Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2208

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
09.757.368-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09.757.368-02;

's-Gravenhage, 2 december 2002.

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte :

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam, Huis van Bewaring

"Het Veer" (FOBA), H.J.E. Wenckebachstraat 48 te Amsterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 november 2002 .

De verdachte, bijgestaan door de raadsman mr A.G. Kleijweg, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich vier benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr W. Hemstede heeft gevorderd dat het telastgelegde feit bewezen zal worden verklaard, doch dat verdachte ontslagen zal worden van alle rechtsvervolging en dat de rechtbank zal gelasten dat verdachte zal worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen -hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht (gemerkt C.)- onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nrs. 1. t/m 11. worden teruggegeven aan verdachte.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van euro 250,= aan elk de vier benadeelde partijen, te weten [benadeelde partij1], [benadeelde partij2], [benadeelde partij3] en

[benadeelde partij4] als voorschot op de vorderingen en voor het overige tot niet ontvankelijk verklaring van deze vorderingen.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van vier bedragen elk groot euro 250,= subsidiair 5 dagen hechtenis ten behoeve van de hiervoor genoemde vier benadeelde partijen.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte.

Over verdachte is gerapporteerd door dr. B.A. Blansjaar, psychiater te Leiden (alsmede door mederapporteur drs. I. Allahbakhsi) en drs. G. Wesselius, psycholoog.

In hun rapporten van respectievelijk 28 oktober 2002 en 11 november 2002 komen de deskundigen tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het delict lijdende was aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens gezien het paranoïd psychotische toestandsbeeld met achtervolgingswanen. Gezien de ernstige oordeels- en kritiekstoornissen was verdachte ten tijde van het delict volledig ontoerekeningsvatbaar.

Gelet op de verhoogde kans op herhaling en het nog niet effectief behandelde toestandsbeeld is een klinische behandeling geïndiceerd.

De deskundigen adviseren dan ook verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en hem conform artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van maximaal een jaar op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.

Zij is derhalve van oordeel dat verdachte, nu de feiten hem wegens bovenstaande niet kunnen worden toegerekend, niet strafbaar is.

Verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Verdachte is eenmaal eerder in 1999 voor geweldsdelicten met politie en justitie in aanraking geweest en veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte liep hiervan nog in een proeftijd.

De rechtbank is verder op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte gevaarlijk is voor zichzelf en voor anderen en dat ten aanzien van hem de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar geboden is.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de de deskundigen blijkens hun rapportage behandeling van verdachte mogelijk achten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het vroeghulp-interventierapport van Parnassia Psycho-Medisch Centrum, afdeling van de Verslavingsreclassering van 19 augustus 2002.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, te weten :

de nrs. 1. t/m 11. teruggeven aan verdachte.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[benadeelde partij1], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van zijn vordering tot schadevergoeding, groot p.m. omdat de schade door de verzekeringsmaatschappij nog niet is afgewikkeld.

De rechtbank zal de benadeelde partij in haar vordering wegens onbepaaldheid van de vordering niet ontvankelijk verklaren.

De benadeelde partij kan zich desgewenst hiertoe tot de burgerlijke rechter wenden.

[benadeelde partij2], wonende te [woonplaats] aan de [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van zijn vordering tot schadevergoeding, groot euro 2.470,25, waarvan

euro 1.000,= als immateriële schadevergoeding.

De rechtbank is van oordeel dat de schadepost van euro 1.200,= (kosten voor het terugverhuizen) onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij hierin niet ontvankelijk zal worden verklaard.

De benadeelde partij kan zich desgewenst hiertoe tot de burgerlijke rechter wenden.

De rechtbank zal de vordering voor het overige met betrekking tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van euro 270,25 toewijzen.

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot immateriële schadevergoeding afwijzen, aangezien de artikelen 6:95 en 6:106 van het Burgerlijk Wetboek aan toewijzing van een zodanige vergoeding in een geval als dit in de weg staan.

[benadeelde partij3], wonende te [woonplaats] aan het [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd terzake van haar vordering tot schadevergoeding, groot euro 3.926,19, waarvan euro 500,= voorschot immateriële schadevergoeding.

Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat deze benadeelde partij niet verzekerd was.

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de posten 1. en 4. (respectievelijk materiaal opknappen huis en stoffering) toewijzen, doch aangezien de benadeelde partij hiervoor reeds een bedrag van euro 400,= als bijzondere bijstand heeft ontvangen, zal de rechtbank dit bedrag van het te vorderen bedrag aftrekken, zodat resteert

euro 1.592,06.

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot de posten 2., 6. en 7(respectievelijk reiskosten kinderen, oppaskosten en schade door diefstal tijdens opslag goederen) niet ontvankelijk verklaren om dit geen schade is die verdachte heeft geleden dan wel schade, die een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte gepleegde strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schadepost nr. 3. van euro 50,= (te weten geschatte telefoonkosten) onvoldoende is onderbouwd, zodat de benadeelde partij hierin niet ontvankelijk zal worden verklaard.

De benadeelde partij kan zich desgewenst hiertoe tot de burgerlijke rechter wenden.

De rechtbank zal de vordering met betrekking tot immateriële schadevergoeding afwijzen, aangezien de artikelen 6:95 en 6:106 van het Burgerlijk Wetboek aan toewijzing van een zodanige vergoeding in een geval als dit in de weg staan.

[benadeelde partij4], wonende te [woonplaats], aan de [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd

terzake van haar vordering tot schadevergoeding, groot euro 5.902,38.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering niet eenvoudig van aard is nu ten aanzien van post 1. geen facturen zijn bijgevoegd en de overige bedragen kennelijke schattingen zijn.

Dit leidt ertoe dat de benadeelde partij niet ontvankelijk zal worden verklaard.

De benadeelde partij kan zich desgewenst hiertoe tot de burgerlijke rechter wenden.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht en verdachte voor dit feit een maatregel zal worden opgelegd, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting oplegging tot betaling aan de Staat van een bedrag groot euro 270,25 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij2].

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeelde, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting oplegging tot betaling aan de Staat van een bedrag groot euro 1.592,06 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij3].

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen :

36f, 37, 57, 157 van het Wetboek van Strafrecht;

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaar-ding telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt :

OPZETTELIJK EEN ONTPLOFFING TE WEEG BRENGEN TERWIJL DAARVAN

GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

en

OPZETTELIJK EEN ONTPLOFFING TE WEEG BRENGEN TERWIJL DAARVAN

LEVENS GEVAAR VOOR EEN ANDER TE DUCHTEN IS.

verklaart het bewezene strafbaar;

verklaart verdachte niet strafbaar;

ontslaat verdachte terzake van alle rechtsvervolging;

gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar;

Verdachte is op 14 augustus 2002 in verzekering gesteld.

De rechter-commissaris heeft op 16 augustus 2002 de vordering inbewaringstelling

afgewezen.

Verdachte is toen in vrijheid gesteld.

Vervolgens is verdachte op 16 augustus 2002 opnieuw in verzekering gesteld en vervolgens

in voorlopige hechtenis gesteld op 19 augustus 2002.

gelast de teruggave van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, te weten : de nrs. 1. t/m 11.;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij1], wonende te [woonplaats] aan de [adres], niet ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding en dat hij zijn vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij2] tot een

bedrag van euro 270,25 en veroordeelt verdachte voorts :

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij2], wonende te [woonplaats] aan de [adres], een bedrag van euro 270,25, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot euro 270,25 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst af de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij2] van het bedrag van euro 1.000,=;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij2] voor het overige niet ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding, en dat hij wat dat van zijn vordering betreft deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij3]

tot een bedrag van euro 1.592,06 en veroordeelt verdachte voorts :

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij3], wonende te [woonplaats] aan het [adres], een bedrag van euro 1.592,06, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot euro 1.592,06 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij3];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt -onder handhaving van voormelde verplichting- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 31 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

wijst af de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij3] van het bedrag van euro 500,=;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij3] niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding met betrekking tot de posten 2., 3., 6. en 7. en dat zij wat deel betreft haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij4], wonende te [woonplaats], aan de [adres] niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding en dat zij deze bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs R. Elkerbout, voorzitter,

P. Oskam en H.A.G. Nijman, rechters,

in tegenwoordigheid van M.L.A. van der Togt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 december 2002.