Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF3650

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
AWB 01/39683 BEPTDN
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2002:AI0042
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reguliere gronden / artikel 3 EVRM.

Eiseres is geboren in 1925 en afkomstig uit Sri Lanka. Eiseres heeft twee kinderen in Nederland en twee kinderen die zich in Sri Lanka bij de LTTE hebben aangesloten. Zij heeft gewezen op haar psychische en fysieke conditie. Zij is voor haar verzorging volledig afhankelijk is van anderen. Hiertoe heeft zij in het kader van artikel 3 EVRM een beroep gedaan op de uitspraak van het EHRM inzake D. tegen het Verenigd Koninkrijk ('St Kitts'). Het beroep hierop faalt in de asielprocedure omdat uitzetting niet aan de orde is zolang nog niet definitief is beslist in de reguliere procedure (verblijf bij kind en medische behandeling).

Tevens is in het kader van artikel 3 EVRM de conclusie van de BMA-arts aangehaald, dat voor eiseres opvang noodzakelijk is in Sri Lanka. De rechtbank geeft hierover geen oordeel aangezien het BMA-rapport niet in de asielprocedure ter toets staat, doch in de reguliere procedure. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

meervoudige kamer

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

j° artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/39683 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1925, van Srilankaanse nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Wedemeijer, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Brand, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst

van verweerders ministerie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 19 januari 2000 heeft eiseres een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op 23 april 2001 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 12 juni 2001 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 19 juli 2001 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 15 augustus 2001 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 3 september 2001. Op 7 mei 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 mei 2002. In het verweerschrift van 30 mei 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2002. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw T.E. Sabapathy, tolk in de Tamil taal.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

Onder de gedingstukken bevindt zich een brief van 21 augustus 2000 van C.A.G.J. Bonarius, huisarts te B, waarin deze verklaart dat eiseres, mede gezien haar leeftijd, niet in staat is alleen te reizen.

Tevens bevindt zich in het dossier een rapportage van 11 januari 2002 van Ch. Girbaran, arts, werkzaam bij het Bureau Medische Advisering (BMA) van verweerders ministerie. Voor zover van belang voor de huidige procedure verklaart deze arts dat, gelet op de psychische conditie van eiseres, begeleiding tijdens de reis noodzakelijk is, en dat eiseres op de plaats van bestemming dient te worden opgevangen aangezien zij voor haar verzorging geheel afhankelijk blijkt te zijn van anderen.

Twee meerderjarige dochters van eiseres, C en D, wonen reeds geruime tijd in Nederland.

Op 13 september 2001 heeft eiseres een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 Vw 2000 met als doel 'verblijf bij kind, C' en 'medische behandeling'. Deze aanvraag is door verweerder niet ingewilligd op 2 april 2002. Eiseres heeft hiertegen bij verweerder een bezwaarschrift ingediend, waarop ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige beroep nog niet was beslist.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiseres legt aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw. Zij heeft het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Eiseres behoort tot de Tamil-bevolkingsgroep. Twee dochters zijn naar het buitenland vertrokken. Een zoon is in 1985 door het leger doodgeschoten. Medio 1995 is haar huis vernield. Haar twee overige kinderen hebben zich aangesloten bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE), haar dochter in 1995 en haar zoon in 1996. De echtgenoot van eiseres is in 1996 overleden. De militairen van het regeringsleger zijn vanaf 1996 vijf maal bij eiseres langsgekomen om informatie te verkrijgen over de kinderen die zich bij de LTTE hebben aangesloten. De laatste keer gebeurde dat medio 1998. Hierbij is eiseres mishandeld en bedreigd. Er werden wapens op haar oor gezet en ze werd aan haar arm getrokken. Eiseres heeft aan haar buurman gevraagd om haar naar haar dochters te brengen, omdat ze anders problemen zou krijgen met de militairen. Bovendien was er niemand meer om haar te verzorgen.

Eiseres stelt dat haar niet kan worden toegerekend dat zij niet in het bezit is van reis- of identiteitspapieren, gezien haar psychische toestand, haar leeftijd en het feit dat zij totaal afhankelijk was van de reisagent.

Eiseres stond in de specifieke negatieve belangstelling van de autoriteiten. De militairen zijn welbewust bij haar langsgekomen om informatie te krijgen over de twee kinderen die zich bij de LTTE hadden aangesloten. Er is specifiek geweld tegen haar gebruikt om informatie van haar te krijgen. Het is geen geweld geweest dat is uitgeoefend bij wijze van represaille of in het kader van een militaire actie. Daaraan kan niet afdoen dat de militairen ook elders invallen deden.

De kinderen van eiseres zijn nog altijd bij de LTTE, zodat de vrees terecht is dat eiseres bij terugkeer opnieuw aan de gewelddadige ondervragingen zal worden onderworpen. Gelet op C8/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) loopt eiseres het risico om langer dan een week in Colombo in detentie te worden gehouden. Elk risico van een lange detentie moet worden uitgesloten. Er kan niet worden uitgesloten dat tegen eiseres tijdens detentie lichamelijk geweld wordt gebruikt. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens mag een persoon niet worden uitgezet naar een land waarin hij met de geestelijke of lichamelijke ondergang wordt bedreigd. Gezien de rapportage van het BMA en het feit dat de dochters van eiseres die in Nederland verblijven niet voor de opvang van eiseres in Sri Lanka kunnen zorgen, dreigt een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Er is sprake van psychische stoornissen als gevolg van de gebeurtenissen in Sri Lanka. Uit het vluchtverhaal blijkt dat een aantal gebeurtenissen een trauma zouden hebben kunnen veroorzaken: de gewelddadige dood van haar zoon in 1985, het feit dat twee andere kinderen zich in 1995 en 1996 hebben aangesloten bij de LTTE en het feit dat eiseres sinds 1996 vijf maal aan gewelddadige verhoren is onderworpen. Zonder nadere rapportage van het BMA kan niet worden gesteld dat er geen traumatische ervaringen zijn.

Tamils die vluchten voor overheidsgeweld kunnen, op grond van het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2001/29 (TBV 2001/29), op individuele gronden aannemelijk maken dat een verblijfsalternatief in Colombo hen niet kan worden tegengeworpen. Eiseres doet hierop een beroep, en verwijst naar het rapport van het BMA. Gezien haar leeftijd, medische toestand en het feit dat zij geen familie heeft in regeringsgebied kan het verblijfsalternatief haar niet worden tegengeworpen.

Ter zitting heeft eiseres nog het volgende aangevoerd. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is sprake van een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM indien een persoon wordt uitgezet naar een land waar hij met de geestelijke en lichamelijke ondergang wordt bedreigd. De BMA-arts heeft reeds geconcludeerd dat opvang voor eiseres noodzakelijk is in Sri Lanka. De in Nederland verblijvende dochters kunnen niet worden geacht om mee te reizen met hun moeder. Ook kunnen zij, gelet op hun inkomen, geen opvang betalen in Sri Lanka. Tevens heeft de BMA-arts geconstateerd dat eiseres voor haar verzorging volledig afhankelijk is van anderen. Eiseres ziet niet hoe zij zich in Sri Lanka kan handhaven. Haar kinderen in Sri Lanka zijn onvindbaar, en haar andere kinderen zijn in Nederland.

2. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen.

Eiseres heeft geen reis- of identiteitsdocumenten overgelegd die haar asielverhaal kunnen ondersteunen, hetgeen haar is toe te rekenen. Haar stelling dat ze volledig afhankelijk was van de reisagent kan op geen enkele wijze worden geverifieerd en is ook niet anderszins aannemelijk geworden.

Uit de verklaringen van eiseres kan niet worden afgeleid dat de verscherpte aandacht van de autoriteiten specifiek op haar was gericht, omdat de gestelde moeilijkheden hebben plaatsgevonden in het kader van algemene opsporingsacties.

Voorzover eiseres een beroep doet op artikel 3 EVRM wordt opgemerkt dat om dezelfde redenen niet kan worden aangenomen dat eiseres bij terugkeer om enigerlei reden de bijzondere aandacht van de autoriteiten heeft te verwachten.

De verklaringen van eiseres zijn niet van dien aard dat aannemelijk is dat van haar, als gevolg van traumatische ervaringen verband houdende met de redenen van haar vertrek uit Sri Lanka, in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. Gezien het tijdsverloop sedert het overlijden van haar zoon (1985) en het zich aansluiten bij de LTTE van haar dochter (1995) en zoon (1996), waren deze gebeurtenissen geen aanleiding voor haar om het land van herkomst te verlaten.

Voorzover eiseres een beroep doet op het bepaalde in TBV 2001/29 (inmiddels opgenomen in de Vc 2000 onder C1/4.2.4), kan gezegd worden dat zij hierop geen beroep kan doen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde dat haar lichamelijke en geestelijke klachten verband houden met haar asielrelaas. Overigens bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat, gelet op het beleid dat is neergelegd in C8 Vc 2000, terugkeer naar het noorden van Sri Lanka in verband met de algemene situatie aldaar van bijzondere hardheid is. Mitsdien bestaat geen aanleiding om te toetsen of eiseres een verblijfsalternatief heeft in het zuiden van Sri Lanka.

In deze procedure vindt geen inhoudelijke beoordeling plaats van de door eiseres aangevoerde gezinsband en haar gezondheidssituatie. Daarvoor wordt eiseres verwezen naar een reguliere procedure.

IV. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

1.2. Ingevolge artikel 13 Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

1.3. Op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kan -voorzover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

1.4. Artikel 31, eerste lid, Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel worden bij het onderzoek naar de aanvraag de daar genoemde omstandigheden betrokken. Een van deze omstandigheden is dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

1.5. Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) in combinatie met artikel 29, eerste lid en onder a, Vw 2000 kunnen als vluchteling worden toegelaten vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.1. Voorop wordt gesteld dat de algehele situatie in Sri Lanka niet zodanig is dat asielzoekers die afkomstig zijn uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Derhalve zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiseres persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan waardoor zij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag.

2.2. Voor wat betreft het ontbreken van reis- of identiteitsdocumenten overweegt de rechtbank dat eiseres in het eerste gehoor heeft verklaard tijdens de reis nimmer een reisdocument in handen te hebben gehad. Tevens heeft zij verklaard tijdens de reis in het bezit te zijn geweest van een vals dan wel vervalst paspoort, welk paspoort thans in handen is van de reisagent, en van een op haar naam gestelde identiteitskaart, welke kaart zij tijdens de reis naar Nederland is verloren. Hieromtrent is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de leeftijd en de gesteldheid van eiseres, het ontbreken van deze documenten in beginsel niet aan haar is toe te rekenen. Dit gaat echter niet op voor het feit dat eiseres geen enkel ander identiteitsdocument, bijvoorbeeld een geboorteakte, heeft overgelegd. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij bedoelde geboorteakte thuis in Sri Lanka heeft achtergelaten. Nu eiseres het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder haar het ontbreken van dit document terecht toegerekend. In het kader van de mate van de aannemelijkheid van het asielrelaas dient hiermee rekening te worden gehouden.

2.3. Gesteld noch gebleken is dat eiseres haar land heeft verlaten vanwege een objectieve of subjectieve vrees voor vervolging door de Sri Lankaanse autoriteiten. De rechtbank begrijpt de door eiseres weergegeven gebeurtenissen aldus, dat de militairen in de laatste vier jaar van haar verblijf in Sri Lanka een aantal keren bij haar zijn langsgeweest om informatie te verkrijgen over de verblijfplaats van haar kinderen die zich hadden aangesloten bij de LTTE, en dat dit gepaard ging met een zekere mate van dreiging met geweld. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap, waarbij mede in aanmerking is genomen dat de negatieve aandacht van de militairen niet stelselmatig op haar was gericht, en dat eiseres de laatste anderhalf jaar voor vertrek geen problemen heeft ondervonden.

2.4. In artikel 3 van het EVRM is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Eiseres heeft gesteld dat zij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met genoemde bepaling.

Hiertoe heeft eiseres een beroep gedaan op het bepaalde in C8 Vc 2000. In dit hoofdstuk van de Vc 2000 is bepaald dat degene die een beroep doet op het daarin neergelegde beleid de bewijslast draagt inzake het beweerde reële risico op schending van artikel 3 EVRM. Hieromtrent is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet geslaagd is om bedoeld risico aannemelijk te maken. Zij is een aantal malen bezocht door de militairen. Hierna is eiseres geruime tijd ongemoeid gelaten. Het is niet aannemelijk dat de militairen nogmaals zullen trachten om eiseres onder druk te zetten teneinde de door hen gewenste informatie, waarvan hun immers duidelijk zou moeten zijn dat eiseres deze niet bezit, te verkrijgen. Het is niet aannemelijk, zeker gezien de leeftijd van eiseres, dat zij wordt verdacht van concrete betrokkenheid bij de LTTE. Het ambtsbericht van 15 mei 2002 wijst niet in een andere richting.

2.5. Eiseres heeft in het kader van de toetsing aan artikel 3 EVRM tevens een beroep gedaan op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake D. tegen het Verenigd Koninkrijk (uitspraak nummer 0030240/96 van 2 mei 1997, beter bekend als 'St Kitts'). Het beroep hierop faalt in deze procedure aangezien uitzetting nog niet aan de orde is zolang nog niet definitief is beslist in de reguliere procedure. Tevens heeft eiseres in dit kader het rapport van het BMA aangehaald, waarin wordt gesteld dat voor eiseres opvang noodzakelijk is in Sri Lanka. De rechtbank zal hieromtrent geen oordeel geven aangezien dit rapport niet ter toetsing staat in de onderhavige procedure, doch in de nog lopende reguliere procedure.

2.6. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat, mede gezien het hierboven onder IV.2.3 overwogene betreffende vluchtelingschap, niet kan worden aangenomen dat eiseres bij terugkeer in de bijzondere aandacht van de autoriteiten zal staan. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat eiseres blijkbaar, op de binnenlandse vlucht voorafgaand aan de uitreis, na aankomst op het vliegveld van Colombo geen problemen heeft ondervonden.

2.7. Voorts dient te worden beoordeeld of verweerder na ambtshalve onderzoek terecht heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om eiseres in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning vanwege klemmende redenen van humanitaire aard. Namens eiseres is een beroep gedaan op het door verweerder gevoerde traumatabeleid. Dit, in hoofdstuk C1/4.2 Vc 2000 neergelegde, beleid ziet op gevallen waarin de persoonlijke beleving van bepaalde gebeurtenissen zodanig traumatiserend is geweest dat niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres geen geslaagd beroep doen op dit beleid, aangezien het verband tussen haar lichamelijke en geestelijke klachten en de bezoeken van de militairen niet aannemelijk is gemaakt. Ook het beleid inzake bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, zoals neergelegd in C1/4.4.24 Vc 2000, gaat niet op voor eiseres, reeds omdat niet voldaan is aan de voorwaarde dat bedoelde klemmende redenen verband dienen te houden met het asielrelaas.

3.1. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Niet is gebleken dat het bestreden besluit in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

3.2. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden, dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, voorzitter, en mr. O.L.H.W.I. Korte en mr. P. van Steijnen, rechters, en uitgesproken in het openbaar op 13 september 2002, door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman, griffier.

Afschrift verzonden op: 16 september 2002

Conc.: hh

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.