Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2277

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
AWB 02/79372 BEPTDN H
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AF9178
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan / categoriaal beschermingsbeleid.

De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft zich op basis van het ambtsbericht van 19 augustus 2002 op het standpunt gesteld dat terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Afghanistan niet van een bijzondere hardheid is. Hij heeft besloten tot beëindiging van het besluit- en vertrekmoratorium ten aanzien van Afghaanse asielzoekers. In de beleidswijziging zijn de in artikel 3.106 Vb 2000 genoemde indicatoren betrokken. Ten aanzien van de in artikel 3.106, onder a, Vb 2000 genoemde indicator concludeert de rechtbank dat uit het ambtsbericht blijkt dat de nieuwe centrale regering slechts gezag heeft in Kaboel en directe omgeving. Buiten Kaboel is sprake van een niet door de centrale regering gecontroleerde situatie waarin diverse lokale krijgsheren, rivaliserende commandanten, Taliban- en Al Qaida-eenheden en andere groeperingen zich schuldig maken aan vele geweldplegingen en mensenrechtenschendingen waarvan burgers slachtoffer worden en waartegen de centrale regering geen bescherming kan bieden. De situatie in en rond Kaboel is naar het oordeel van de minister voldoende veilig voor afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid en is bij de beslissing daartoe een zwaarwegende factor geweest. De rechtbank stelt vast dat de situatie in Kaboel als gevolg van de aanwezigheid van ISAF als relatief veilig, maar tevens als gespannen wordt omschreven. In dat verband is aangegeven, onder verwijzing naar een reeks van incidenten, dat bepaalde groeperingen het staatsvormingsproces in Afghanistan willen ondermijnen. De situatie is temeer gespannen, omdat zich nog steeds Taliban- en Al Qaida-eenheden rond de hoofdstad bevinden en er sprake is van diverse incidenten waarbij ook de burgerbevolking slachtoffer is aldus het ambtsbericht. Dit beeld wordt bevestigd in de brief van Amnesty International van 16 oktober 2002. Wat betreft de activiteiten van internationale organisaties betreft stelt de rechtbank vast dat, gezien de feitelijke terugkeer van grote aantallen Afghanen uit buurlanden, asielzoekers volgens UNHCR actief kunnen worden voorgelicht over de mogelijkheden van vrijwillige terugkeer. Uit onder meer het ambtsbericht komt echter een ander beeld van de stabiliteit in het land naar voren. Human Rights Watch en Amnesty International achten de situatie in Afghanistan niet voldoende stabiel en hebben UNHCR opgeroepen nog niet te beginnen met terugkeer van vluchtelingen naar Afghanistan. Ten aanzien van de in artikel 3.106, onder c, Vb 2000 genoemde indicator concludeert de rechtbank dat het beleid van de ons omringende EU-landen geen eenduidig beeld te zien geeft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van het ambtsbericht in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de situatie in Afghanistan thans zodanig is dat de terugkeer van afgewezen asielzoekers uit dat land niet van bijzondere hardheid wordt geacht en dat verweerder derhalve in redelijkheid niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat het categoriale beschermingsbeleid kan worden beëindigd. Voorts heeft verweerder evenmin in redelijkheid tot zijn beleidswijziging kunnen komen zonder acht te slaan op de algemene humanitaire situatie in Kaboel. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.106
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

U I T S P R A A K

artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 79372 BEPTDN H (beroep)

inzake: A, geboren op [...] 1958, van Afghaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. L. Catakli, advocaat te Wassenaar,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

gemachtigde: mr. E. Brakke, werkzaam bij de onder verweerder resorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 17 oktober 2002 (IND nr.: 0210.13.4001) is de aanvraag van eiser van 14 oktober 2002 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 17 oktober 2002 beroep ingesteld alsmede een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

1.2 Bij uitspraak van 31 oktober 2002, kenmerk AWB 02/79370 BEPTDN H, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats voornoemd verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 7 november 2002. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Eiser was niet ter zitting aanwezig. Ter zitting is de onderhavige zaak gevoegd behandeld met de zaak met kenmerk AWB 02/75219 BEPTDN H.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzing van de aanvraag in rechte stand kan houden.

2.2 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.3 Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, b, c en d Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw worden verleend aan de vreemdeling:

a) die verdragsvluchteling is;

b) die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde reden heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c) van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d) voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.4 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.5 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag – samengevat en voor zover van belang - het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Jalalabad, Afghanistan, behoort tot de bevolkingsgroep der Pashtun en is soeniet. Twintig dagen voor zijn vertrek naar Nederland, op 4 september 2002, is de winkel van eiser ’s nachts geplunderd. Twee dagen na deze plundering kwam een groep gewapende en gemaskerde mannen ’s nachts naar het huis van eiser. Eiser hield zich schuil en aan zijn familieleden werd gevraagd waar hij was. Hierna zijn de mannen nog ongeveer 15 keer, altijd ’s nachts, teruggekomen, maar eiser kon zich telkens op tijd verschuilen. Soms werden familieleden van eiser geslagen door deze groep. Eiser is een paar keer naar de politie gegaan om aangifte te doen, maar hier is niets mee gedaan. Vanwege de angst om door deze onbekende groep mannen vermoord te worden is eiser met de hulp van een reisagent naar Nederland gevlucht.

2.6 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw. In het bestreden besluit overweegt verweerder dat eiser geen documenten heeft overgelegd ter staving van zijn identiteit, nationaliteit en reisroute, hetgeen hem wordt aangerekend. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel dat hij een reëel risico loopt bij terugkeer naar Afghanistan te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke vernederingen of bestraffingen. Voorts acht verweerder onaannemelijk dat van eiser, als gevolg van traumatische ervaringen die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar zijn land van herkomst. Tenslotte heeft verweerder overwogen dat terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst niet van bijzondere hardheid is.

2.7 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat uit zijn relaas blijkt dat hij wel degelijk te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser stond in de negatieve aandacht van personen die het specifiek op hem hadden voorzien. Eiser heeft in verband daarmee moeten onderduiken. Tevergeefs heeft eiser bij de autoriteiten om bescherming verzocht. Voorts loopt eiser bij gedwongen terugkeer naar Afghanistan het reële risico te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte het categoriale beschermingsbeleid heeft afgeschaft.

2.8 De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het beroep tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b en c, Vw

2.9 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de problemen die eiser heeft ondervonden zijn terug te voeren op de vervolgingsgronden zoals genoemd in het Vluchtelingenverdrag. Hierbij verwijst de rechtbank naar het nader gehoor van eiser, waarin hij heeft verklaard dat zijn winkel is geplunderd omdat hij de meeste goederen bezat. Voorts heeft hij verklaard niet te weten wat de reden was van de huisbezoeken van de gewapende groepering en of er een verband bestaat tussen de plundering van zijn winkel en die huisbezoeken. Op grond van het voorgaande heeft verweerder op goede gronden het standpunt ingenomen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

2.10 Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van eiser, omtrent de (achtergrond van de) problemen die hij heeft ondervonden, onvoldoende concreet zijn om aannemelijk te achten dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen dan wel aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

2.11 Niet gebleken is van gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, zodat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van die bepaling.

Ten aanzien van het beroep tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

2.12 Bij de beoordeling van dit onderdeel van het beroep heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de volgende, door partijen overgelegde dan wel bij de rechtbank ambtshalve bekende stukken inzake de situatie in Afghanistan:

* het algemeen ambtsbericht Afghanistan van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 augustus 2002;

* de brief van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 september 2002 (TK 2001-2002, 19 637, nr. 680);

* de brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 10 september 2002 (TK 2001-2002, 27 925, nr. 67);

* het verslag van een algemeen overleg op 12 september 2002 van de vaste commissies voor Justitie en voor Buitenlandse Zaken met de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (TK 2002-2003, 19 637, nr. 685);

* het verslag van het debat op 12 september 2002 tussen de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (Handelingen TK 2001-2002, pp. 98-5798/98-5808); * een notitie van de UNHCR van 10 juli 2002, getiteld „UNHCR Note on Basic Considerations Regarding Returns to Afghanistan from Non-Neighbouring States“;

* brieven van Amnesty International, Afdeling Nederland, van 3 september 2002 en 16 oktober 2002;

* een rapport van de Deense Udlaendingestyrelsen van 10 september 2002, getiteld „Political Conditions, Security and Human Rights Situation in Afghanistan“;

* een overzicht uit de World Refugee Survey betreffende Afghanistan van 12 juni 2002;

* een rapport van de Commissie voor de mensenrechten van de VN van 12 juli 2002 betreffende de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan;

* krantenberichten uit het NRC Handelsblad van 25 juli , 8 augustus en 9 oktober 2002;

* een krantenbericht uit Trouw van 8 juli 2002.

2.13 Verweerder heeft zijn standpunt, dat terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst niet van bijzondere hardheid is, gebaseerd op de beëindiging van het categoriaal beschermingsbeleid inzake Afghanistan, zoals aangegeven in zijn brief van 9 september 2002 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In deze brief heeft verweerder, zich baserend op informatie uit het ambtsbericht van 19 augustus 2002, overwogen dat er een algemene positieve ontwikkeling is waar te nemen in Afghanistan. De Loya Jirga is op 18 juni 2002 afgesloten, waarbij alle afspraken van het Akkoord van Bonn zijn nagekomen. Hamid Karzai is als interim staatshoofd benoemd en de structuur en invulling van de belangrijkste posities in het kabinet zijn door de vergadering goedgekeurd. De resultaten van de Loya Jirga zijn op 26 juni 2002 door de VN Veiligheidsraad bekrachtigd door de unanieme aanname van de VN Veiligheidsresolutie 1419. Het wederopbouwproces komt langzaam van de grond. Er wordt geïnvesteerd in de opbouw van een nationaal leger, politie en een veiligheidsdienst. Er is besloten tot het opzetten van een viertal commissies die zorg moeten dragen voor het opzetten van een functionerend rechtssysteem. De situatie voor vrouwen in Afghanistan is sterk verbeterd in die zin dat er thans niet langer sprake is van wetgeving die de vrijheid van vrouwen inperkt.

Voorts is de veiligheidssituatie in Afghanistan volgens verweerder in het algemeen verbeterd. Dit laat onverlet dat de veiligheidssituatie lokaal nog zorgelijk kan zijn. De veiligheidssituatie in en om Kaboel is als gevolg van de aanwezigheid van ISAF, de internationale troepenmacht, relatief veilig. De situatie in Afghanistan is niet van dusdanige aard dat deze zou leiden tot de conclusie dat het voeren van een beleid van categoriale bescherming in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw geïndiceerd is. Hierbij is van belang dat de ernst van het geweld in het algemeen is verminderd en dat de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding als zodanig niet leiden tot de conclusie dat categoriale bescherming geboden zou moeten worden.

Wat het beleid van de andere landen van de Europese Unie betreft verwijst verweerder in zijn brief van 9 september 2002 naar het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, die onlangs het categoriaal beschermingsbeleid voor Afghaanse asielzoekers hebben beëindigd. Duitsland, Zweden en Zwitserland voeren nog wel een categoriaal beschermingsbeleid. België voert geen speciaal beschermingsbeleid. In alle landen wordt vrijwillige terugkeer gestimuleerd. Denemarken kent ook de mogelijkheid van gedwongen terugkeer. Ten aanzien van de activiteiten van internationale organisaties heeft de Minister medegedeeld dat Human Rights Watch en Amnesty International stellen dat de situatie in Afghanistan nog te onzeker en te onveilig is om vrijwillige terugkeer te stimuleren. UNHCR daarentegen stelt in haar advies van 10 juli 2002 dat het niet langer nodig is de opschorting van de procedure te continueren en dat asielzoekers actief kunnen worden voorgelicht over terugkeer. Uit het ambtsbericht blijkt dat sinds 1 maart 2002 ruim 1,6 miljoen vluchtelingen met behulp van UNHCR vrijwillig naar Afghanistan zijn teruggekeerd.

Op 12 september 2002 heeft de Tweede Kamer tijdens een debat met de Minister ingestemd met de beëindiging van het categoriale beschermingsbeleid.

2.14 Eiser heeft zijn grief dat verweerder ten onrechte het categoriale beschermingsbeleid heeft beëindigd onder meer als volgt onderbouwd.

Uit het ambtsbericht van 19 augustus 2002 blijkt dat zowel de veiligheidssituatie als de sociale, economische en medische situatie in Afghanistan slecht is. Uit andere overgelegde bronnen blijkt evenwel van een nog meer zorgelijke situatie. De Minister schetst in zijn brief van 9 september 2002 een te rooskleurig beeld van de feitelijke situatie in Afghanistan. Voorts is eiser van oordeel dat het ambtsbericht ten opzichte van de voorgaande ambtsberichten van 31 januari 2002 en 14 juni 2002 geen blijk geeft van een positieve verandering in Afghanistan, althans niet in die mate dat afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid gerechtvaardigd is. De Minister lijkt de beleidswijziging met name te baseren op de politieke situatie in Afghanistan, waarbij hij onvoldoende acht slaat op de hiervoor weergegeven feitelijke stand van zaken. Voorts blijkt uit de brief van Amnesty International van 16 oktober 2002 dat de veiligheidssituatie in Kaboel sinds de totstandkoming van het ambtsbericht gespannen is door bomaanslagen en andere incidenten. Bovendien is op 6 november 2002 besloten tot stationering van 400 extra militairen in Kaboel. Dit is een significante toename van het huidige aantal van 250 gestationeerde militairen, hetgeen eveneens duidt op een verslechterde veiligheid in en rond Kaboel. Op dit punt is het ambtsbericht dan ook niet meer als een juiste weergave van de feitelijke situatie te beschouwen.

Ten aanzien van de activiteiten van internationale organisaties is de Minister bij zijn beleidswijziging voorbij gegaan aan het standpunt van Amnesty International en Human Rights Watch. Voorts blijkt uit het verslag van het algemeen overleg op 12 september 2002 dat de Minister zijn beleidswijziging mede baseert op het UNHCR standpunt. Uit de notitie van 10 juli 2002 blijkt echter dat (ook) de UNHCR pleit voor vrijwillige en geen gedwongen terugkeer en dat mensen uit onveilige gebieden en personen behorend tot bepaalde etnische minderheden naar het oordeel van de UNHCR speciale bescherming behoeven. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door UNHCR voorgestane vrijwillige terugkeer verband houdt met de slechte humanitaire omstandigheden in Afghanistan. Hieruit volgt dat de Minister, die zijn beleidswijziging baseert op het standpunt van de UNHCR, ook de humanitaire omstandigheden in Afghanistan bij zijn beleidswijziging had dienen te betrekken.

Ten aanzien van het beleid dat door de andere landen van de Europese Unie wordt gevoerd voert eiser aan dat Duitsland, waarmee Nederland samenwerkt in Afghanistan, nog wel een categoriaal beschermingbeleid voert.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.15 Volgens vaste jurisprudentie wordt de vraag of een asielzoeker op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw voor toelating in aanmerking komt beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Terzake daarvan komt verweerder een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan indien geoordeeld moet worden dat verweerder, bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De rechter dient bij die toetsing het oordeel over de algehele situatie in het land van herkomst, dat tot stand pleegt te komen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in beginsel te respecteren.

2.16 In het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/36 van 10 september 2002 heeft verweerder toepassing gegeven aan het beleid dat in de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 9 september 2002 is aangekondigd. In deze brief stelt verweerder zich, op basis van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 augustus 2002, op het standpunt dat de terugkeer van afgewezen asielzoekers naar Afghanistan niet van een bijzondere hardheid is en concludeert hij tevens tot beëindiging van het op 15 december 2001 ingestelde besluitmoratorium en het op 15 februari 2002 ingestelde vertrekmoratorium. Dit beleid is ingegaan met ingang van 16 september 2002. Bij TBV 2002/39 van 16 september 2002 is daartoe eveneens het hoofdstuk „Beoordeling van asielaanvragen van asielzoekers van Afghaanse nationaliteit“ in deel C8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) opnieuw vastgesteld. Volgens voormeld onderdeel van de Vc kunnen asielzoekers uit Afghanistan, die niet op individuele gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel, geen aanspraak maken op verlening van een verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.

2.17 Dit aldus gevoerde beleid kan de toetsing in rechte slechts niet doorstaan indien het niet berust op voldoende onderzoek naar de algehele situatie in Afghanistan of moet worden geoordeeld dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat terugkeer naar, dan wel verblijf in, Afghanistan niet van bijzondere hardheid is in verband met de algehele situatie aldaar.

2.18 Voor de beoordeling van de feitelijke situatie ter plaatse heeft verweerder zich in voormelde brief van 9 september 2002 gebaseerd op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Afghanistan van 19 augustus 2002.

2.19 Naar vaste jurisprudentie kan een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze, informatie te verschaffen, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.20 Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat uit de brief van Amnesty International van 16 oktober 2002 niet kan worden afgeleid dat het ambtsbericht geen juiste weergave biedt van de veiligheidssituatie in en rond Kaboel. Ook uit het ambtsbericht blijkt dat zich in Kaboel incidenten voordoen. De rechtbank beschouwt de informatie uit de brief van Amnesty International van 16 oktober 2002, betreffende de periode na de totstandkoming van het ambtsbericht, dan ook als een bevestiging van hetgeen in het ambtsbericht omtrent de veiligheidssituatie in en rond Kaboel staat weergegeven. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van concrete aanknopingspunten die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het betreffende ambtsbericht.

2.21 Bij zijn beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw heeft verweerder, gelet op zijn brief van 9 september 2002, in ieder geval de volgende, in artikel 3.106 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) genoemde, indicatoren betrokken:

a. de aard van het geweld in het land van herkomst, met name de ernst van de schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht, de mate van willekeur, de mate waarin het geweld voorkomt en de mate van geografische spreiding van het geweld;

b. de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst indien en voor zover deze een graadmeter vormen voor de positie van de internationale gemeenschap ten aanzien van de situatie in het land van herkomst, en

c. het beleid in andere landen van de Europese Unie.

2.22 Het bepaalde in artikel 3.106 Vb vindt zijn voorgeschiedenis in het op basis van artikel 12b Vw oud ontwikkelde beleid inzake de verlening van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf, zoals weergegeven in de brief met bijlage van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie van 18 december 1997 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 18 december 1997 (TK 1997-1998, 19 637, nr. 308), de zogeheten vvtv-indicatorenbrief. Verweerder heeft in genoemde bijlage een toelichting gegeven op drie indicatoren die naar zijn mening altijd een rol spelen bij het voeren van een vvtv-beleid. Daarbij is aangegeven dat, hoewel de weging van de verschillende indicatoren van geval tot geval kan verschillen, in ieder geval zonder voorbehoud gesteld kan worden dat de eerste indicator, de aard van het geweld, in de meeste gevallen bij de oordeelsvorming van inhoudelijk groot belang zal zijn. Gelet op het gestelde in hoofdstuk C1/4.5.3.1 van de Vc 2000 heeft dit ook na invoering van de Vw 2000 nog steeds gelding.

Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 130) is aangegeven zijn de onder b en c neergelegde indicatoren enigszins gewijzigd ten opzichte van de formulering van de indicatoren in de vvtv-indicatorenbrief. Blijkens die nota is bij de onder b genoemde indicator de nadruk meer komen te liggen op de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van een land van herkomst en niet zo zeer op het standpunt van deze organisaties. Uit de Nota van Toelichting bij het Vb (Stb. 2000/497, pag. 172-173) blijkt dat daarmee niet is gezegd dat, indien een organisatie (bijvoorbeeld de UNHCR) in een land actief is, er nooit sprake kan zijn van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. In de Vc (C1/4.5.3.3) staat vermeld dat bij elke beslissing omtrent het beleid van categoriale bescherming rekening wordt gehouden met het operationeel zijn in het land van herkomst van VN-agencies, zoals UNDP, UNICEF, WHO enz. Ook met de activiteiten van de UNHCR wordt rekening gehouden voor zover ze hiervoor een graadmeter vormen. In het algemeen betekent repatriëring van ontheemden en vluchtelingen dat een beleid van categoriale bescherming niet kan zijn geïndiceerd, hoewel het bestaan van repatriëring niet moet worden gezien als een conditio sine qua non voor het niet voeren van een beleid van categoriale bescherming.

Voorts is in genoemde nota aangegeven dat het beleid in andere landen van de Europese Unie nadrukkelijker dan onder de voormalige regeling het geval was, gehanteerd zal gaan worden. In de Vc (C1/4.5.3.4) is in dit verband neergelegd dat het beleid in de ons omringende landen het zwaarst weegt, waarbij expliciet Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zweden – landen met een grote asielpopulatie – worden genoemd.

2.23 Met betrekking tot de aard van het geweld in Afghanistan overweegt de rechtbank het volgende.

In het ambtsbericht (pag. 66) wordt gesteld dat bij een analyse van de veiligheidssituatie in Afghanistan een aantal factoren van belang is. Als eerste wordt genoemd het feit dat Taliban- en Al Qaida-eenheden nog steeds actief zijn in het land en dat bijgevolg de Verenigde Staten gevechtshandelingen voeren gericht op deze eenheden. Ten tweede is door het ontbreken van een sterk nieuw centraal gezag in het land (buiten Kaboel) een machtsvacuüm ontstaan, dat is opgevuld door lokale krijgsheren, waardoor er in het gehele land sprake is van een instabiele situatie. Voorts is vermeld dat daaraan gekoppeld in het hele land toenemend banditisme kan worden waargenomen, dat zich uit in vormen van criminaliteit zoals berovingen en ontvoeringen waarvan vooral burgers last hebben. In het ambtsbericht wordt een overzicht gegeven van de veiligheidssituatie per regio (pag. 22 tot en met 29). Hieruit blijkt dat Centraal Afghanistan het strijdtoneel vormt van gevechten tussen lokale krijgsheren, waarbij ook leden van het kabinet zijn betrokken, dat er gevechten plaatsvinden tussen Tadzjieken en Hazara’s, dat aanvallen plaatsvinden op coalitietroepen en ngo’s, waarbij raketten ook op civiele doelen terechtkomen en dat ngo’s geadviseerd wordt op sommige wegen gebruik te maken van gewapende escortes. In Oostelijk Afghanistan bevinden zich nog enkele duizenden Taliban- en Al Qaida-strijders en –aanhangers, wat regelmatig tot schermutselingen met coalitie-eenheden leidt. Jalalabad is diverse malen met raketten bestookt. Het aantal berovingen aldaar is toegenomen. In Gardez is strijd om het gouverneurschap gaande dat met gevechten gepaard gaat. Westelijk Afghanistan wordt relatief goed genoemd. Niettemin vinden daar gevechten plaats tussen lokale krijgsheren, ontvluchten Pashtuns hun woongebieden wegens gewelddadigheden jegens hen en worden de wegen in Westelijk Afghanistan onveilig bevonden. In Noordelijk Afghanistan is een situatie van anarchie ontstaan, waarbij met name Pashtuns het slachtoffer worden. Er zijn aanhoudende gevechten tussen lokale krijgsheren. Er zijn berichten van seksueel geweld, gedwongen rekrutering, mishandeling en berovingen door gewapende troepen. In Noordoostelijk Afghanistan is het rustig, al zijn er berichten van schermutselingen tussen lokale commandanten en krijgsheren, terwijl het aantal berovingen stijgt. In Zuidelijk Afghanistan is sprake van toenemende activiteiten van Taliban- en Al Qaida-eenheden, zijn er schermutselingen en fricties tussen lokale krijgsheren en commandanten, is er sprake van stijgende criminaliteit en worden burgers gewaarschuwd met name ’s nachts de wegen te vermijden. Voor geheel Afghanistan geldt voorts (zie pag. 45 van het ambtsbericht) dat de meeste reismogelijkheden in de praktijk worden beperkt door oorlog, banditisme, landmijnen of verwoeste infrastructuur en het geringe aantal vluchten.

Met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Afghanistan meldt het ambtsbericht dat deze zorgelijk is. De mensenrechtenschendingen in het huidige Afghanistan zijn gedeeltelijk toe te schrijven aan de doorwerking van 23 jaar binnenlandse gewapende conflicten. Daarnaast hangen zij samen met de machtsverhoudingen die aan het ontstaan zijn of die bevochten worden. Mensenrechten worden in het huidige Afghanistan zowel geschonden door groepen die niet door de regering worden gecontroleerd, als door groepen die aan de regering verbonden zijn.

2.24 De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de nieuwe centrale regering slechts gezag heeft in Kaboel en directe omgeving, waar de veiligheidssituatie gespannen is en waar zich met zekere regelmaat gewelddadige incidenten voordoen. Buiten Kaboel is sprake van een niet door de centrale regering gecontroleerde situatie waarin diverse lokale krijgsheren, rivaliserende commandanten, Taliban- en Al Qaida-eenheden en andere groeperingen zich schuldig maken aan vele geweldplegingen en mensenrechtenschendingen waarvan burgers slachtoffer worden en waartegen de centrale regering geen bescherming kan bieden.

2.25 Ter zitting heeft verweerder het standpunt van verweerder omtrent de veiligheidssituatie in Afghanistan als volgt nader toegelicht. Uit het ambtsbericht blijkt dat Kaboel relatief veilig is door de aanwezigheid van de internationale troepenmacht ISAF. Wat betreft de overige regio’s is sprake van een machtsvacuüm en een fluïde situatie. Voor zover asielzoekers niet willen of kunnen terugkeren naar die regio’s, kunnen zij terecht in het veilig geachte gebied. De situatie in en rond Kaboel is naar het oordeel van verweerder voldoende veilig voor afschaffing van het categoriale beschermingsbeleid en is bij de beslissing daartoe een zwaarwegende factor geweest.

2.26 De rechtbank stelt vast dat in het ambtsbericht weliswaar wordt vermeld dat de situatie in Kaboel als gevolg van de aanwezigheid van ISAF relatief veilig is, maar dat deze tevens als gespannen wordt omschreven. In dat verband is aangegeven, onder verwijzing naar een reeks van incidenten, dat bepaalde groeperingen het staatsvormingsproces in Afghanistan willen ondermijnen. De situatie is temeer gespannen, aldus het ambtsbericht, omdat zich nog steeds Taliban- en Al Qaida-eenheden rond de hoofdstad bevinden en er sprake is van diverse incidenten waarbij ook de burgerbevolking slachtoffer is. Dit beeld wordt bevestigd in de brief van Amnesty International van 16 oktober 2002, waarin op pagina 3 een aantal incidenten staat weergegeven dat zich na de verslagperiode van het ambtsbericht (die loopt van november 2001 tot begin augustus 2002) in Kaboel heeft voorgedaan. Zo zijn op 5 september 2002 26 burgers bij een bomaanslag om het leven gekomen. Voorts werden in de tweede helft van augustus binnen tien dagen vijf bomaanslagen gepleegd. Op 17 augustus 2002 vond een explosie plaats bij het Ministerie van Telecommunicatie. Op 20 augustus 2002 werd een bom aangetroffen in de onmiddellijke omgeving van een drukke markt. Op 25 augustus 2002 vielen twee gewonden bij een bomaanslag op een pension. Op 29 augustus 2002 werd een kind gewond bij een bomexplosie in een verlaten gebouw. Op 1 september 2002 tenslotte vielen een dode en drie gewonden bij een explosie bij de voormalige Sovjetambassade.

2.27 Wat betreft de activiteiten van internationale organisaties stelt de rechtbank vast dat, naar uit de brief van 10 juli 2002 blijkt, de UNHCR het eerder in februari 2002 gegeven advies om de behandeling van lopende asielaanvragen te bevriezen heeft ingetrokken en dat asielzoekers actief kunnen worden voorgelicht over de mogelijkheden voor vrijwillige terugkeer. Dit standpunt is blijkens genoemde brief ingegeven door de feitelijke terugkeer van grote getalen Afghanen uit de buurlanden Pakistan, Iran en Tajikistan, alsmede gebaseerd op het oordeel dat de situatie in grote delen van het land zich stabiliseert. Vastgesteld wordt dat het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 19 augustus 2002, alsmede de overige geraadpleegde stukken, een ander beeld van de stabiliteit in het land schetsen. Bovendien blijkt uit het ambtsbericht (pag. 63) dat Human Rights Watch op 23 juli 2002 heeft laten weten het nog veel te vroeg te vinden om zelfs vrijwillige terugkeer naar Afghanistan te promoten en UNHCR heeft opgeroepen het onlangs uitgebrachte advies terzake te herroepen. Volgens Human Rights Watch zou de boodschap van UNHCR dat de condities in Afghanistan voldoende stabiel zijn voor grootschalige terugkeer misleidend zijn en niet overeenkomen met de omstandigheden in het land. Deze organisatie wijst er tevens op dat UNHCR nog onlangs regeringen heeft opgeroepen niet met terugkeer te beginnen, voordat de situatie in Afghanistan gestabiliseerd is. Ook Amnesty International riep UNHCR in juli 2002 op nog niet te beginnen met de terugkeer van vluchtelingen naar Afghanistan, omdat de situatie in het land nog onzeker en onveilig is. Daar komt bij, zoals uit meergenoemd ambtsbericht blijkt (pag. 59), dat door het grote aantal terugkerende Afghanen uit de buurlanden organisaties zoals de UNHCR in financiële problemen zijn geraakt en terugkeerprogramma’s dreigen te stagneren, terwijl hulporganisaties in delen van het land ook ernstig hinder ondervinden van de slechte veiligheidssituatie.

2.28 Ten aanzien van de derde in artikel 3.106 Vb genoemde indicator stelt de rechtbank vast dat, naar uit het ambtsbericht (pag. 63 tot en met 65) blijkt, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken onlangs hun categoriaal beschermingsbeleid hebben afgeschaft, België geen categoriaal beschermingsbeleid kent en dat er geen aanwijzingen zijn dat Duitsland, Zweden en Zwitserland op korte termijn tot afschaffing van het categoriaal beschermingsbeleid zullen overgaan. De rechtbank concludeert dat het beleid van de ons omringende EU-landen geen eenduidig beeld te zien geeft.

2.29 In zijn brief van 9 september 2002 heeft verweerder er voorts op gewezen dat er een algemene positieve ontwikkeling in Afghanistan valt waar te nemen. Dergelijke, met name politieke, ontwikkelingen zijn niet expliciet als uitgangspunt voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid geformuleerd. Zo deze een rol hebben gespeeld dan kan daaraan, naar het oordeel van de rechtbank, slechts betekenis toekomen indien die ontwikkelingen zich op enigerlei wijze in de realiteit hebben vertaald. Uit het ambtsbericht van 19 augustus 2002 blijkt echter (pag. 38 tot en met 40) dat deze ontwikkelingen nog nauwelijks tot enig concreet resultaat hebben geleid. Tegenover de benoeming van Hamid Karzai als staatshoofd staat dat de provinciale machthebbers niet bereid lijken te zijn om hun politieke en economische posities op te geven. De opbouw van een nationaal leger, politie en veiligheidsdienst heeft te lijden onder een gebrek aan middelen enerzijds en fragmentatie van het gezag anderzijds, waarbij personen loyaal zijn aan de eigen lokale commandanten in plaats van aan de centrale regering. Ook de wederopbouw van Afghanistan heeft te lijden onder een gebrek aan middelen, zowel door het uitblijven van de toegezegde donaties door de internationale gemeenschap als door het achterhouden van belastinginkomsten door de regionale krijgsheren. Geen van de in het leven geroepen commissies om te komen tot een functionerend staatsapparaat en rechtssysteem is thans al operationeel. Ten aanzien van vrouwen is de wetgeving weliswaar verbeterd, maar is de feitelijke situatie in grote delen van Afghanistan niet wezenlijk veranderd. Vrouwen die zich uit conservatief oogpunt onislamitisch of immoreel gedragen lopen volgens het ambtsbericht nog altijd gevaar het slachtoffer te worden van geweld.

2.30 Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op basis van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de situatie in Afghanistan thans zodanig is dat de terugkeer van afgewezen asielzoekers uit dat land niet van bijzondere hardheid wordt geacht en dat verweerder derhalve in redelijkheid niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat het categoriale beschermingsbeleid kan worden beëindigd.

2.31 Ook op andere grond kan verweerders standpunt de toetsing in rechte niet doorstaan. Verweerders beleid is in overwegende mate gebaseerd op de relatief veilige situatie in en rond Kaboel, een gebied van beperkte omvang. Omtrent de humanitaire omstandigheden in en rond Kaboel staat in het ambtsbericht (pag. 58 en 59) vermeld dat de massale terugkeer van Afghaanse vluchtelingen naar Kaboel zorgt voor een toenemende druk op de huisvesting en infrastructuur van de hoofdstad, die daarop in het geheel niet is berekend. Hulporganisaties waarschuwen voor het uitbreken van epidemieën en de toename van ziektes die het gevolg zijn van een verslechterde hygiëne in de stad. Naar inschatting van UNHCR en UNAMA zal de bevolking van Kaboel in 2003 verdubbeld zijn en Kaboel gaandeweg tot een krottenwijk verworden, indien hier thans geen structurele maatregelen tegen worden getroffen. Zoals hierboven al is aangegeven blijken hulporganisaties door het onverwacht grote aantal terugkeerders in financiële problemen te zijn geraakt en dreigen de terugkeerprogramma’s te stagneren.

In de notitie over het beleid van categoriale bescherming van 23 mei 2001 (TK 2000-2001, 19 637, nr. 588) (p. 4) is vermeld dat het bij de indicator „aard van het geweld“ in het algemeen gaat om menselijk (oorlogs)geweld en niet op de algemene humanitaire situatie in een bepaald land. De algemene humanitaire situatie zal, aldus de notitie, in beginsel geen aanleiding kunnen vormen voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming. Daartoe is overwogen dat niet goed denkbaar is dat de algemene humanitaire situatie in een land zodanig is dat voor alle burgers in dat land, naar plaatselijke maatstaven gemeten, een categoriale noodsituatie bestaat, „dat wil zeggen dat er in zijn algemeenheid een categoriaal risico voor lijf en leden bestaat tengevolge van de algemene humanitaire situatie.“ De rechtbank begrijpt hieruit dat die algemene humanitaire situatie wel een rol kan spelen indien die zodanig is dat een categoriaal risico voor lijf en leden bestaat.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenmin in redelijkheid tot de hier in geding zijnde beleidswijziging kunnen komen zonder acht te slaan op de algemene humanitaire situatie als hiervoor geschetst.

2.32 Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten de aanvraag van eiser, voor zover deze ziet op een verblijfsvergunning bepaalde tijd asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw af te wijzen, en dat het bestreden besluit in strijd met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw is genomen. Daaruit volgt tevens dat verweerder de aanvraag ten onrechte in het kader van de ac-procedure heeft afgewezen.

2.33 Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van eiser zal dan ook gegrond worden verklaard.

2.34 In dit geval is aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 17 oktober 2002;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 14 oktober 2002 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzitter, en mrs. H.C. Greeuw en A.A.F. Donders, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2002, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax als griffier.

Afschrift verzonden op: 19 december 2002

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.