Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3708

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-12-2002
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
AWB 02/90016, 02/90014 BEPTDN
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AF7223
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nrs.: AWB 02/90016 BEPTDN (beroepszaak)

AWB 02/90014 BEPTDN (voorlopige voorziening)

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter, inzake het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep van:

A, geboren op [...] 1964, van Afghaanse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Soffers, advocaat te Den Haag,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.R.J. Maas, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 25 november 2002 heeft verzoeker een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 28 november 2002 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker niet ingewilligd in het kader van de zogenaamde AC-procedure. Verzoeker heeft tegen deze beslissing beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten totdat op het beroep is beslist.

De openbare behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 13 december 2002. Ter zitting hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Ten aanzien van het beroep

In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de bestreden beslissing in rechte stand kan houden. Aangezien verweerder de aanvraag heeft afgewezen in het aanmeldcentrum (AC), dient te worden beoordeeld of het desbetreffende besluit binnen 48 uur op zorgvuldige wijze is genomen.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft op 13 november 1997 een aanvraag om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 16 juli 1999 afgewezen. Verzoeker is wel in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) met ingang van 13 november 1997. Het hiertegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 15 juni 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft op 13 juli 2001 beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij uitspraak van 24 januari 2002 (AWB 01/31505) heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Op 16 oktober 2000 is verzoeker in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aangezien hij drie jaar in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij beschikking van 9 oktober 2001 heeft verweerder deze verblijfsvergunning ingetrokken op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a Vw, in verband met het niet melden van activiteiten als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. Verzoeker heeft hiertegen geen rechtsmiddel ingesteld. Op 25 november 2002 heeft verzoeker onderhavige aanvraag ingediend.

Verweerder heeft de aanvraag van 25 november 2002 niet ingewilligd op grond van artikel 4:6 van de Awb. Verweerder heeft zich - voor zover van belang en samengevat - op het standpunt gesteld dat de beschikking van 9 oktober 2001 onherroepelijk is geworden. Verzoeker heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de intrekking van zijn verblijfstatus in verband met nader gerezen ernstige verdenkingen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b van het Vluchtelingenverdrag. Hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht niet kan worden beschouwd als rechtens relevante nieuwe feiten en omstandigheden die tot een andere beschikking aanleiding hadden behoren te geven. De conclusie van de Officier van Justitie dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om verzoeker als verdachte aan te merken en een opsporingsonderzoek te rechtvaardigen kan niet als zodanig worden aangemerkt aangezien hij slechts een oordeel velt over de mogelijke strafrechtelijke vervolging in Nederland en deze beoordeling een andere beoordeling is dan de beoordeling die plaatsvindt in het kader van de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag.

Verzoeker bestrijdt dit besluit en voert daar tegen aan dat zijn aanvraag om toelating niet kan worden getoetst aan artikel 4:6 Awb, omdat de beschikking van 9 oktober 2001 niet aangemerkt kan worden als een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking zoals artikel 4:6 Awb vereist en aan deze beschikking geen aanvraag ten grondslag lag.

Voorts stelt verzoeker dat de brief van de Landelijke Officier Oorlogsmisdrijven van 10 april 2002 aangemerkt dient te worden als een nieuw feit. De inhoud van deze brief noopt tot een heroverweging nu namens deze is geoordeeld dat verzoeker geen verdachte is. Een redelijk vermoeden van schuld is immers een lagere bewijsmaatstaf dan het criterium welke verweerder heeft gehanteerd bij het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, namelijk „ernstige redenen om te veronderstellen dat“. De beoordeling van artikel 1(F) kan niet los worden gezien van de strafrechtelijke beoordeling. In artikel 1(F) wordt immers ook gesproken over „misdrijven“. Voorts valt niet in te zien waarom een oordeel van het OM over de mate van schuld niet relevant is, terwijl verweerder het oordeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wel relevant lijkt te vinden. Verzoeker acht voorts van belang dat het OM in beginsel op het standpunt stelt dat er sprake is van rechtsmacht (Ministerie van Justitie, Brief aan Voorzitter Tweede Kamer, 26 oktober 2001, 27484, nr. 18) en dat er sprake blijkt te zijn van 1F’ers ten aanzien van wie er volgens het OM wel sprake is van een redelijk vermoeden van schuld.

Tot slot stelt verzoeker zich op het standpunt dat verweerder de toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb, niet voldoende heeft gemotiveerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Tussen partijen is ten eerste in geschil of er in dit geval sprake is van een nieuwe aanvraag na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking in de zin van bovengenoemd artikel.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verzoekers aanvraag van 25 november 2002 er toe strekt verweerder te bewegen om terug te komen van de beschikking van 9 oktober 2001. Deze bedoeling blijkt onder meer uit het aan de onderhavige aanvraag voorafgaande schrijven van verzoeker van 12 april 2002 waarbij verweerder werd verzocht de onherroepelijke beschikking van 9 oktober 2001 te herzien.

Verzoekers grief dat geen sprake is van een eerdere geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking kan niet slagen nu de beschikking van 9 oktober 2001 waarbij verzoekers verblijfsvergunning (na een voornemenprocedure) is ingetrokken, wel als een afwijzende beschikking dient te worden aangemerkt. Dat geen sprake kan zijn van een nieuwe aanvraag omdat aan die intrekkingsbeschikking geen aanvraag ten grondslag heeft gelegen, acht de rechtbank onjuist nu de intrekkingsbeschikking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van 9 oktober 2001 indirect voortvloeit uit de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel van 13 november 1997. Immers, naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder verzoeker in het bezit gesteld van een vvtv en vervolgens, na drie jaar, van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Nu de rechtbank dan ook van oordeel is dat er sprake is van een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb, zal de vraag beantwoord moeten worden of er in de onderhavige procedure sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als neergelegd in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Het toetsingskader voor de rechtbank in deze zaak, waarin sprake is van een herhaalde aanvraag, wordt bepaald door voormeld artikel 4:6 van de Awb. Indien een bestuursorgaan na indiening van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot het oordeel komt dat daartoe geen termen zijn, kan niet door het instellen van beroep tegen dat besluit worden bereikt dat de rechtbank de zaak beoordeelt, als ware het gericht tegen het eerdere besluit. Het door verzoeker ingestelde beroep kan dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na het eerdere besluit, waarbij verzoeker toelating is geweigerd, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan die verweerder noopten tot heroverweging van de eerdere afwijzing.

Naar het oordeel van de rechtbank is van nieuwe feiten of omstandigheden in voormelde zin niet gebleken. De rechtbank acht daartoe het navolgende redengevend.

Verzoeker beroept zich op de brief van 10 april 2002 van de Landelijke Officier Oorlogsmisdrijven bij het Arrondissementsparket te Arnhem. In deze brief is namens deze medegedeeld dat onvoldoende is gebleken dat ten aanzien van verzoeker een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestaat. Nu deze brief dateert van ná de beschikking van 9 oktober 2001 dient dit te worden aangemerkt als nieuw gebleken feit. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de brief verweerder niet noopte tot heroverweging van het besluit van 9 oktober 2001. Aan de omstandigheid dat er ten aanzien van verzoeker geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling en dat die er ook niet zal gaan komen gelet op het feit dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om verzoeker als verdachte te kunnen aanmerken, kan naar het oordeel van de rechtbank in onderhavige procedure geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het toetsingskader voor een strafrechtelijke procedure niet gelijk is aan het toetsingskader in het vreemdelingenrecht. Bovendien zijn de regels voor het verkrijgen en waarderen van bewijs in strafzaken niet van toepassing in een bestuursrechtelijk procedure tot het vaststellen van vluchtelingschap. Dat in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag wordt gesproken over „ernstige redenen om te veronderstellen dat“ en „misdrijven“ maakt dit niet anders.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb. Hieruit vloeit voort dat verweerder tevens op goede gronden heeft besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Derhalve leende de asielaanvraag zich voor afdoening in het aanmeldcentrum.

Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, wordt het beroep ongegrond verklaard.

Nogmaals ten aanzien van de voorlopige voorziening

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van het beroep en de voorlopige voorziening

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.H, van Meegen, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002, in tegenwoordigheid van mr. M. Balkema als griffier.

afschrift verzonden op: 19 december 2002

RECHTSMIDDEL

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen binnen een week na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.