Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3702

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2002
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
AWB 02/70487, 02/70500
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / schadevergoeding / verstrekkingen

Eisers, afkomstig uit Hongarije, hebben een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel gedaan. De aanvraag is afgewezen binnen de AC-procedure. Eisers hebben beroep ingesteld, maar mogen de behandeling ervan niet in Nederland afwachten. Vervolgens heeft verweerder eisers gemeld dat de bestreden beschikking wordt ingetrokken en dat nieuwe besluiten zullen worden genomen. Eisers mogen de behandeling van de aanvragen in Nederland afwachten.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers de beroepen ingetrokken. Daarbij wordt verzocht om schadevergoeding omdat eisers geen opvang hebben gehad. Met toepassing van artikel 8:73a Awb en civielrechtelijke uitgangspunten wordt geoordeeld dat verweerder de door eisers geleden schade moet vergoeden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vreemdelingenwet 2000 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.:

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1958,

B,

geboren op [...] 1969,

mede namens negen minderjarige kinderen,

van Hongaarse nationaliteit,

IND dossiernummer 0209.10.8001,

gemachtigde: mr. G. Zielinski, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Zwolle, eisers;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. drs. R. van Ekeren,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 10 september 2002 hebben eisers aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij beschikkingen van 13 september 2002 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Bij brief van 13 september 2002 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Eisers mogen de behandeling van het beroep niet in Nederland afwachten. Bij verzoekschrift van 13 september 2002 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist.

1.3 Bij brief van 26 september 2002 heeft verweerder eisers in kennis gesteld van het feit dat de bestreden beschikkingen van 13 september 2002 worden ingetrokken en nieuwe besluiten zullen worden genomen. De behandeling van de aanvragen mogen eisers in Nederland afwachten.

1.4 De beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening zijn ter zitting van 27 september 2002 behandeld. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers de beroepen ingetrokken, waarbij is verzocht om schadevergoeding.

1.5 Bij brief van 3 oktober 2002 heeft de gemachtigde van eisers een nadere specificatie van de door eisers geleden schade gegeven. Bij brief van 22 november 2002 heeft de gemachtigde van verweerder hierop een reactie gegeven, waarna de gemachtigde van eisers nog heeft gereageerd bij brief van 29 november 2002.

1.6 De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Partijen hebben toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere behandeling ter zitting, als bedoeld in artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Toetsingskader

2.1 Op grond van artikel 8:73a Awb kan de rechtbank, ingeval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener de door haar aangewezen rechtspersoon bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 veroordelen tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

3 Standpunten

3.1 Eisers hebben van 13 tot en met 16 september 2002 op een camping in Heino verbleven, waarvoor zij het bedrag van € 124,50 hebben betaald. De kosten van de maaltijden en overige verblijfskosten van in totaal elf personen zijn berekend aan de hand van de RVA-verstrekkingen en bedragen € 76,20. Voor de vergoeding van reiskosten van Zevenaar naar Heino en van Heino naar Zwolle voor het bezoek aan hun gemachtigde is een bedrag gerekend van € 48,00. In totaal bedraagt de door eisers gelegen schade € 248,70.

3.2 Verweerder heeft zich op het volgende standpunt gesteld.

Wegens het ontbreken van materiële kenmerken ter bepaling van schade in de Awb wordt aansluiting gezocht bij het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Verweerder is van mening dat er geen onrechtmatige daad is en dat niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste en het causaliteitsvereiste.

De overheidsdaad, het afwijzen van de asielaanvraag van eisers binnen 48 uur, kan een schending worden van de norm dat op zorgvuldige wijze wordt afgewogen of eisers bescherming tegen refoulement behoeven (via het al dan niet verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd). Nu verweerder de beschikking heeft ingetrokken en eisers toe te laten tot de OC-procedure is deze norm niet geschonden nu nog beoordeeld moet worden of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Door de intrekking is de onrechtmatigheid weggenomen en staat vast dat er geen onrechtmatige beschikking is.

Komt de rechtbank toch tot het oordeel dat sprake is van een normschending, dan merkt verweerder op dat bedoelde norm niet beoogt opvang te verlenen. Dit is slechts een neveneffect van de beslissing om eisers toe te laten tot de OC-procedure, zodat niet wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste.

Mocht de rechtbank niettemin aannemen dat wel aan het relativiteitsvereiste wordt voldaan, dan nog wordt niet voldaan aan het causaliteitsvereiste. De gestelde schade is niet het gevolg van de gestelde onrechtmatige overheidsdaad. Het causale verband dat de onrechtmatige overheidsdaad zou kunnen hebben beperkt zich tot het ontberen van drie dagen opvang, en de schade is dan ook tot die omvang beperkt. Hiervoor gelden vaste bedragen, zodat het meerdere niet in aanmerking komt voor vergoeding.

Verweerder concludeert dan ook tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

3.3 Eisers hebben het volgende naar voren gebracht.

Schade van een slachtoffer als gevolg van een overheidshandelen komt voor vergoeding in aanmerking, ook al is er sprake van dat de overheid tracht de schade te beperken door op een eerder genomen beslissing terug te komen.

De AC-procedure beoogt zorgvuldig en binnen 48 uur een eerste selectie te maken op de gegrondheid van de aanvragen. Met het intrekken van de beslissingen heeft verweerder toegegeven dat deze onzorgvuldig waren. De door eisers gemaakte kosten zijn het directe gevolg van de eerste onzorgvuldige beslissingen.

Er is geen sprake van neveneffecten, het gaat immers om kosten en uitgaven die vooraf door eisers zijn gemaakt, teneinde verweerder te overtuigen van de onzorgvuldigheid van de genomen beslissing.

Eisers zijn van mening dat indien het verzoek van eisers aan het relativiteitsvereiste voldoet, daarmee is gegeven dat ook aan het causaliteitsvereiste wordt voldaan.

4 Overwegingen

4.1 Uit de Memorie van Toelichting op artikel 8:73 Awb blijkt dat voor de beantwoording van de vraag of en in welke omvang de schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht moet worden aangesloten. De vraag of verweerder in casu gehouden is de schade die voortvloeit uit de besluiten van 13 september 2002 aan eisers te vergoeden, beoordeelt de rechtbank derhalve aan de hand van de bepalingen van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 1998 (JB 1998/72) blijkt dat wanneer een besluit van een bestuursorgaan (het primaire besluit) op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door dat bestuursorgaan wordt herroepen en, voor zover nodig, wordt vervangen door een nieuw besluit, van de redenen die daartoe hebben geleid, en de omstandigheden waaronder het primaire besluit tot stand is gekomen, zal afhangen of het nemen van het primaire besluit onrechtmatig moet worden geacht in de zin van artikel 6:162 BW en, zo ja, of deze daad aan het betrokken overheidslichaam kan worden toegerekend.

Naar analogie van deze uitspraak oordeelt de rechtbank als volgt.

Bij beschikkingen van 13 september 2002 heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen binnen de AC-procedure. Deze versnelde procedure is bedoeld voor die asielaanvragen die op zorgvuldige wijze binnen 48 proces-uren kunnen worden afgewezen. Beoordeeld dient te worden of deze norm door verweerder is geschonden.

Op 13 september 2002 is tegen de beschikkingen beroep ingesteld en vervolgens heeft verweerder genoemde beschikkingen op 26 september 2002 ingetrokken en aangegeven dat opnieuw op de asielaanvragen zal worden beslist. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank erkend dat de aanvragen van eisers niet op een zorgvuldige wijze binnen de gestelde termijn konden worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is van omstandigheden die maken dat de besluiten van 13 september 2002 niet onrechtmatig zijn dan wel dat deze onrechtmatigheid niet aan verweerder zou kunnen worden toegerekend. Met de intrekking van de beschikkingen van 13 september 2002 is de onrechtmatigheid van die beschikkingen niet weggenomen. Dat, zoals door verweerder is gesteld, de norm betrekking zou hebben op een beoordeling van de vraag of eisers bescherming behoeven tegen refoulement, en dat deze vraag nog niet is beantwoord, laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat uit de intrekking van de beschikkingen door verweerder en de doorverwijzing naar een OC is gebleken dat de aanvragen zich niet leenden voor afdoening op zorgvuldige wijze binnen 48 proces-uren.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat sprake is van schending van genoemde zorgvuldigheidsnorm.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of voldaan wordt aan het relativiteits- en het causaliteitsvereiste.

Op grond van het relativiteitsvereiste, neergelegd in artikel 6:163 BW, moet de geschonden norm ertoe strekken het belang waarin betrokkene stelt te zijn geschaad te beschermen.

De rechtbank stelt vast dat eisers, wier aanvragen in eerste instantie in de AC-procedure zijn afgedaan, vallen binnen de groep personen die worden beschermd door de geschonden norm, die er immers toe strekt te waarborgen dat op zorgvuldige wijze binnen de gestelde termijn wordt beoordeeld of een asielzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Derhalve wordt voldaan aan de relativiteitseis.

Ten slotte dient beoordeeld te worden of sprake is van een causaal verband tussen de normschending en de door eisers geleden schade.

Op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, Vw2000 heeft een beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen van rechtswege tot gevolg dat de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijk voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn.

In de zogenoemde meeromvattende beschikkingen van 13 september 2002 is terzake nog opgenomen dat het instellen van rechtsmiddelen tegen de beschikking de werking van dit rechtsgevolg niet opschort.

Gelet op het bepaalde in artikel 45 Vw2000 is de rechtbank van oordeel dat het niet verlenen van opvang aan eisers, hetgeen van rechtswege volgt uit de meeromvattende beschikking, niet kan worden beschouwd als slechts een neveneffect van de beslissing hun aanvragen in de AC-procedure af te wijzen. Het verband tussen de onrechtmatigheid van de beschikkingen en de geleden schade is niet zodanig ver verwijderd, dat de geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.

Eisers stellen kosten te hebben gemaakt voor het huren van een caravan en levensonderhoud en voor de reis naar Heino. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze schade niet het gevolg is van de gestelde onrechtmatige overheidsdaad. Het causale verband beperkt zich tot het ontberen van drie dagen opvang en de schade is dan ook tot die omvang beperkt. Hiervoor gelden vaste bedragen.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verweerder, of de uitvoeringsinstantie, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, vaste bedragen hanteert voor het verlenen van verstrekkingen, niet maakt dat niet het gehele bedrag voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. Immers, eisers hebben als gevolg van de beslissing van verweerder in alternatieve opvang moeten voorzien. Het komt de rechtbank voor dat de door eisers gemaakte kosten voor onderdak, levensonderhoud en de reis van Zevenaar naar Heino v.v., te weten € 124,50 plus € 76,20 plus € 42,00 (210 kilometer à 20 eurocent per kilometer), niet onredelijk zijn.

De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eisers geleden schade ten bedrag van € 242,70.

De kosten die eisers hebben gemaakt om, ter voorbereiding van de behandeling van het beroep ter zitting, hun rechtshulpverlener te bezoeken, te weten € 6,00 (30 kilometer à 20 eurocent per kilometer), komen op grond van artikel 8:75a Awb voor vergoeding in aanmerking.

5 BESLISSING

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eisers geleden schade ten bedrage van € 242,70, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze schade aan eisers dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 650,00, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eisers dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. H.F.J.M. Schröder en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier op 9 december 2002.

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 13 december 2002