Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1880

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
16-12-2002
Zaaknummer
AWB 01/530 WAJONG G AA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

eerste afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 01/530 WAJONG G AA

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is bij besluit van 8 juli 1999 een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend met ingang van 22 maart 1998 en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 17 juli 2000, verzonden 24 juli 2000, heeft verweerder eisers Wajong-uitkering met ingang van 1 juni 2000 ingetrokken, omdat eiser op 30 mei 2000 is gedetineerd en de detentie langer dan een maand heeft geduurd. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder van eiser teruggevorderd een bedrag van fl. 1.835,26 (bruto plus de overhevelingstoeslag), omdat de uitkering over de periode van 1 juni 2000 tot 1 juli 2000 onverschuldigd is betaald.

Tegen het besluit van 28 december 2000, waarbij verweerder de bezwaren van eiser ongegrond heeft verklaard, heeft eiser bij faxbericht, ingekomen bij de rechtbank op 7 februari 2001, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 22 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 28 februari 2002 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. Meijs.

Motivering

Eiser was vanaf 1 november 1999 gedetineerd.

Bij vonnis, gedateerd 27 maart 2000, heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank eiser, voorzover hier van belang, ontslagen van rechtsvervolging en gelast dat hij wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van een jaar (de zogeheten dwangverpleging als bedoeld in artikel 37, eerste lid, Wetboek van Strafrecht). Het vonnis is op 9 april onherroepelijk geworden. Eiser is op 7 augustus 2000 opgenomen in een psychiatrische kliniek. Tot die dag verbleef eiser in een huis van bewaring.

Met de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wet van 22 december 1999, Stb 1999, 595, in werking getreden op 1 mei 2000, hierna Wsg) is de hoofdregel geïntroduceerd dat er geen recht op uitkering bestaat wanneer de uitkeringsgerechtigde rechtens de vrijheid is ontnomen. Ingevolge deze wet is aan artikel 17 van de Wajong het vijfde lid toegevoegd, dat bepaalt dat het recht op uitkering eindigt, indien betrokkene rechtens de vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.

Ingevolge artikel XV Wsg, Overgangsbepaling overige wetten, wordt, voorzover hier van belang, ten aanzien van een persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de artikelen in deze wet reeds rechtens was ontnomen, voor de toepassing van artikel 17, vijfde lid, Wajong, als eerste dag waarop de vrijheidsbeneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van de wet.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder i, Wajong wordt verstaan onder rechtens zijn vrijheid is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen behoudens de gevallen, bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet b.o.p.z.) en in artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Tussen partijen is niet in geschil dat in de periode van 27 maart 2000 tot 7 augustus 2000 eiser feitelijk en rechtens de vrijheid was ontnomen.

In geschil is of op eisers situatie in de periode van 1 mei 2000 (de datum inwerkingtreding van de Wet van 22 december 1999) tot aan 7 augustus 2000 (de datum van opname in de psychiatrische kliniek) de in artikel 1, eerste lid, onder i Wajong opgenomen uitzondering van toepassing is.

Namens eiser is betoogd dat eisers vrijheidsbeneming in afwachting van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis geen grondslag is voor beëindiging van uitkeringsrecht. In dit verband wordt gewezen op de wetsgeschiedenis, waarin als reden om degenen die op grond van artikel 37, eerste lid, Sr zijn geplaatst uit te zonderen van de beëindiging van het recht op uitkering zijn genoemd enerzijds, dat deze personen na een jaar een eigen bijdrage op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten zijn verschuldigd en anderzijds, dat die personen hun vrijheidsontneming niet kan worden toegerekend. Eisers vrijheidsbeneming tussen het onherroepelijk geworden vonnis en zijn plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis had slechts ten doel de bescherming van hemzelf en/of anderen, hetzelfde doel dat de grond vormt voor de dwangverpleging, en kan hem niet worden aangerekend.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser over de periode van 1 juni tot 7 augustus 2000 geen recht op uitkering had. Samengevat voert hij hiervoor drie argumenten aan. Tijdens de detentie heeft de Staat in eisers onderhoud voorzien. De Centrale Raad van Beroep heeft in een vergelijkbaar geval, waar het de toepassing van de Werkloosheidswet betrof, geoordeeld dat het gaat om de feitelijke situatie van vrijheidsbeneming en dat de uitsluiting ook gerechtvaardigd is in het geval waarin iemand ten onrechte in hechtenis blijkt te zijn genomen. De wet zelf verplicht voorts tot beëindiging van de uitkering; beleidsvrijheid ontbreekt.

De keuze van de regering om degenen aan wie op grond van artikel 37, eerste lid, Sr de vrijheid is ontnomen uit te zonderen van de beëindiging van het recht op uitkering, evenals de dwangverpleegden op grond van de Wet b.o.p.z., maar in tegenstelling tot degenen die op grond van artikel 37a Sr ter beschikking zijn gesteld, is bij de behandeling van het wetsvoorstel uitvoerig aan de orde geweest.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever de situatie onder ogen heeft gezien van degenen die, na een onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis, niet aanstonds op grond van artikel 37, eerste lid, Sr worden opgenomen en die in afwachting van deze opname in een huis van bewaring verblijven.

De voor het onderhavige geschil beslissende vraag of ook in dit geval sprake is van dwangverpleging als bedoeld in artikel 37, eerste lid, Sr, wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord.

Aanknopingspunt hiervoor vindt zij in het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 1990, gepubliceerd in NJ 1990, nr. 826, waarin de vraag is beantwoord op welk tijdstip in een situatie als hier aan de orde de in het eerste lid van artikel 37 Sr vermelde termijn van een jaar een aanvang neemt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat, wanneer de betrokkene zich op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het vonnis waarin de in artikel 37 Sr bedoelde plaatsing is gelast, in detentie bevindt, en diens vrijheidsbeneming enkel in afwachting van de plaatsing, dus niet uit anderen hoofde, voortduurt, voor de berekening van de in artikel 24, tweede lid, van de (destijds geldende) Krankzinnigenwet bedoelde termijn dient te worden uitgegaan van het tijdstip waarop het vonnis op grond waarvan de plaatsing is bevolen, onherroepelijk is geworden.

Niet valt in te zien dat het tijdstip van de aanvang van de dwangverpleging voor de toepassing van de Wsg anders zou moeten worden bepaald dan voor de toepassing van de bepalingen omtrent verlenging van deze verpleging, destijds geregeld in artikel 24 van de Krankzinnigenwet en thans in artikel 31 van de Wet b.o.p.z.

Gelet op de in dit geval vaststaande feiten betekent dit dat eisers vrijheidsbeneming vanaf het tijdstip waarop het vonnis van 27 maart 2000 onherroepelijk is geworden, valt onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1, eerste lid, onder i, van de Wajong.

Hieruit volgt dat geen grond bestond voor beëindiging van de uitkering en evenmin voor terugvordering van de uitkering voorzover deze reeds was toegekend. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de wet. Het beroep is gegrond.

Omdat een nieuwe beslissing op de bezwaarschriften slechts tot uitkomst kan hebben dat de primaire besluiten niet in stand kunnen blijven, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ook de besluiten van 17 juli 2000 vernietigen.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644, te weten

€ 322 voor het beroepschrift en € 322 voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep gegrond.

Vernietigt het besluit van verweerder van 28 december 2000.

Vernietigt de besluiten van verweerder van 17 juli 2000 en bepaalt dat aan eiser over de periode van 1 juni tot 7 augustus 2000 alsnog een uitkering op grond van de Wajong wordt toegekend.

Veroordeelt verweerder in de proceskosten, groot € 644, onder aanwijzing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.

Bepaalt dat dezelfde rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 27,23 moet vergoeden.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel-van Walbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2002, in tegenwoordigheid van H.M. Kosijungan als griffier.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: