Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2269

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
09-004030-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09-004030-02

rolnummer 0004

's-Gravenhage, 12 december 2002.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Groot Brittannië),

wonende te [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid, Huis van Bewaring Overmaze te Maastricht.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 november 2002.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr M.J.E. Gilsing, advocaat te

's-Gravenhage, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr G. Knobbout heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij -gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4 en 5 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen heroïne, pistolen, vuurwapens, patronen plus patroonhouder, drugs en XTC zullen worden onttrokken aan het verkeer, en dat het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen geld, oplaadapparaten, mobiele telefoons en de Citroën Xantia zullen worden verbeurdverklaard.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Ter terechtzitting is door de raadsvrouw gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in zijn vervolging vanwege het opzettelijk laat aanleveren van een aanvullend proces-verbaal d.d. 27 november 2002 opgemaakt door Politie Haaglanden aangaande verscheidene rechtshulpverzoeken vanuit Engeland. Immers is pas op 27 november jl. - daags voor de zitting - een afschrift van voornoemd proces-verbaal aan de raadsvrouw verstrekt.

De rechtbank verwerpt dit beroep op niet-ontvankelijkheid. Toegegeven kan worden dat het proces-verbaal eerder had kunnen worden opgemaakt en verstrekt. De rechtbank is echter niet gebleken van kwade opzet of bewuste misleiding door of vanwege de officier van justitie, waarvan blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad sprake moet zijn, willen verzuimen als deze tot niet-ontvankelijkheid leiden. De inhoud van dit proces-verbaal noopt niet tot de conclusie dat de verdediging door de late verschaffing in haar belangen is geschaad, ook al omdat uit het eerder aan de verdediging verstrekte dossier voldoende blijkt dat er contacten zijn geweest met de Engelse autoriteiten. De rechtbank merkt voorts op dat de verdediging evenmin heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden vanwege onvoldoende voorbereidingstijd.

Daarnaast concludeert de raadsvrouw dat niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet volgen op grond van de haars inziens onrechtmatige start van het opsporingsonderzoek. Deze onrechtmatigheid zou liggen in het feit dat er op het moment dat tegen medeverdachte [medeverdachte1] dwangmiddelen werden toegepast, er ten aanzien van hem nog geen verdenking bestond. Hoogstens was er sprake van een verdenking tegen [medeverdachte2] met wie voornoemde medeverdachte regelmatig telefoneerde zoals blijkt uit de verschillende tapverslagen. De verdediging kan echter niets in het dossier vinden dat uitsluitsel geeft over de rechtmatigheid van de verdenking tegen [medeverdachte2]. Bovendien zijn er volgens de raadsvrouw in het dossier geen aanwijzingen te vinden dat het onderzoek het gebruik van eerdergenoemde dwangmiddelen dringend vorderde, dan wel dat het anderszins in het belang van het onderzoek kon worden geacht, zoals respectievelijk artikel 126m en 126n (alsmede 126g ten aanzien van observatie) van het Wetboek van Strafvordering verlangen. Dit onderzoek waarin ook verdachte in beeld is gekomen had derhalve niet mogen plaatsvinden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Voorop staat dat noch is gebleken, noch is gesteld, dat het opsporingsonderzoek ten aanzien van [medeverdachte2] onrechtmatig is geweest. Naar aanleiding van dit onderzoek is er een verdenking gerezen tegen een ander persoon, zijnde medeverdachte [medeverdachte1], naar wie vervolgens een apart opsporingsonderzoek aanvangt, waarbij gebruik is gemaakt van dwangmiddelen, te weten stelselmatige observatie en telefoontaps. Nu medeverdachte [medeverdachte1] in die tapgesprekken optreedt en met [medeverdachte2] in verhullende taal praat, bestond naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond om ook ten aanzien van [medeverdachte1] een machtiging als bedoeld in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering af te geven, zulks mede gelet op de persoon van medeverdachte [medeverdachte1] die ten tijde van bedoelde telefoongesprekken recentelijk een detentie achter de rug had ter zake van handel in verdovende middelen, waarop ook het onderzoek ter zake van [medeverdachte2] betrekking had. In de aldus bij [medeverdachte1] opgenomen tapgesprekken komen verdachten in beeld en is ten aanzien van hen de verdenking gerezen van betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken, dat er anderszins is gehandeld in strijd met de artikelen 126m, 126n en 126g van het Wetboek van Strafvordering, zoals gesteld door de raadsvrouw. Immers waren er in het onderhavige geval kennelijk geen andere mogelijkheden voorhanden om de rechtmatige verdenking ten aanzien van de handel in verdovende middelen te staven, temeer nu moeilijk valt in te zien en door de verdediging ook niet is aangegeven, welke andere opsporingsmethode in plaats daarvan op dat moment had dienen te worden ingezet.

Voorts is door de raadsvrouw gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat gedurende het onderzoek tot twee keer toe in strijd met artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering, een partij verdovende middelen is doorgelaten, terwijl die inbeslaggenomen had moeten worden, aangezien de politie zo goed als zeker wist dat het om verdovende middelen ging. Dit ondanks de rechtshulpverzoeken vanwege de Engelse autoriteiten, waarbij werd afgesproken dat die in Engeland tot inbeslagname zouden overgaan. In beide gevallen is de partij gevolgd tot aan de boot naar Engeland, er was dus geen controle op de boot. Volgens de raadsvrouw was mede daardoor de methode niet waterdicht en is er de eerste keer ongeveer 15 kilo heroïne de markt op verdwenen.

De rechtbank verwerpt ook dit beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank concludeert op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een schending van het verbod op doorlaten, nu doorlating aan één of meer partijen in het geheel niet beoogd werd en ook niet feitelijk heeft plaatsgehad. Beoogd werd daarentegen om in overeenstemming met de Engelse autoriteiten de inbeslagname uit te stellen in het belang van het onderzoek. Dat die inbeslagname in één geval is mislukt acht de rechtbank ontoereikend om de gevolgde handelswijze onrechtmatig te achten.

De rechtbank stelt hiertoe allereerst vast dat uit het dossier - in het bijzonder uit het aanvullend proces-verbaal opgemaakt door Politie Haaglanden d.d. 27 november 2002, waarin de rechtshulpverzoeken vanwege de Engelse autoriteiten verkort en zakelijk zijn weergegeven - blijkt dat er gedetailleerde afspraken zijn gemaakt tussen de Nederlandse en de Engelse autoriteiten. Er is onder meer afgesproken dat de Engelsen na aankomst van de boot op enig moment tot inbeslagname zouden overgaan. De officier van justitie mocht er - gezien het officiële karakter van de samenwerking - in de ogen van de rechtbank op vertrouwen dat deze afspraken zouden worden nageleefd. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit vertrouwen daadwerkelijk had.

De rechtbank is voorts van oordeel dat is gebleken dat de observaties door de politie blijkens het dossier steeds zorgvuldig zijn overgedragen en dat de tweede partij in beslag is genomen zoals afgesproken. Het enkele feit dat er bij de eerste poging tot inbeslagname geen verdovende middelen zijn aangetroffen door de Engelse autoriteiten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat deze partij, in strijd met de in artikel 126ff, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verplichting tot inbeslagneming, is doorgelaten dan wel gecontroleerd is afgeleverd. Onder de gegeven omstandigheden is al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was, gedaan om ervoor te zorgen dat de verdovende middelen op een later tijdstip inbeslaggenomen konden worden. Derhalve is de inbeslagneming in het belang van het onderzoek uitgesteld, doch - gelet op het voorgaande - kennelijk met het oogmerk om op een later tijdstip daartoe over te gaan.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat indien er wel in strijd met artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering zou zijn gehandeld, verdachte, op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 2 juli 2002, LJN AD9915 en HR 28 mei 2002, LJN AE1512) in beginsel geen direct processueel belang heeft bij de naleving van dit artikel, nu dit vooral ziet op het belang van de volksgezondheid en niet zonder meer als grond kan dienen ten aanzien van een beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Bewijsverweer.

De raadsvrouw heeft op dezelfde gronden als eerder door haar zijn aangevoerd ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, gesteld dat de informatie voortgekomen uit de toegepaste opsporingsmethoden onrechtmatig is verkregen en uitgesloten moet worden van het bewijs.

De rechtbank is, op gronden als hiervoor overwogen, van oordeel dat niet is gebleken dat de gebruikte opsporingsmethoden onrechtmatig zijn toegepast en acht hierbij de overwegingen ten aanzien van de beslissing op het niet-ontvankelijkheidsverweer van overeenkomstige toepassing.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte is meermalen betrokken geweest bij de uitvoer van grote hoeveelheden (tientallen kilo's) heroïne en daarnaast zijn er bij doorzoeking van zijn woning meerdere wapens gevonden alsmede munitie bestemd voor deze wapens. Verdachte heeft bij die heroïnehandel een belangrijke organisatorische taak gehad, nu hij een onmisbare schakel was bij de aflevering en betaling van de partijen heroïne. Verdachte heeft er geen moment blijk van gegeven zich bewust te zijn welk een schadelijke gevolgen deze grootschalige handel in heroïne heeft voor de volksgezondheid. Ook de criminaliteit en overlast die deze handel met zich brengt - gevaren waar hij zich blijkens het geconstateerde wapenbezit terdege van bewust was -, hebben verdachte er niet van weerhouden eraan deel te nemen. Geldelijk gewin, het persoonlijk belang van verdachte, is hierbij de enige motiverende factor geweest. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.

Van de door de raadsvrouw bepleite doorwerking in de strafmaat van gestelde onregelmatigheden in het opsporingsonderzoek, kan volgens de rechtbank, gezien het eerder bepaalde, geen sprake zijn.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte volgens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, in Nederland niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke strafbare feiten en acht na te noemen straf passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 14 en 15 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair bewezenverklaarde feiten zijn verkregen; deze voorwerpen zijn vervaardigd dan wel bestemd tot het begaan van de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 bewezenverklaarde misdrijven; deze aan de dader of verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan; en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het maatschappelijk belang.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4, 10, 11, 12, 13 en 16 verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien de aan verdachte toebehorende voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten zijn verkregen en met behulp van deze aan verdachte toebehorende voorwerpen de onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 bewezenverklaarde feiten zijn voorbereid dan wel begaan.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

- 2, 10, 10a en 13a van de Opiumwet, en de daarbij behorende Lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair en 2 primair:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 3 primair:

EEN FEIT, BEDOELD IN HET DERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOORBEREIDEN, DOOR ZICH EN EEN ANDER GELEGENHEID, MIDDELEN EN INLICHTINGEN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT TRACHTEN TE VERSCHAFFEN EN EEN VERVOERMIDDEL EN GELDEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT;

ten aanzien van feit 4:

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;

ten aanzien van feit 5:

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III, MEERMALEN GEPLEEGD;

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT MUNITIE VAN CATEGORIE III;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 28 mei 2002,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 31 mei 2002;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 14 en 15, te weten 24 kilo heroïne, 2 pistolen (STAR en CZ), 4,30 gram drugs, 2 vuurwapens (TOKAREV en TANFOGLIO), 33 patronen plus patroonhouder, 1 gram softdrugs en 3,80 gram XTC;

verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4, 10, 11, 12, 13 en 16 te weten buitenlands geld, 4 oplaad-apparaten, 3 mobiele telefoons en een Citroën Xantia;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs De Boer, voorzitter,

Van Wesenbeeck en Nijman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Biever, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2002.