië kan reizen, is een verklaring overgelegd van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam.

3. In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd. Het geld dat eiseres vanaf 1998 heeft overgemaakt is overgeboekt naar stichtingen, waardoor niet vaststaat dat eiseres over het geld heeft kunnen beschikken. Verweerder gaat voorbij aan de telefoonspecificaties vanaf 23 november 2000 omdat deze niet op naam staan van referente en daaruit niet valt af te leiden dat die telefoongesprekken met eiseres hebben plaatsgevonden.

Het door eiseres in beroep aangevoerde omtrent de algemene situatie in Somalië ter ondersteuning van de stelling dat het van onevenredige hardheid zou zijn om eiseres achter te laten treft geen doel aangezien hiermee niet is aangetoond dat de situatie van eiseres verschilt van die van vele van haar landgenoten aan wie evenmin om die reden verblijf wordt toegestaan.

Niet is gebleken dat een toezegging is gedaan over de termijn waarbinnen een besluit op bezwaar zou kunnen worden ontvangen. Evenmin is gesteld dat referente uit het uitblijven van een besluit binnen de veronderstelde termijn mocht afleiden dat er een positieve beschikking zou komen. Aan referente is bij brief van 17 juli 2001 meegedeeld dat de behandeling van het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn zou worden behandeld waarbij ook is meegedeeld dat rekening moest worden gehouden met een behandelingsduur van twaalf maanden. Bovendien had referente tegen het niet tijdig beslissen een rechtsmiddel kunnen aanwenden.

Het bestreden besluit strijdt niet met artikel 8 van het EVRM daar geen sprake is van „evidence of further elements of dependency, involving more than normal emotional ties“ zoals voor familiebanden tussen volwassenen volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en van de Europese Commissie van de Rechten van de Mens (ECRM) is vereist, wil bescherming op grond van deze verdragsbepaling kunnen worden ingeroepen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 geldt daarbij als uitgangspunt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts wordt ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

4. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen daartoe nopen, met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

5. Ingevolge artikel 3.24 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven en de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van de Minister een onevenredige hardheid zou betekenen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst behoorde tot het gezin van referente. Daartoe verwijst de rechtbank naar hetgeen dienaangaande door verweerder is aangevoerd als weergegeven in III.1 en III.3.

7. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("family life"). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Volgens de uitspraak van de ECRM van 29 juni 1992, appl. 14852/89, Akthar/Johangir (RV 1992, 26) en de jurisprudentie van het EHRM zoals die zich daarna heeft gevormd is bepalend dat relaties tussen volwassenen "would not necessarily acquire the protection of Article 8 of the Convention without evidence of further elements of dependency involving more than the normal emotional ties".

8. Eiseres stelt dat het bestreden besluit strijdt met artikel 8 van het EVRM en dat verweerder in het kader van dat artikel ten onrechte heeft nagelaten een behoorlijk gemotiveerde en op de levensomstandigheden van haar en referente toegespitste belangenafweging te maken. Daartoe heeft eiseres niet slechts aangevoerd dat zij thans 64 jaar oud is, en enkele jaren geleden van haar echtgenoot is gescheiden, maar ook dat zij aan verschillende aandoeningen lijdt en in verband met het ontbreken van adequate medische zorg in Somalië aldaar mogelijk niet lang meer te leven heeft. Ter zitting is gesteld dat eiseres als gevolg van haar ziekte haar huis thans niet meer verlaat en bedlegerig is. Verder heeft eiseres gesteld dat zij in Somalië geen familie meer heeft en evenmin een netwerk van vrienden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de laatste bezoeken die eiseres (van andere in Europa wonende kinderen dan referente) heeft ontvangen in 2000 respectievelijk 2001 plaatsvonden. Voorts is gesteld dat referente Somalië niet uit vrije wil heeft verlaten. Tot slot is volgens eiseres van belang dat het voor referente in verband met haar ziekte en de noodzaak om regelmatig door een arts te worden gecontroleerd waarschijnlijk blijvend onmogelijk is om in een ander land dan Nederland samen met haar moeder te wonen.

9. Verweerder heeft ter zitting niet betwist dat tussen eiseres en referente „family life“ bestaat, maar het standpunt gehandhaafd dat, kort gezegd, tussen eiseres en referente geen sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Dientengevolge kan volgens verweerder aan artikel 8 van het EVRM geen recht op toelating worden ontleend. Voorop gesteld wordt dat in situaties waarin in verband met een relatie tussen volwassenen de bescherming van artikel 8 van het EVRM wordt ingeroepen in elk geval sprake moet zijn van „evidence of further elements of dependency involving more than the normal emotional ties". Bij de beoordeling van de vraag of aan eiseres verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM moet worden toegestaan, moet verweerder, nadat is onderzocht of aan die voorwaarde is voldaan, naar het oordeel van de rechtbank vervolgens een verdergaande belangenafweging maken tussen enerzijds verweerders belang bij handhaving van het restrictief toelatingsbeleid en anderzijds het belang van eiseres en referente bij uitoefening van hun familie- en gezinsleven. Het bereiken van een „fair balance“ tussen de in ieder individueel geval in aanmerking komende belangen staat daarbij voorop. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het EHRM van 21 december 2001 (Sen vs. Nederland, nr. 31465/96).

In het onderhavige geval staat allereerst de vraag ter beantwoording of sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie als in rechtsoverweging 7 bedoeld. Niet is gebleken dat verweerder in dit kader alle door eiseres aangevoerde bijzondere omstandigheden voldoende zorgvuldig heeft onderzocht, en daar – dientengevolge – rekening mee heeft gehouden. Daartoe wordt overwogen dat de door verweerder aangevoerde omstandigheden op zichzelf niet toereikend zijn voor het standpunt dat in casu niet van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie kan worden gesproken. Met name heeft verweerder miskend dat van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie onder omstandigheden ook sprake kan zijn als de gezondheidstoestand van de beide betrokken familieleden er toe kan leiden dat uitoefening van het gezinsleven buiten Nederland blijvend onmogelijk is. In een dergelijke situatie dient verweerder zich tevens rekenschap te geven van de gevolgen van een niet-inwilligend besluit. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat dit in voldoende mate is gebeurd. De rechtbank merkt in dit verband op dat niet is gebleken dat verweerder onder ogen heeft gezien dat eiseres – bij gelijkblijvende omstandigheden – medio 2003 mogelijk een voor inwilliging vatbaar beroep op het ouderenbeleid kan doen. Uit het voorgaande volgt dat ook de toegespitste belangenafweging, als in het kader van artikel 8 van het EVRM vereist, ten onrechte achterwege is gebleven. Het bestreden besluit ontbeert derhalve in tweeërlei opzicht een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan mitsdien niet in stand blijven en zal worden vernietigd.

10. Gelet op het vorenstaande kan hetgeen overigens is aangevoerd buiten beschouwing blijven.

11. Gelet op de omstandigheid dat eiseres geen kosten heeft gemaakt van professionele rechtsbijstand is er in dit geval geen aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

12. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 102,10,-- (zegge: honderdtwee euro en tien cent).

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2002, door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E. Hansen-Löve, griffier.

Afschrift verzonden op: 4 december 2002

Conc: EHL

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.