Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2010

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-12-2002
Datum publicatie
16-12-2002
Zaaknummer
09/900698-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/900698-02

rolnummer 0007

's-Gravenhage, 16 december 2002

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans preventief gehecht in het Penitentiair Complex Scheveningen, Huis van Bewaring, Unit 2 te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 10 december 2002.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr C.L. Koets-Bolhuis, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich twee benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr Kole heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan verdachte.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van $ 690,= Cdn. en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

De bewijsmiddelen.

P.M.

Bewijsoverweging.

De raadsvrouw stelt dat er ten aanzien van hetgeen verdachte onder 2 is telastgelegd niet voldoende wettig bewijs is voor het binnendringen door verdachte bij [benadeelde partij 2]. Zij stelt dat het slachtoffer niet heeft verklaard dat verdachte met zijn vingers haar vagina is binnengedrongen, maar deze slechts met zijn vingers heeft opengehouden. Daarnaast zou de verklaring van verdachte dienaangaande tegenover de politie zijn afgelegd toen verdachte zich in een gemoedstoestand bevond van een zeer sterk schuldbesef ("mea maxima culpa"), aldus de raadsvrouw.

Anders dan de raadsvrouw stelt, zegt [benadeelde partij 2] in haar aangifte letterlijk: "Ik voelde dat hij met meerdere vingers gedeeltelijk in mijn vagina drong". Daarnaast heeft verdachte ter terechtzitting herhaald dat hij met meerdere vingers in de vagina van [benadeelde partij 2] is binnengedrongen en haar heeft gevingerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er ten aanzien van hetgeen verdachte onder 2 telastgelegd is voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich onder invloed van een toenemende mate van wanhoop over zijn mislukkingen om een normale relatie met een vrouw aan te gaan, zijn behoefte aan intimiteit en een sterke seksuele drang in de duinen aan meerdere jonge vrouwen vergrepen. Het begon met een door verdachte uitgekozen meisje, dat verdachte bij haar arm beetpakte, omdat hij seks met haar wilde. Dit meisje begon echter te gillen, rukte zich los en rende weg. Verdachte zegt zelf dat hij hieruit had geleerd dat hij zijn slachtoffers voortaan de mond moest snoeren en steviger moest beetpakken. Ruim een week later heeft hij weer een meisje uitgekozen om - zoals hij dat zelf zegt - seks mee te hebben. Hij pakte haar bij haar nek in een wurggreep vast, waardoor zij flauwviel. Vervolgens sleepte verdachte haar naar een afgelegen duinpan. Aldaar heeft hij haar ontkleed en zichzelf gedeeltelijk ontkleed en heeft hij haar bruut verkracht. Zijn slachtoffer was een 16-jarig meisje, dat op deze afschuwelijke wijze werd ontmaagd. Een kleine maand later vergreep verdachte zich aan een jonge vrouw. Ook deze vrouw pakte hij in een wurggreep, waarna hij haar gedeeltelijk ontkleedde en probeerde te verkrachten. Het lukte verdachte echter niet om voldoende opgewonden te geraken en met zijn penis bij haar binnen te dringen, waarop hij haar met zijn vingers penetreerde en zichzelf aftrok. Het slachtoffer heeft bij dit alles letterlijk in doodsangst verkeerd.

Zedenmisdrijven vormen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en kunnen leiden tot blijvende psychische schade. Dit geldt te meer als daarbij, zoals bij twee van de bewezenverklaarde feiten het geval was, grof geweld is toegepast.

Het handelen van verdachte heeft er toe geleid dat de slachtoffers zich ook nu nog ernstig aangetast voelen in hun integriteit en daarvan negatieve gevolgen in hun gevoelsleven ervaren. Verdachte is daaraan volledig voorbij gegaan en had uitsluitend oog voor de bevrediging van zijn eigen lusten. Het onvermogen van verdachte zich in te leven in de gevoelens van zijn slachtoffers is nog eens schrijnend gebleken toen hij één daarvan vanuit het huis van bewaring met (liefdes-)brieven is gaan bestoken.

De rechtbank heeft achtgeslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 26 augustus 2002. Daaruit blijkt dat verdachte al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, zij het niet voor feiten als de onderhavige.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het pro justitia-rapport van psycholoog prof. dr. R. Bullens d.d. 28 november 2002. De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van een gemankeerd vermogen om met intimiteit om te gaan. Verdachte dient echter volledig toerekeningsvatbaar te worden geacht, mede gelet op de mate van planning/voorbereiding en het feit dat hij het wederrechtelijke van zijn handelen wel degelijk heeft beseft. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

Verdachte heeft zelf aangegeven een TBS als mogelijkheid te zien. Mede gelet op het feit dat verdachte zeer gemotiveerd is voor behandeling, lijkt het opleggen van een dwangmaatregel evenwel niet geïndiceerd volgens de psycholoog. Hij adviseert een deels voorwaardelijke straf met daarnaast een behandeling in de Waag als bijzondere voorwaarde en een zo langdurig mogelijk reclasseringscontact. De psycholoog adviseert tevens dat te overwegen valt om tijdens de eventueel op te leggen detentie al aan te vangen met pre-behandeling, teneinde verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 26 november 2002, waarin mevrouw G.I. Lefevre in samenspraak met prof. Bullens adviseert in ieder geval de behandeling van verdachte te doen aanvangen in de penitentiaire inrichting. Zij denkt vooralsnog aan voortzetting van behandeling als opgelegde voorwaarde.

De rechtbank heeft, gelet op het hiervoor overwogene, voor de lastige taak gestaan een straf te bepalen die hier passend en geboden is. De rechtbank is er met voornoemde rapporteurs van overtuigd dat verdachte dringend behandeling nodig heeft. Deze behandeling kan echter niet in de vorm van TBS, zoals verdachte zelf heeft geopperd, aangezien hij volledig toerekeningsvatbaar is voor zijn daden. De rapporteurs adviseren de behandeling als bijzondere voorwaarde aan een voorwaardelijke straf te verbinden. Deze mogelijkheid staat echter slechts open bij een gevangenisstraf voor de duur van maximaal 3 jaren. Aangezien de rechtbank een gevangenisstraf van zodanige duur geen recht vindt doen aan de ernstige vergrijpen die verdachte heeft gepleegd, is deze mogelijkheid uitgesloten. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren wordt opgelegd en dat hij zelfstandig binnen de penitentiaire inrichting zijn behandeling moet opstarten en voortzetten. De rechtbank is echter van oordeel dat de behandeling van verdachte, mede gelet op het belang om herhaling van dit soort afschuwelijke feiten te voorkomen, geen vrijblijvend karakter dient te hebben. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde delicten, de persoon van verdachte, de noodzaak van een niet vrijblijvende en intensieve behandeling en de omstandigheid dat de behandeling in het kader van een gevangenisstraf dient plaats te vinden, acht de rechtbank deelname door verdachte aan een penitentiair programma op grond van artikel 4 van de Penitentiaire Beginselenwet aangewezen. Het is de rechtbank bekend dat in dit kader behandeling mogelijk is in de Waag. Verdachte zal aldus (maximaal) het laatste jaar van zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan de rechtbank de duur bepaalt op vijf jaar, de behandeling kunnen ondergaan die zo dringend nodig is.

De inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 2 en 3, te weten een fiets, een zonnebril en een agenda.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 13.100,=.

Voorzover de vordering betrekking heeft op de kosten van rechtsbijstand (€ 2.000,=) merkt de rechtbank op, dat deze volgens benadeelde deels betrekking hebben op de inspanningen van haar advocaat om een einde te maken aan brieven die zij van verdachte ontving en deels op de vordering tot schadevergoeding. Ten aanzien van die brieven is de rechtbank van oordeel dat de kosten van de advocaat niet als rechtstreekse schade toegebracht door het bewezenverklaarde feit kunnen worden aangemerkt. Ten aanzien van de kosten van de advocaat met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding oordeelt de rechtbank dat deze als proceskosten (en niet als buitengerechtelijke kosten) moeten worden aangemerkt. De rechtbank zal benadeelde daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover die betrekking heeft op de (buitengerechtelijke) kosten van rechtsbijstand, maar zal verdachte wel veroordelen tot vergoeding van de proceskosten welke door benadeelde zijn gemaakt. Aangezien aan de hand van de overgelegde urenspecificatie niet kan worden vastgesteld welk deel van de werkzaamheden van de advocaat betrekking had op de brieven en welk deel op de vordering schat de rechtbank de proceskosten op € 1.000,= te vermeerderen met 19,5% BTW (€ 195,=).

Het deel van de vordering dat betrekking heeft op materiële schade (post 2, € 100,=), is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 1 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij voor dit deel ontvankelijk is in haar vordering en zal dit deel van deze vordering toewijzen.

Het deel van de vordering dat betrekking heeft op immateriële schade (post 3, € 11.000,=), is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering deels eenvoudig van aard is en rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 1 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij hierin tot een bedrag van € 5.000,= ontvankelijk is en zal dit deel als voorschot toewijzen. De benadeelde partij kan haar vordering op dit punt voor het meerdere bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats] Canada, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot $ 2490,= Cdn.

Het deel van de vordering dat betrekking heeft op 'fees for psychologist' en clothing distroyed' (posten 1, $ 440,= Cdn. en 3, $ 250,= Cdn.), is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in het bij dagvaarding onder 2 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feit.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij voor dit deel ontvankelijk is in haar vordering en zal dit deel (omgerekend € 442,31) toewijzen.

Het deel van de vordering dat betrekking heeft op de 'parents airline ticket' (post 2, $ 1.800,= Cdn.), is niet aan te merken als rechtstreekse schade van het slachtoffer, toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in dit deel van haar vordering.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dat feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 5.100,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1].

Nu verdachte jegens het slachtoffer het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dat feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 442,31 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 2].

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 36f, 45, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 2 primair en 3 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair:

VERKRACHTING, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 3:

POGING TOT VERKRACHTING;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 5 JAREN;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 23 augustus 2002,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 26 augustus 2002,

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 2 en 3, te weten een paarse crossfiets, een zilverkleurige zonnebril met groene glazen en een zwarte agenda met ringband;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [benadeelde partij 1], wonende te [adres], een bedrag van € 5.100,=,

met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op € 1.195,=, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken,

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, en dat zij haar vordering voor dit meerdere bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 5.100,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

alsmede om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [benadeelde partij 2], wonende te [adres] [woonplaats] in Canada, een bedrag van € 442,31,

met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken,

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 442,31 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 2];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

De Groot en Van den Boom, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Schuurmans, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2002.

parketnummer 09/900698-02